Uit: Burger. Red Joost kloek en Karin Tilmans
Amsterdam University Press 2002
Reeks Nederlandse begripsgeschiedenis.

Door Remieg Aerts

p.313-345

Inleiding: waardering zonder sympathie

De burger, aldus J. Kneppelhout in 1849, 'is iets halfslachtige, iets talrijks, zoo men wil, maar toch iets, dat tusschen twee uitersten in ligt. Zoekt men in deze omstandigheid welligt met vrucht de reden, waarom haar euvel ... middelmatigheid is?' Het lijkt een willekeurig citaat misschien, uit een volle documentatie over het gebruik van 'burger' en 'burgerlijk(heid)' in de negentiende en twintigste eeuw. Toch is een uitspraak als deze, alleen al door de wat aarzelende formulering, in menig opzicht illustratief, niet alleen voor de toenmalige manier maar ook voor een lange traditie van spreken over de burger. Kneppelhout, die niet van adel was maar naar Nederlandse verhoudingen wel een aris­tocraat of patriciër, en bewoner van een landgoed bij Arnhem, recenseerde hier het poë­tisch werk van de dichtende drogist S.J. van den Bergh, onder de titel 'Een dichter uit het volk'. Aristocratisch was deze dichtkunst niet, oordeelde hij; het ontbrak de dichter duidelijk aan grote stijl en klassieke vorming. Maar echt volks was zij evenmin. Daar­voor miste Van den Bergh de natuurlijkheid en de aanstekelijke directheid van de man uit het volk. De goedgemeende, verstandige en ijverige dichtoefening van Van den Bergh was 'poëzij voor den middenstand', en hijzelf een burgerlijk dichter, behorend 'tot de deftige burgerij, de kern der natie, gelijk men tegenwoordig zegt'. Hij trad op als dichterlijk representant van de liberale burgerij die in 1848 de weg geopend zag naar een positie van politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid.'

Kneppelhout sprak niet zonder waardering over deze aspiraties van 'onze verlichte burgerstanden', maar tegelijk met duidelijke distantie. Zijn maatschappij was er een van vanzelfsprekende standen. In dat model vormden de 'burgerstanden' of 'middenstand' blijkbaar een brede, ook weer in rangen verdeelde sociale laag tussen een - niet per se adellijke - aristocratie en het 'volk'. Daarnaast bevat Kneppelhouts oordeel een latente, maar nog niet principiële tegenstelling tussen kunstenaar en burger. Elk van de drie standen vormde een meer of minder geschikte voorwaarde voor de beoefening van kunst. Er was een burgerlijk kunstenaarschap mogelijk, maar een ideale combinatie was het niet. Wat het meest opvalt is de voortdurende ambivalentie in zijn manier van spre­ken over de burgerij. In het burgerbegrip ligt waardering zonder sympathie. Het is een positief begrip maar het wekt geen enthousiasme. De burgerstand is nuchter, ijverig, praktisch en verdienstelijk, maar middelmatig. En dat oordeel gaf Kneppelhout in De Gids, het tijdschrift dat bij uitstek woordvoerder was van de burgerij van 1848. Zelfs in dit milieu bestond kennelijk ruimte voor die wat kleinerende ondertoon.

Die ambivalentie in het gebruik van 'burger(lijk)' was al ouder, maar nog niet erg uitgesproken. Sinds de zeventiende eeuw konden 'burger' en 'burgerlijk' in een neutrale zin gebruikt worden, en meestal was dat ook het geval.' De 'burgermaatschappij' of 'burgerlijke maatschappij' was de samenleving - in principe iedere ordelijke samenle­ving. Burgers waren mensen met (volledige) burgerschapsrechten in een stad of staat, maar in een ruimere zin ook wel gewoon bewoners of inwoners. Burgers vormden ook een categorie naast de adel en maatschappelijke groepen met een andere functie, zoals boeren, militairen, studenten, logementhouders of geestelijken. De 'burgerij' stond voor de gezamenlijke natie, of voor het politiek gearticuleerde deel daarvan. In boekti­tels had 'burgerlijk' nog de hele negentiende eeuw hoofdzakelijk betrekking op juridi­sche en administratieve zaken, en soms op civiele tegenover militaire of kerkelijke over­lieden.

Wel werd sinds de achttiende eeuw 'burgerlijk' in toenemende mate verbonden met de 'middenstand' in de samenleving. In de zeventiende eeuw stond 'burgerlyck' voor 'maatschappelijk' en voor de min of meer aangename omgangsvormen die nodig waren om de samenleving goed te laten functioneren.' Als Beets in 1839 spreekt over 'burger­lijke huishoudens' heeft dat woord weliswaar geen bijklank, maar bedoelt hij er het huishouden van burgers mee, een bepaalde sociale formatie.' Naarmate 'burger' en 'burgerlijk' geassocieerd werden met bepaalde karakteristieke elementen - kwaliteiten, een stijl of mentaliteit van die maatschappelijke formatie, kregen zij een bijklank, die positief en negatief kon zijn. Enerzijds golden burgers als een belangrijke, nijvere en verdienstelijke groep, anderzijds lag al in de achttiende eeuw in het gebruik van 'burger­man' en 'burgerlijk' soms een zekere depreciatie, een associatie met geringheid.' Mis­schien de belangrijkste ontwikkeling in het gebruik van het burgerbegrip en zijn aflei­dingen sinds de negentiende eeuw is de versterking van deze associaties en connotaties. Daarnaast (of in samenhang daarmee) is er een brede kloof ontstaan tussen de waarde­ring voor het politieke aspect van burgerschap, en het sociaal-culturele aspect, burger­lijkheid.

De begripsgeschiedenis sinds de negentiende eeuw is bovenal een waarderingsge­schiedenis. De introductie van een equivalent als 'bourgeoisie' vormt een nieuw ele­ment, maar afgezien daarvan lijken er geen werkelijk nieuwe betekenissen te zijn ont­wikkeld. Bestaande betekenissen zijn 'opgeladen' en hebben een polemische werking gekregen. Zeker naarmate de 'burgerstand' of 'burgerij' zich als leidende maatschappe­lijke formatie, als 'kern der natie' ging profileren, juist door een geheel van waarden en een bepaalde levensstijl te propageren, werd het burgerbegrip een strijdbegrip. Het ge­bruik ervan werd sterk perspectivisch, dat wil zeggen gekoppeld aan het zelfbeeld van een groep en het oordeel van andere groepen over deze sociale formatie ‘ Evenals in het geval van 'volk(s)' en 'ordinair', 'aristocratie aristocratisch' of 'elite/elitair' zijn de waar­dering en associaties afhankelijk van de groep van gebruikers.

In die waarderingsge­schiedenis vertoont zich een constant element, namelijk de hierboven al gesignaleerde ambivalentie, en een duidelijke golfbeweging of onregelmatige ontwikkeling: een tame­lijk hoge waardering tot ongeveer 1880, daarna een sterke devaluatie, vervolgens, en vooral in de jaren 1930-1940, een partieel herstel, maar ten slotte een brede depreciatie sinds de jaren zestig.

Tot slot nog een opmerking over de aard van deze beschouwing. Begripsgeschiedenis beperkt zich niet louter tot woorden en taal, maar omvat tevens voorstellingen en soms ook oordelen over de zaak zelf Zeker in een geschiedenis van de waardering van een be­grip is soms ruimere aandacht nodig voor opvattingen over burgerschap en de burgerlij­ke levensstijl, en voor historische, politieke of maatschappelijke omstandigheden die in­vloed uitoefenen op die opvattingen.

Burger en burgerlijk als kwalificerende standsbegrippen

In de negentiende eeuw werden 'burger' en 'burgerlijk' vooral sociale standsaanduidin­gen, in een hiërarchische of piramidale voorstelling van de samenleving. In eerste in­stantie betrof 'burger-' of 'burgerlijk' een brede rest- of tussencategorie: noch adellijk, noch duidelijk behoeftig - die 'groote menschenklasse ... die niets zonderlings noch uitstekends bezitten'' Het constante element in alle omschrijvingen is eigenlijk: ge­woon, gemiddeld, niet bijzonder. Een burger is niet van adel (kennelijk is de adel ook in de Nederlandse taal toch de norm), niet buitengewoon rijk, machtig of verheven.' De associatie met gewoonheid is ook aanwezig in het onderscheid met bijzondere gelegen­heden en met groepen die een speciale of officiële functie bekleden. 'Burgerdracht is gewone kleding; 'in burger' betekent niet in ambtstenue, militair uniform of vol or­naat' In veel woordenboekomschrijvingen wordt gebruik gemaakt van de formulering 'niet te (groot, rijk enzovoorts)'. De associatie met gewoonheid was eigenlijk al het ge­volg van de gevestigde, impliciete gelijkstelling van ‘burgerij' met 'maatschappij', de da­gelijkse, normale toestand. Tegelijk gold de burgerstand als de 'middelklasse der burger­maatschappij'.’ In de samenvatting van het Algemeen noodwendig woordenboek der zamenleving:

Onder deze klasse van staatsburgers wordt gerangschikt al wie niet tot den boeren- of adelstand behoort, maar tusschen deze beiden als het ware in het midden staar: weshalve deze dan ook de middelstand genaamd wordt. In den ruimeren zin zijn rijken en armen daaronder begrepen; in den bepaalden zin verstaat men daaronder de beschaafdere, ar­beidende, neringdoende of van matige middelen bestaande volksklasse, kleinhandelaars, handwerkers, fabrikanten, kunstenaars, geleerden, ambtenaars, renteniers, die we­derom een middelstand uitmaken tusschen de rijken en aanzienlijken of de armen en het gemeen.

De burgerstand was dus zeer breed en divers van samenstelling. In allerlei vaste combi­naties en kwalificaties reikte deze sociale formatie van 'gezeten', 'gegoed' en 'deftig' tot 'eenvoudig' of zelfs 'gemeen' (in de zin van een grauw, ongedifferentieerd geheel). De sociale toplaag, die maar ten dele uit aristocraten en dus voor een belangrijk deel uit burgerlijk patriciaat was samengesteld, werd gewoonlijk aangeduid als de 'aanzienlijk standen', waarbij 'aanzien' berustte op een combinatie van bijzondere welstand, be­stuurlijke invloed en vooral lang verworven familieprestige. Deze deels burgerlijke nota­belenstand werd ook wel die van de 'Meeren' of'patriciërs' genoemd. Families die in for­mele zin dus burgerlijk waren, stonden in de sociale standsbenoeming soms buiten en boven de burgerstand. Naar onderen toe in de sociale piramide omvatte de burger­stand handwerkers, kantoor- en winkelbedienden, waagdragers, naaisters en allerlei an­dere beroepen die niet meer dan een schamel bestaan en een gering aanzien opleverden.

De burger -of middelklasse- bijna alle auteurs gebruikten ‘stand' en 'klasse' door el­kaar, of spraken van 'burgerij' - werd zowel in haar geheel als in haar vele geledingen omgeven door tal van kwalificerende adjectieven. De burgerstand kon 'gegoed', 'welge­steld', 'gezeten', 'achtbaar', 'eerlijk', 'eenvoudig' of 'gering' zijn. Maar drie kwalificaties komen verreweg het meest voor: 'beschaafd', 'fatsoenlijk' en 'deftig'. Behalve als een 'nijvere' of' nuttige' stand, omschreven negentiende-eeuwse burgers zichzelf als een 'be­schavingsstand'. De benaming 'beschaafde stand' komt hoofdzakelijk in de negentiende eeuw voor en valt voor een belangrijk deel samen met 'burgerstand'. Die beschaving omvatte een bepaald niveau van scholing, een fonds van conventionele kennis en smaak, en vooral een geheel van gedragsnormen en conventionele omgangsvormen. Door deze vormen wist men wie er wel en wie er niet tot de eigen kring behoorden.

In die omgangsvormen ligt ook de kern van de kwalificaties 'fatsoenlijk' en 'deftig'. Fatsoen betekent 'vorm', en alle omschrijvingen en toepassingen van 'fatsoen(lijk)' heb­ben betrekking op manieren, op wat 'behoort', 'past' en 'voegt', dus op de bereidheid en vanzelfsprekendheid zich te conformeren aan een stijl, aan overeengekomen regels, en aan een aangewezen positie in de maatschappelijke orde. Fatsoen is standsconform ge­drag. In negentiende-eeuwse personeelsadvertenties is 'fatsoen(lijk)' een vaste kwalifica­tie, die steeds betrekking heeft op gedrag (‘onbesproken gedrag', 'eerzaamheid') en familieachtergrond ('goede naam en reputatie'). Herkenbaar gedrag en bekendheid van de familie vormen een garantie voor betrouwbaarheid. Een 'fatsoenlijke zaak' is een lo­kaal dat zich van klandizie verzekerd weet doordat de bezoeker erop kan vertrouwen dat hij daar geen ongepaste toestanden en mensen uit heel andere maatschappelijke kringen zal aantreffen.

Met geen kwalificatie is 'burger' zozeer verbonden als met 'fatsoenlijk'. 'Wat is een burger?', vroeg een 'oud Amsterdamsch burger' in 1848, in een betoog gewijd aan dit probleem; 'waarom niet liever: wat is een fatsoenlijk man?' Het kwam hem bespottelijk voor te suggereren dat daartussen verschil zou kunnen bestaan. Toch is het sociaal be­reik van 'fatsoenlijk' moeilijk te bepalen. In de meeste gevallen heeft de term betrekking op middenstanders van bescheiden middelen en aanzien. Maar bijvoorbeeld de inrich­ting van een koffiehuis kon ook een 'grootsch aanzien, iets fatsoenlijks' hebben, een def­tige allure. En dezelfde auteur die de burger gelijkstelde met een fatsoenlijk man, po­sitioneerde elders de sociale rang van de burger lager dan die van 'een rijk, aanzienlijk, met een woord een fatsoenlijk man'. In het deftige, standsgevoelige Den Haag ston­den de 'fatsoenlijke klassen' of 'de fatsoenlijke of gedistingueerde wereld' tamelijk hoog.’ De 'fatsoenlijke wereld' of 'fatsoenlijke stand' was een aanduiding voor de hele beschaafde en gezeten bovenlaag van de maatschappij'

Fatsoenlijk gold in woordenboeken onder meer als synoniem van 'deftig'. In dit be­grip ligt de nadruk op uiterlijke waardigheid en statigheid, op een afgemeten optreden en een strenge handhaving van vormen. Nog meer dan 'fatsoenlijk' werd 'deftig' geasso­cieerd met 'aanzienlijk', dus met een hoge sociale status. Maar de term beperkte zich niet tot de stijl van de bovenlaag. Een overheidsrapport onderscheidde in 1843 tussen de 'eerste stand' en de 'mindere volksklasse' twee lagen, de 'deftige middenstand' en daaronder de 'kleine middenstand'. De kwalificatie kon zich zelfs uitstrekken tot de rang van het huispersoneel, en komt ook voor in combinatie met 'eenvoudig': 'de neus optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren'. Deftig stond bijna steeds voor een sobere, dege­lijke, weinig ostentatieve, enigszins ouderwetse stijl van huishouding en presentatie.

Het hele woordveld rond 'burger(lijk)' geeft voortdurend uitdrukking aan standsbe­sef Enerzijds bevatten woorden als 'burgerlijk', 'fatsoenlijk', 'beschaafd' en 'deftig' de garantie van standsovereenkomst, van goede en voorspelbare omgangsvormen en be­trouwbaarheid; anderzijds vormden zij het middel waarmee men ook binnen de bur­gerstand de eigen positie ten opzichte van anderen markeerde, in een subtiel geheel van onderscheidingen. Het is het vocabulaire van een hiërarchische en weinig dynamische standensamenleving. Of dat starre standskarakter nu sociale realiteit was of vooral ideologie, in de taal zelf lag sterk de suggestie van die standsgewijze ordening. 'Burgerlijk', 'fatsoenlijk', 'beschaafd' en 'deftig' impliceren instemming met een geheel van conventies­, en daardoor met een stabiele, hiërarchische orde.

Het was een beperkend, bijna terechtwijzend vocabulaire. Ook burgerlijke auteurs bedienden zich ervan om zichzelf of anderen die moeite hadden zich in het maatschap­pelijk rangenstelsel te schikken, op hun plaats te wijzen:

De dichter-beurscommissionair Potgieter, die het waarachtig aan burgertrots niet ontbrak, verzuchtte ooit bij de aanblik van zijn portret: 'toch maar een burgerman'.-'' Ook A. Gildemeester, uit een grote Amsterdamse handelsfamilie, herin­nerde zich op latere leeftijd het vernederende begin van zijn eigen handelscarrière, na zijn Delftse studiejaren: 'ik voelde mij een burgerman geworden, commissionair in kof­fie, bijna een ploert' (de typische studententerm voor de burger) . En Multatuli, die het standenstelsel ridiculiseerde, bekende zijn adellijke verloofde Tine van Wijnbergen dat hij zich, tegenover de Amsterdamse grote koopmansstand, nooit kon ontdoen van het minderwaardigheidsgevoel van de 'nederigen burgerman', de 'burgerjongen ... die op den Haarlemmerdijk woonde'. Oudere, gevestigde handelsfamilies namen nieuw­komers de maar door hen minzaam als respectabele 'burgerfamilie' te kwalificeren. Als burger was en bleef men uiteindelijk altijd 'maar een eenvoudig burgerman'.

De erenaam van burger: hoge status van het politieke burgerbegrip

Ondanks deze beperkende voorwaarde - 'maar een burgerman', 'maar eene burger­vrouw' - is de status van de burgertitel, op de patriottenjaren en de eerste periode van de Bataafse Republiek na, nooit zo hoog geweest als in de liberale decennia 1840-1880. Het was de 'erennaam' van 'de brave middenstand ... de wezentlijke kracht van den Staat', 'de werkzame leden der maatschappij, die het staats-lichaam tot zenuwen en spieren verstrekken'. In het hart van de maatschappij was de 'deftige burger' boven alle andere groepen het toonbeeld van 'ijver, werkzaamheid, naarstigheid, beleefdheid, eer­lijkheid, trouw, matigheid en kuischheid, zoowel als mannelijke godsvrucht, met één woord alle huiselijke en gezellige deugden'.- Het was deze 'middelstand' die Potgieter in de literatuur hoopte 'te zien vieren en vereeren als de kern van elken staat, als de kern van ons burgerlijk koningrijk vooral'. Het was de 'burgerstand' die gold als het nood­zakelijke midden in een gezonde samenleving, tussen 'rijken en armen' Ook voor de oprichters van het populaire 'Hollandsch familieblad' Eigen Haard (1875-1941), de protestantse tegenhanger van de Katholieke Illustratie, was de burgerij nog 'het beste deel onzer natie'

Vooral de liberale beweging heeft in de jaren 1840 een opwaardering van het maat­schappelijk en politiek burgerschap gebracht, in een discours over rechten, gekoppeld aan een hoog besef van plichten en verantwoordelijkheden. Als over de 'burger' of de 'middenstand' werd gesproken in de hierboven geciteerde, zeer positieve zin, betrof het behalve zijn economische betekenis altijd zijn maatschappelijke inzet, zijn verantwoor­delijkheid voor de publieke zaak. De identificatie van 'burgerlijk' mei 'maatschappelijk' was vanouds zo sterk, dat het eerste woord gewoon als synoniem van het tweede optrad, zoals in 'ons staatkundig en burgerlijk leven'. Die identificatie was dus niet strikt neu­traal. Zij suggereerde dat de burgerij inderdaad vanouds de schepper en vormgever van de beschaafde maatschappelijke orde was, en herinnerde haar tevens aan haar voortdu­rende verantwoordelijkheid voor het functioneren van die orde.’

Die maatschappelijke nuttigheid gaf volgens de liberalen de bevolkingsgroep tussen 'aristocratie' en 'volksklasse' recht op politieke medezeggenschap, op 'staatsburger­schap', met een term van Thorbecke. 'Staatsburgerschap' was een waarschijnlijk door Thorbecke uit de Duitse publicistiek overgenomen begrip met een duidelijk liberaal Constitutionele, op het Franse politieke burgerschap geinspireerde strekking. In het Duitse gebruik van deze term lag sinds 1815 de eis van politieke verantwoordelijkheid voor de ontwikkelde en nijvere burgerij besloten. In zijn bekende rede Over het he­dendaagsche staatsburgerschap (1844) en in het eindverslag dat de grondwetsherzie­ningscommissie in april 1848 toevoegde aan de ontwerp-grondwet noemt Thorbecke staatsburgerschap 'de eerste drijfveer onzer eeuw' en beklemtoont hij het belang van een actieve deelname van 'de burgerij' aan het bestuur op elk niveau. Alleen door 'eene andere en oneindig grootere medewerking der burgerij' berust de staat op 'nationale kracht'. Dit stelde aan de burgerij inderdaad de eis van actieve inzet op maatschappelijk gebied. Thorbecke en de liberalen van 1848 namen afstand van de huiselijkheidscultus sinds 1815, toen 'niet deelneming, maar onthouding ... burgerpligt' leek.

Hoewel Thorbecke in beide teksten over burgerschap en burgerij spreekt in een zui­ver politieke zin, en hij zich het verschil tussen (politiek) burgerschap en (sociale) bur­gerstand heel goed bewust was, is overal duidelijk dat hij met de 'burgerij' in feite de so­ciale groep onder de notabelenelite van 1815 bedoelde, een in principe open verdienstenstand die zich voortdurend kon verbreden. Het polemische element in dit gebruik van 'burger(ij)' en 'burgerlijk', met zijn anti-aristocratische, bijna republikeinse kleuring, ontging de deelnemers aan de debatten rond de grondwetsherziening niet. De liberaal Dirk Donker Curtius noemde de strekking van het grondwetsontwerp inder­daad 'burgerlijk', en legde uit wat hij verstond onder de 'eenvoudige burgerlijke zin' die naar zijn mening een goede nationale traditie en karaktertrek vormde. Het was, behalve een gehechtheid aan orde en toekomstplanning, 'die neiging van den Nederlander, wel­ke men opmerkt zoowel in hoogere als in de mindere standen, om zich door geenen uiterlijken schijn te laten verblinden, zich geene behoeften te scheppen, waaraan men of niet óf slechts door onbetamelijke middelen op den duur kan voldoen'. Een nuchtere attitude dus, en een geringe geneigdheid tot groots vertoon. In plaats van deze positieve inhoud wilde de conservatieve patriciër J. van Lennep in 'burgerlijke zin' alleen het sy­noniem zien van een 'Jan Salie-geest, dien ik niet verwacht had dat door den heer Don­ker Curtius als een loffelijke eigenschap onzen landgenooten zoude zijn toegescho­ven'. Daarmee ging hij voorbij aan de waarderende zin waarin ook Potgieter, toch de uitvinder van de jan-Saliegeest, 'burgerlijk' gebruikte. 'Wij zijn van burgerlijk geslacht' betekende voor Potgieter een nationale belangstelling voor het gewone leven, een ge­richtheid op maatschappij en realiteit. Het stond tevens voor een enigszins democra­tisch-egalitaire, niet-aristocratische attitude.

Al had het politieke burgerbegrip inmiddels betrekking op het staatsburgerschap, uit de context blijkt meestal dat de liberale auteurs van voor 1880 nog vooral de stedelijke burger voor ogen stond, met zijn directe, actieve betrokkenheid bij het welzijn en de be­langen van de eigen stedelijke gemeenschap. Vaak klinkt in het positieve gebruik van 'burger' ook de rijke erfe­nis van het grote nationale verleden mee. De burgerlijkheid van de Gouden Eeuw mag dan voor een belangrijk deel een uitvinding zijn van de negentiende eeuw, de woorden 'burger(ij)' en 'burgerstand' profiteerden van deze liberaal-protestantse geschiedvoor­stelling.’ Tere derhalve den Nederlandschen koopmansstand!', aldus R.C. Bakhuizen van den Brink in zijn beschouwing van de Opstand (1846):

Wie de kleingeestige baatzucht van dien stand in latere dagen laakt, vergete niet, wat bij de geboorte van den Nederlandsche republiek de grootmoedigheid en zelfopoffering van dien stand heeft gewrocht; wie bewonderend in latere dagen den bloei gadeslaat, waar­toe de handel den staat verhief, en de raagt, welke hij in het aangezigt der wereld out­wikkelde, hij verklare zich het verbazende verschijnsel ten deel uit het zedelijk beginsel, dat in de burgerij, te midden van de worstelingen van den tegenspoed, was ontwaakt en gesterkt, en burgerlijke en godsdienstige vrijheid tot de eerste vruchten zijner werking, tot de onmisbare voorwaarden van zijn voortbestaan had gemaakt.

Trots en de hoogste lof omringen ook Potgieters zeventiende-eeuwse 'burgers van eenen krachtigen tijd, mannelijk moedig in hunne uitspanningen, en goedrond bij den beker; de burgers, die Spanje in drie werelddoelen hadden overwonnen'. Holland, wist hij, dankte zijn grootheid 'aan zijne burgers en aan Oranje'. Potgieters burgers zijn altijd 'vroed', 'wakker', 'degelijk' en 'trots'. Ook bij andere auteurs konden 'burger(ij)' en 'de burgerschap' een dergelijke volheid hebben: 'Burger godsdienstzin, burger orde-zucht, burger helden-moed'. In de liberale voorstelling van de vaderlandse geschiedenis en kunst stonden 'burger' en daarmee samengestelde begrippen voor vrijheidszin, realisme, humanisme, individualisme en maatschappelijkheid. In de verzekering van de liberale volksopvoeder J. van Vloten, dat de zeventiende-eeuwse schilders hun kunst maakten voor burgerwoningen en burger grooten ... met hun burgerzeden en bedrijven' lag niets depreciërende, integendeel.’ Zoals voor de marxisten later, was voor liberalen de bur­gerklasse sinds de zeventiende eeuw een historische avant-garde geweest, een vernieu­wende en bevrijdende formatie.

Deze bronzen toon klonk trouwens niet alleen in geschriften uit liberale kring; in de antirevolutionaire pers galmden 'burgerlijke vrijheid', 'ons burgerbloed', 'ons goed en degelijk burgerrecht' en de 'stoere burgermoed' niet minder verheven.’ Abraham Kuy­per hechtte groot belang aan wat hij 'burgerbesef' noemde, het besef van maatschappe­lijke en historische binding.' Zelfs een latere felle criticus van de burgerlijke levensstijl als Lodewijk van Deyssel vond een 'kernachtige schoonheid' die 'waarlijke waardering verdient' in de ouderwetse degelijkheid, karaktervastheid en zelfbewustheid van de oudere generatie die hij samenvatte als 'echte burgerdeugd, militair kloek getinte bur­gerdeugd'. Trots sprak ook uit de oprichting van kiesverenigingen en sociëteiten voor en door de middenstand, die zijn burgerlijk karakter niet wilde verloochenen. Zo ont­stonden in Amsterdam bijvoorbeeld de kiesverenigingen Burger-Vereeniging en Burger­pligt (1866), en in Goes een Sociëteit van Burgers (1875) die zich graag als 'de kern der maatschappij' beschouwden.’ In Den Haag presenteerde de nijvere middenstand zich­zelf als 'de burgerij', in zijn aanspraken op toegang tot het deftige uitgaansleven naast de stedelijke elite. Ook in Winschoten noemden vertegenwoordigers van de 'handels­stand' zich trots 'de burgerij's' Meestal gebeurde dit in machtsconflicten tussen de middenstand en de stedelijke elites, die zelf grotendeels in strikte zin burgerlijk waren, maar vanwege hun welstand en gevestigde positie als 'heeren' golden.

Drie dingen vallen op in deze positieve waardering van het burgerconcept in de ne­gentiende eeuw tot aan de jaren 1880. Ten eerste werd het woord 'burger(lijk)' eigenlijk niet heel vaak gebruikt, ook niet door die auteurs die duidelijk een hoge dunk hadden van de historische rol van de burgerklasse of van burgerlijke waarden in het algemeen. Woorden als 'vroed', 'degelijk', 'vrijheidslievend', 'koopmansstand', 'vaderen', 'vader­landsch' of'echt Hollandsch' vervulden dezelfde functie. Ten tweede lijkt het of 'burger-' in relatie tot het verleden een hogere status genoot dan in toepassing op de eigen tijd. In dat laatste geval kreeg het vaak de eerder gesignaleerde ambivalente waardering en werd het betrokken op de sociale positie en de levensstijl van de middenklasse, de 'burgerlui',

wel boven het 'volk', maar toch onder de echte maatschappelijke elite. Ten derde strekte de positieve betekenis zich niet zonder meer uit over allen die tot de brede middenklasse behoorden. Zij bleef doorgaans beperkt tot een actieve, publieke, maatschappelijke op­vatting van burgerschap.

De gehate en gesmade bourgeoisie

In het laatste kwart van de negentiende eeuw begon een depreciatie van het burgerbe­grip. Door de ogenschijnlijk dominante positie van de liberaal georiënteerde, overwe­gend protestantse grote burgerij in het openbare leven werd juist deze maatschappelijke formatie en haar presentatie het mikpunt van kritiek van verschillende emancipatoire bewegingen. Ten eerste begonnen de confessionelen, overwegend afkomstig uit de klei­nere burgerij en de bevolking van het platteland, zich te organiseren regen deze politie­ke, culturele en sociale dominantie. Dat deed ook de arbeidersbeweging. Voorzover deze een socialistisch karakter aannam, ging zij zich bedienen van een karakteristiek, maar internationaal gangbaar vocabulaire, waarin een scherp onderscheid werd gemaakt russen politiek burgerschap en de maatschappelijke positie van de burgerij. Die maat­schappelijke dominantie, die in de marxistische voorstelling een historisch en tijdelijk karakter had, werd onderwerp van aanhoudende en principiële kritiek. Daarnaast ver­scheen in de jaren 1880 in Nederland, zoals ook in andere landen in deze periode, een zelfbewuste artistieke avant-garde, die de bestaande burgerlijke kunst- en levensopvatting afwees en een uitgesproken tegenstelling tussen kunstenaarschap en burgerlijke cultuur in het leven riep. En ten slotte ontstond ook in de grootburgerlijke kring zelf, vooral in reactie op de sociale en politieke opmars van de confessionelen, een behoefte om afstand te nemen van het burgerbegrip en het te associëren met het kleine. Zo kwam het trotse burgerconcept van alle zijden onder druk te staan, en werd het tot het begrip van beperking en gevestigde orde.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal formuleerde rond de eeuwwisseling als vierde betekenis van 'burgerlijk': 'zonder vrijheid van geest, t.w. volgens het karakter van den burger, die angstvallig gehecht is aan zijne begrippen van fatsoen; in dezen zin ge­bruikt men ook den vreemden term bourgeois'. Alle tekstvoorbeelden die volgden - ‘onze kleingeestige, burgerlijke, middelmatige maatschappij', 'vertoon van burgerlijke braafheid'-dateerden van na 1870.

Een eerste, maar duurzaam teken van de nieuwe spanningen binnen het burgercon­cept vormde de introductie van de Franse term 'bourgeoisie' ter aanduiding van een be­paalde groep of stijl binnen de burgerij. Het woord verscheen, incidenteel, in de late jaren 1860 en kreeg na 1870 een vaste, polemische betekenis. Tot de eersten die het ge­bruikten, behoorden de leden van de internationaal georiënteerde grootburgerlijke fa­milie Pierson. De liberale econoom N.G. Pierson bezigde de term in De Gids van 1867, kennelijk in aansluiting bij de Duitse socialistische leider Lassalle, maar in een verdedi­gende zin. Pierson nam de bourgeoisie, opgevat als gezeten burgerij, 'middenstand' of 'heerschende klasse', in bescherming tegen de socialistische kritiek van egoïsme en uit­buiting van de arbeiders. In 1869 gebruikte ook zijn broer, de predikant H. Pierson deze aanduiding, deels nog in een vrij neutrale zin: 'die stand, welke tusschen de aristo­cratie en de landbouwende of handwerkende standen in ligt, en wat beschaving, ontwik­keling betreft, boven beide, wat vormen aangaat, beneden eerstgenoemde staat'. Het waren vooral 'de zoogenaamde meer ontwikkelde burgers, die dezen stand het duide­lijkst vertegenwoordigen'. Maar tegelijk schreef Pierson over 'de bourgeoisie' in een kri­tischer zin, namelijk in een onderscheid tussen de hooghartige zelfgenoegzaamheid en 'heerschzucht van deze ontwikkelde, vrijzinnige burgerij, die in kerk en cultureel leven de macht in handen had, en de geloofsbehoeften van het traditioneel denkende, confes­sionele deel van de bevolking.

Dit onderscheid wees vooruit naar de door A. Kuyper in de volgende decennia ge­organiseerde emancipatie van de 'kleine luyden'. Misschien typisch voor Nederland, waar de hogere burgerij zich in de negentiende eeuw meer als beschaafde of deftige be­stuursstand manifesteerde dan als kapitalistische ondernemersstand, verscheen 'bour­geoisie' dus in eerste instantie niet als aanduiding van de economische macht. Wel duidt de introductie van het Franse begrip op spanningen binnen het burgerconcept - een behoefte om goed en verkeerd burgergedrag, of hogere en lagere groepen binnen de middenklasse te onderscheiden. 'Bourgeoisie' was vanaf het begin een beladen term, al kon die lading verschillen. 'Bourgeoisie', aldus het liberale Algemeen Handelsblad in 1874, heeft 'een voor velen onaangenamen klank' en wordt 'gewoonlijk in ongunstigen zin ... gebezigd'. Het woord stond volgens de deftige, academische en hooggeplaatste burgerij voor de lompheid en kleingeestige zelfzucht van mensen uit de neringdoende, hoewel 'gegoede middenklasse'. Anderzijds verbond de antirevolutionaire voorman Kuyper de term juist met de zelfzuchtigheid en de arrogantie van de welgestelde, libera­le bovenlaag die zich sinds de Franse revolutie en 1848 tot establishment had opge­werkt.

Inderdaad bediende Kuyper zich herhaaldelijk in De Standaard van de aanduidingen 'bourgeoisie' en 'bourgeoisie satisfaite' om de invloed van de liberale bovenlaag te bekri­tiseren. Met deze 'uitheemschen term' werd zijns inziens precies de 'verbastering van het burgerwezen' getroffen die het onchristelijke liberalisme in brede kring had veroorzaakt. Tien jaar voor de artistieke beweging van Tachtig introduceerde Kuyper ook een ander thema. Hij stelde de morele authenticiteit tegenover het vaak tot huichelachtige con­ventie geworden 'fatsoen' van de welgestelde stedelijke burgerij' Kuyper gebruikte 'bourgeoisie' opzettelijk en polemisch ('de ondragelijke heerschzucht der bourgeoisie en de onduldbare tyrannie der groote kapitalisten', 'de Mammon-belijders') juist toen hij zijn confessionele aanhang begon te organiseren. Hij noemde zich niet zonder trots 'een burgerkind, uit die klasse der maatschappij, die niet te ver staat van de lagere standen' en zocht zijn aanhang onder 'de kleinere burgerij', 'de luiden van kleine en middelbare middelen', de onbedorven, traditionele, calvinistische kleine man en vrouw in de provincie. Het was vooral Kuypers antirevolutionaire beweging die de 'kleine luy­den', 'onze kleine man', 'de kleine burgerij en de kleine boerderij' tot de eigenlijke kern der natie uitriep en juist die kleine burgerij een eigen waardigheid verleende?

Vooral dus het liberale establishment kreeg het verwijt een zelfzuchtige 'bourgeoi­sie satisfaite' te zijn geworden. Het bekendst is die kritiek uit socialistische hoek, maar zij klonk het eerst uit de kring van jongere links-liberalen en radicalen. In hun nieuwe tijdschrift Vragen der Tijds (1874) lag het zelfzuchtige conservatisme van 'de bourgeoi­sie', als 'de heerschende klasse' en 'de vermogende burgerij', onder vuur. De libera­len van 1848 verdedigden zich tegen dat verwijt en wezen de beledigende suggestie in deze termen uitdrukkelijk af.’° Zij wilden nog niet afdingen op de waarde en beteke­nis van de burgerij. Een 'krachtige middenklasse', aldus N.G. Pierson, was voorwaarde tot en teken van een 'volledige ontwikkeling der maatschappij'. De arbeiders mochten juist eens wat meer een voorbeeld nemen aan 'die geest van orde, van spaarzaamheid en overleg, waardoor de bourgeoisie zich onderscheidt'. Pas in de jaren 1890 mop­perden incidenteel ook teleurgestelde oud-liberalen over 'het cynisme onzer burger­klasse' .

Het waren dus antirevolutionairen en liberalen die het depreciërend gebruik van 'bourgeoisie' in Nederland introduceerden, maar dit gebruik is toch vooral karakteris­tiek geworden voor de strijdtaal van de socialisten. De socialistische taal heeft het woord 'volk' ('het arbeidende volk', 'het volk, het tot bewustzijn gekomen proletariaat') een nieuwe, positieve lading gegeven, en ‘bourgeoisie', 'burgerklasse', ‘burgerdom', 'burge­rij' en 'burgerlijk' tot vijandbegrippen gemaakt.',4 Dit was natuurlijk geenszins een Ne­derlands verschijnsel. De taal van het socialisme was internationaal. Met de overgang van oude vormen van verzet en protest vanuit de volksklasse naar een meer ideologisch georganiseerde arbeidersbeweging, in het laatste kwart van de negentiende eeuw, begon ook de bewuste ideologisering van de taal. Het algemeen-marxistisch vocabulaire werd in de openbare uitingen van de Nederlandse arbeidersbeweging gangbaar, ook daar waar overigens een diepgaande Marx-receptie ontbrak. Na 1892, toen het Commu­nistisch Manifest voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen, is het marxistisch vocabulaire, met zijn uitgesproken tegenstelling tussen 'burgerlijk(e maatschappij)' enerzijds, en 'arbeiders(beweging)', 'arbeidersklasse' en 'proletariaat' anderzijds, bewus­ter toegepast.

Tot die tijd bediende bijvoorbeeld Recht voor Allen zich niet eens heel frequent van de term 'bourgeoisie'. Het blad sprak nog van 'wij burgers en werklieden' en 'u arbeiders en kleine burgerij ... het nietbezittende deel der natie'. 'Burger(s)', in de betekenis van 'citoyen', hield een positieve klank, soms zelfs de naklank van de Franse revolutie, zoals in de aanhef 'Burger Redacteur!'' De bevolking van de Amsterdamse volksbuurten, die zich scherp verzette tegen de afschaffing van de kermis (1879), mobiliseerde de wijkbe­woners onder de aanhef 'Burgers van Amsterdam'. Ook het genootschap Vox populi, van echte 'volksmannen', streefde naar bevordering van 'zelfkennis en burgerdeugd'. Aanvankelijk was er in deze kring dus nog geen uitgesproken vijandigheid jegens het burgerbegrip. Toch was in Recht voor Allen duidelijk wie de vijand vormden: 'de bezit­ters', 'de bezittende klasse', 'de heeren','de grooten', 'de kapitalisten', de 'geldmannen' of 'de thans heerschende internationale burgerlijke geld-heerschappij', en natuurlijk ook wel de 'bourgeoisie'.’

De socialistische pers greep niet alleen regelmatig naar deze polemische, bij uitstek veroordelende term; in een veel ruimere en principiële zin keerde het socialisme zich te­gen de hele bestaande orde, die als de 'burgerlijke' werd getypeerd. 'Burgerlijk' stond in het socialistische vocabulaire voor alles wat tot de kapitalistische orde behoorde. De 'burgerlijke maatschappij' of 'burgermaatschappij' kreeg zo een nieuwe, maar negatieve betekenis -een principieel negatieve betekenis. 'Burgerlijk(heid)', in deze zin gebruikt, riep niet een nauw bepaald beeld van, of herinnering aan, specifieke praktijken of waar­den op. Het stond voor een vlakke, algemene afwijzing van de bestaande, historisch ge­vormde orde. De 'burgerlijke beschaving' werd het exclusieve bezit van de zelfzuchtige 'bourgeoisie', maar ook wel, bij socialistische intellectuelen en kunstenaars, de verkeer­de, tot verdwijnen gedoemde cultuuropvatting en het cultureel erfgoed van de bestaan­de orde. Deze 'burgerlijke huichelachtige schijnbeschaving' zou op den duur plaatsma­ken voor een echte, proletarische of socialistische cultuur.' 'Burgerlijk en 'socialistisch' (of 'proletarisch', of 'arbeiders-) stonden als onverzoenlijke begrippen tegenover elkaar, elk de aanduiding van een fundamenteel andere 'geest' en samenleving: 'scheppingen van de bourgeoisie, [wortelend in het kapitalisme, kunnen] hun afkomst en wezen niet verloochenen, zijn derhalve burgerlijk, kunnen niet anders zijn. Zij kunnen dientenge­volge ook geen andere dan burgerlijke resultaten afwerpen', decreteerde een auteur in een beschouwing over arbeiderssport en burgerlijke sport.’

In de politieke sfeer vormde zich een principiële tegenstelling tussen de 'burgerlijke politiek', de 'burgerlijke partijen' en de 'burgerlijke pers' aan de ene, en het socialisme aan de andere kant. Het aantal tekstvoorbeelden is hier eindeloos. Deze polariteit bleef bestaan, ook nadat de sociaal-democratische beweging haar streven naar een revolutio­naire vestiging van een nieuwe orde feitelijk had opgegeven. Het gebruik van deze te­genstelling werd op den duur zo gewoon, dat ook de 'burgerlijke' partijen, dus de libe­ralen en confessionelen, hoewel zij zichzelf gewoonlijk niet met deze term tooiden, in de niet-socialistische pers en geschiedschrijving wel aldus konden worden aangeduid. De liberaal PJ. Oud bijvoorbeeld, gebruikte in zijn parlementaire geschiedenis, als hij socialistische en communistische woordvoerders parafraseerde, de aanduiding 'burger­lijke partijen' tussen aanhalingstekens. Maar hij hanteerde haar ook wel zonder die re­serve, zowel in passages waarin hij de mening van niet-socialistische politici weergaf als in passages waarin hij zelf aan het woord was: 'Het standpunt door de burgerlijke par­tijen, zo rechts als links ingenomen, blijft bereidheid tot grote hervormingen langs le­galen weg'?' Hoewel de uiterst rechtse, antidemocratische tegenstanders van het be­staande parlementaire bestel in de jaren dertig niet als 'burgerlijke partijen' konden gelden, vielen zij in de praktijk buiten deze terminologische polariteit.

Overigens was de verhouding van het socialisme tot het 'burgerlijk' element gecom­pliceerder dan de retorische tegenstelling wilde doen geloven. Een probleem is steeds geweest welke bevolkingsgroepen de socialistische beweging eigenlijk vertegenwoordigde, en waar, in de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen, het 'proletariaat' op­hield. Ook de kerkelijke binding van een belangrijk deel van de potentiële aanhang, en de concurrentie van de confessionelen compliceerden het beeld. In het algemeen droeg de socialistische publicistiek ertoe bij het terminologisch onderscheid tussen 'grote' en 'kleine' burgerij te versterken. Recht voor Allen richtte zich nog tot 'arbeiders en kleine burgerij', maar ook latere auteurs creëerden een voorstelling waarin de 'kleine burgerij' of ‘kleine luyden' evenals het proletariaat door de 'heeren' of de 'bourgeoisie' geknecht werd. De 'kleine burgers' konden tot de socialistische beweging gerekend worden; rond Domela Nieuwenhuis verzamelde zich het 'socialistisch kleinburgerdom en proleta­riaat'. Troelstra beriep zich bij zijn halfslachtige revolutiepoging van november 1918 niet alleen op de arbeiders, maar ook op 'een groot deel der burgerij', tegenover de 'bourgeoisie'. Tegelijk vormde het 'kleinburgerlijk' element, of de 'kleine bourgeoisie' een bedreiging voor de kracht en zuiverheid van het marxistische socialisme. Het de SDAP zich leiden door de materiële nood en het ongeduld van het 'kleinburgerdom', het 'keuterkapitalisme' van 'kleine burgerij' en 'kleine pachters', dan raakte de partij af van het principiële doel, de omverwerping van de 'burgerlijke orde op het historisch juiste moment, en werd de arbeidersbeweging 'met kleinburgerlijke ideologie vergif­tigd'.’ Marxistische auteurs veroordeelden de reformistische koers van de SDAP onder Troelstra als 'burgerlijk socialisme'; de partij schiep slechts 'fatsoenlijke socialistische burgermenschen'. Maar ook Troelstra zelf maakte zich zor­gen over de 'verburgerlijking' van zijn partij’. De ware socialist behoorde een 'afkeer van de bourgeoisie in 't bijzonder en de burgerlijkheid in 't algemeen' te koesteren.

'Bourgeoisie' werd in veel gevallen zonder nadruk gebruikt, gewoon als synoniem van burgerij of de burgerlijke orde. Maar het woord hield toch ondertussen wel zijn volle polemische scherpte, als de gelegenheid erom vroeg. Troelstra gebruikte het voortdurend in zijn roemruchte rede van 11 november 1918, waarin hij 'de bezittende, de heerschende klas­se' voorhield dat het historische moment gekomen was om de macht over te dragen aan de arbeidersklasse: 'Gij, bourgeoisie, ge voelt, dat de arbeidersklasse is geworden de macht die niet meer kan vragen, eischen, maar die zichzelf als opperste macht moet konstitueeren. Dit is de eisch der historie, voeg u er naar'. En een dag later, in de Twee­de Kamer: 'Uw stelsel, mijne heeren, uw burgerlijk stelsel, is langzamerhand vermolmd en verrot'. Op dergelijke momenten van grote politieke en maatschappelijke span­ning, zoals in 1903, in 1918 en in 1933 was de bourgeoisie niets minder dan de 'klasse­vijand'. 'Hoe kunnen wij anders dan beledigend over de bourgeoisie spreken', verklaar­de een socialistische auteur in een reactie op een wetsvoorstel in 1934 om de strafbaarstelling van opruiende geschriften en beledigende uitlatingen uit te breiden.

Het gebruik van 'burgerlijk(heid)' en bourgeoisie in socialistische kring heeft sinds de late negentiende eeuw een enorme verbreiding en werking gekregen, maar het heeft zich nauwelijks ontwikkeld. Tot aan de jaren 1980, toen een zelfbewuste socialistische publicistiek op haar retour raakte, stond 'burgerlijk' voor 'de gevestigde orde', naast of tegenover 'socialistisch'. Tot op heden kan men het in die zin aantreffen.

De burger en de kunstenaar

In 1928-1929 schreef Menno ter Braak zijn grote essay Het carnaval der burgers. Een ge­lijkenis in gelijkenissen. Het is misschien de meest virtuoze en uitputtende analyse van het burgerconcept die ooit ondernomen is. Tamelijk in het begin vatte Ter Braak de conventionele betekenissen van burger samen:

Het woord 'burger' heeft twee betekenistoppen, die ongeveer samenvatten, wat zich aan gevoelsnuance om deze klankcombinatie beweegt; de burger is de 'citoyen’ enerzijds, hij is ook de 'Spiessbiirge, anderzijds. Hij heeft 'burgerrecht en hij is tegelijk 'burgerlijk'. Hij maakt dus aanspraak zowel op algemene eerbied, als op algemene verachting.

In elke andere betekenis dan de politieke golden 'burger' en zijn samenstellingen dus inmiddels als scheldwoorden waarmee men zich niet graag associeerde. Men - dat is hier in elk geval de groep waartoe Ter Braak zelf behoorde, die van intellectuelen en schrijvers. De antipode van 'de burger' was in Ter Braaks essay 'de dichter', de vertegen­woordiger van het vrije, scheppende en onverantwoordelijke in de mens. De burger en de dichter (en achter deze ook de bolhémien) vormden typen van tegengestelde neigin­gen, behoeften en keuzen in het leven. In het essay vervlocht Ter Braaks dialectische stijl de beide typen, in een ingenieus spel van spiegelingen en paradoxen, dat uiteindelijk ook zichzelf ontmaskerde als een virtuoze taalschepping.

Maar gelegenheidstypen of niet, Ter Braak speelde liter met een tegenstelling die sinds de late negentiende eeuw ook in Nederland (zoals eerder in Frankrijk) opgang had gemaakt, russen 'de burger' en 'de dichter' of in ruimere zin 'de kunstenaar'. Hoewel voor Ter Braak zelfde 'persoonlijkheid' voorop stond, en hij meer dan eens afstand nam van de esoterische schoonlheids- en kunstenaarscultus die met de beweging van Tachtig zijn intrede had gedaan, ging zijn voorstelling van de burger en de dichter als principiële tegenvoeters terug op die artistieke beweging. leen de depreciërende term 'bourgeois(ie)' in zwang kwam, werd hij niet alleen ingezet tegen de politieke en economi­sche heerschappij van de conservatief-liberale notabelen. Vanaf het begin betrof de ver­werping ook het schrale intellectualisme, de huldiging van conventie en beperking als beschavingsnorm, en de dwang van het 'fatsoen' waartoe alle rangen van de burgerij, van hoog tot laag, zichzelf en anderen veroordeelden.

De artistieke, voor een deel ook politieke beweging van Tachtig wilde individualiteit, authenticiteit, hartstocht en een niet moreel gebonden estheticisme daarvoor in de plaats stellen. Al stamden de jongeren zelf uit allerlei geledingen van de burgerij of uit nog eenvoudiger milieus, het perspectief van de artistieke beweging was uitgesproken elitair of aristocratisch, ook bij figuren als Frank van der Goes en Frederik van Eeden, die uiteindelijk een democratische of socialistische maatschappij voorstonden. Met een ongekende verachting, en zelfs met haat, lieten zo uiteenlopende auteurs als Van Deys­sel, Van Eeden, Van der Goes, Diepenbrock, Couperus, Emants en een menigte navol­gers zich uit over de burgerij. Van Deyssel, de virtuoos van het scheldproza, en zelfde zoon van een gerespecteerde burger-schrijver, rekende zich met trots ‘tot de drie of vier personen in ons land, die de sterkste afschuw van de bourgeoisie hebben'. Sindsdien zijn deze depreciatie en de antithese van burger en kunstenaar als een onuitwasbare vlek in het weefsel van het burgerbegrip gedrongen.

Van Deyssel, die bijvoorbeeld in de liefdevolle biografie van zijn va­der en ook op andere plaatsen welzeker waardering toonde voor de ouderwetse degelijk­heid en de conventionele beschavingsvormen die hij met 'burgerlijk(heid)' verbond, heeft het meest bijgedragen aan de depreciatie van de filisterbeschaving en de polarise­ring van burgerlijke cultuur en het ware kunstenaarschap.' Uit naam van het hoge, aristocratische kunstenaarschap verwierp hij zowel de burgerlijke cultuur als het socia­listische streven het proletariaat in de verworvenheden van de burgerij te laten delen:

De bourgeois kunnen lezen en pianospelen, allemaal; daarom, om dat zij dit allemaal precies op dezelfde manier kennen, om dat zij wat men noemt beschaafde-lieden zijn, daarom hebben wij zoo'n vreeselijken hekel aan hen. ... Dat is het vreeselijkste wat ons beschoren zou zijn, dat wij omgeven zouden zijn van onafzienbare rijen nette en zinde­lijke huizen, waarin en waaruit een ontelbare menigte welopgevoede en keurige, bemin­nelijke, menschen zich zou bewegen.’

Het was een van zijn boutades uit naam van een onredelijkheid en onverantwoordelijk­heid waarop, naar zijn opvatting, de kunstenaar recht had. In hun correspondentie, hun essays en hun romans gingen de schrijvers van deze periode waarden als logica, nuchter­heid, ernst, welvoeglijkheid, fatsoen, zakelijkheid en nuttigheid met 'burgerlijkheid' verbinden en afwijzen. Waar Lublink Weddik en zijn tijdgenoten in het midden van de eeuw nog liefdevol het gewone kleinburgerlijke leven hadden geportretteerd, en daarin 'edele en reine humaniteit ... diepgevoelde moederliefde, ongeschokte vriendentrouw, en navolgenswaardige weldadigheid' waardeerden, werden nu burgerlijke beroepen en groepen, zoals renteniers, notarissen, professoren, predikanten, deftige lieden, 'mijnhe­ren en mevrouwen', middenstanders en kruideniers, geridiculiseerd of als vijand van de ware menselijke vrijheid en creativiteit voorgesteld. Het burgerlijke werd voortdurend geassocieerd met beperking, bekrompenheid, stijfheid en vormelijkheid, of juist met plompheid en het pompeuze, of met het vulgaire, plat-utilitaire en stijlloze..

Het was niet nieuw een stijl, vormgeving of mentaliteit 'burgerlijk’ te noemen; litera­tuur- en kunstcritici deden dat al langer, en zeker niet per se in negatieve zin. Nu werd die aanduiding onvoorwaardelijk depreciërend, en kon 'burgerlijk' ook gewoon zonder verdere toelichting onderdeel vormen van een reeks afkeurende adjectieven: 'De gladde burgerlijke, ellendige slappe profielen van die [zilveren kandelaars] glimmen met bree­de, nare lichtvlekken. Waar men beschrijvingen van burgerlijk leven, en het gebruik van de woorden ‘burger(lijkheid)' aantreft, zijn zij steeds omgeven door een woordveld van diskwalificerende adjectieven en bijwoorden: bekrompen, benepen, dom, eng, vals, vulgair, gewoon, banaal, plat, ploertig, vunzig, duf, droog, saai, nuchter, kleurloos, uni­form, smakeloos en stijf. Vooral de altijd al enigszins kleinerende aanduiding ‘burgerman(s-)' werd nu definitief het kort begrip van alles wat elke aspiratie van verhe­venheid miste. ‘je kunt over niets praten zonder al dadelijk te stuiten op 'n allerge­woonst burgermansbegrip'.'' Woorden die het beeld opriepen van een 'rentenierend burgerman' waren ongeschikt voor poëzie. ‘ ‘Burgerman(s-)' heeft zich hiervan nooit meer her­steld. Zelfs toen in de jaren dertig een gedeeltelijke en voorwaardelijke herwaardering van het burgerbegrip optrad, bleefde kwalificatie 'burgerman(s-) daarvan uitgesloten.?'

In de naturalistische of realistische prozaliteratuur werd de burgerij decennialang de belichaming van de kleinheid, de beperkingen en de desillusies van het leven. Of men nu binnenkijkt bij Couperus' grote Haagse families of bij Coenens vreugdeloze ‘burger­menschen', de problemen van het gevoelige, artistieke en hartstochtelijke individu -­vaak een vrouw of een kunstenaar - met de macht van het burgerlijke standsdenken, de fatsoensregels, de dubbele moraal en de ondraaglijke saaiheid van het dagelijks leven vormden een herkenbaar thema. De burgerlijke waarden en levensstijl, uitgedrukt in de zorg om 'dat ellendige fatsoen', betekenden het tegendeel van authenticiteit en vrijheid: ‘De vormen zijn de leugens, waarmee het spooksel Fatsoen zich in het leven houdt'. ‘Burgerlijk' stond voor de hardheid van de sociale conventies. Overigens verscheen de burgerij in de literatuur in diverse gestalten. Aan de ene kant was er de voorstelling van de stijf-deftige, zelfingenomen en hypocriete grootburgerij, steeds beducht voor stands­verval, en vaak zelf weer op afstand gezet door hoger gesitueerde elites, aangeduid als ‘de wereld'. Aan de andere kant figureerde de krampachtig-streberige, benepen-fatsoenlijke kleinburgerij, die slechts leefde uit plicht en stands-naijver. De aanduidingen 'burger­lijk', 'burgerman' en 'burgermenschen' impliceerden meestal sociale daling. Sommige schrijvers toonden wel enig mededogen met deze kleine, vreugdeloos ploeterende bur­gerlieden, maar zij identificeerden zich nooit met dit perspectief.

Toen Ter Braak einde jaren twintig goochelde met de begrippen 'burger' en 'dichter was deze tegenstelling zelf al conventioneel geworden. 'Excuseer me, ik ben maar za­kenman en leefgeheel buiten de kunsten; ik ben een platburger-type', liet de architect Van der Sluys een gefingeerde bourgeois zeggen, in een populair boek over woningin­richting’ De kunstenaar was niet per definitie antiburgerlijk, legde Annie Romein­Verschoor het publiek uit; hij was het geworden 'omdat het burgerlijke voor hem het kleine, het benepene, het berekenende, het hard-zakelijke is gaan betekenen. Onder invloed van het gemeenschapsideaal, dat eerst opgang maakte in de jaren 1890 en op­nieuw in de jaren 1920, vond evenwel een merkwaardige verschuiving plaats. Zoals eer­der voor de socialisten kregen voor de aanhangers van dit artistieke en maatschappelijke ideaal 'bourgeois' en 'burgerlijk' nu juist weer de betekenis van 'hoogmoedig individua­listisch'. Deze kritiek was waarschijnlijk afgeleid uit de inmiddels geijkte voorstelling van een egoïstische, liberale negentiende-eeuwse bourgeoisie zonder hoger idealisme. De architect Van Ravesteyn bijvoorbeeld portretteerde 'de bourgeois, altijd slechts van de kunst datgene willende bezitten, dat ongevaarlijk en niet lastig is voor zijn geestelijk loome, geestelijk genotzuchtige levenshouding' als de vijand van 'de nieuwste kunst', de strenge architectuur van orde, eenheid en doelmatigheid. Omdat 'de bourgeois' zich niet aan gemeenschapsidealen wilde onderwerpen prefereerde hij altijd het afzonderlij­ke kunstwerk dat hij kon bezitten en domineren. Ook voor Romein was de 'burger­man' type en 'produkt der ontbinding'. In dit soort kritiek werd het burgerlijke ge­lijkgesteld met het kleurloze liberalisme dat zich niet, zoals de confessionelen en de socialisten, met een ideaal of programma wilde engageren.

Hoewel jongere katholieke en protestantse kunstenaars in het Interbellum het 'paganis­tische' en individualistische estheticisme van de beweging van Tachtig verwierpen, toonden zij soms wel dezelfde scherpe anti-burgerlijkheid. Zeker de katholieke jongeren rond Roeping en De Gemeenschap hekelden de culturele armoede, het gebrek aan ge­loofswarmte en de brave burgerlijkheid van hun eigen volksdeel en van de roomse kerk, politiek en pers. Het kille liberalisme en protestantisme hadden de oorspronkelijk grootse cultuur van de katholieke Middeleeuwen 'verschrompeld rot hollandse burger­likheid'-'°' Bij sommigen voegde dit katholieke gemeenschapsdenken zich ook in een bredere hang naar nationale eenheid of volkseenheid, die in de jaren dertig bestond bij volkskundigen en allerlei critici van de verzuilde parlementaire democratie. De moder­ne mens, meende een auteur in 1941, 'heeft zich losgemaakt van het individualisme, is antiburgerlijk geworden in merg en been'

De rechts-autoritaire, fascistische en nationaal-socialistische bewegingen in Neder­land hadden zelf voor een belangrijk deel een burgerlijk karakter. In hun woordgebruik huldigden zij evenwel een revolutionair elan. Zij kondigden voortdurend een omwente­ling en een 'nieuwe orde' aan. Hun retoriek richtte zich wel tegen individualisten en 1plutokraien', maar eigenlijk nauwelijks tegen 'bourgeoisie' en burgerlijkheid. De reden is waarschijnlijk dat zij er in hun taalgebruik niet op uit waren de verschillen tussen so­ciale groepen re accentueren. Zij spraken vooral van 'volksche waarden' en 'opbouw van een volksgemeenschap'. Her 'volk' dat hen daarbij voor ogen stond was veel meer een géidealiseerde traditionele plattelandsbevolking dan de stedelijke burgerij, maar zij za­gen deze laatste evenmin als bedreiging voor de volksgemeenschap. Hun vijanden vormden categorieën als het internationale kapitalisme en marxisme, het 'volksvreemde' jodendom, en andere 'rassen'.

Burgerlijkheid als nationaal geestesmerk

Was er na de depreciatie van het begrip, die sinds de late negentiende eeuw van zovele kanten tegelijk was gekomen, nog een ander dan pejoratief gebruik mogelijk? Toch wel, zij het onder voorwaarden. Het is altijd moeilijk de invloed en sociale reikwijdte vast te stellen van veranderingen in de betekenis en waardering van woorden. Het is aanneme­lijk dat het socialistische gebruik van 'burgerlijk' en 'bourgeoís(ie)' tenminste in de bre­de kring van arbeiders en andere socialisten ingang vond, via de pers, openbare bijeen­komsten en andere afgeleide communicatievormen. Kunstenaars en intellectuelen daar­entegen vormden een getalsmatig kleine groep taalgebruikers - maar tevens de meest gearticuleerde. Ook deze betrekkelijk kleine groep kon tamelijk veel invloed uitoefenen. Tot aan de recente democratisering van de radio en de televisie beheersten zij en hun navolgers de publicistiek. Hun taal en opvattingen, bijvoorbeeld hun voorstellingen van het burgerlijke leven in de literatuur, werden via het onderwijs verspreid. De connota­ties van 'burgerlijk(heid)' in de edities van Van Dale werden per kwart eeuw meer ge­markeerd, en de negatieve bijbetekenissen namen in aantal me.

Daar staat tegenover dat, naar objectieve criteria beoordeeld, het burgerlijk karakter van de Nederlandse samenleving in de periode van ongeveer 1880 tot aan de jaren 1960 eerder versterkt dan verzwakt is. Sinds de late negentiende eeuw is, bij een sterk groeiende bevolking, het percentuele aandeel van 'middengroepen' in de samenleving alleen maar vergroot. Naast de oude middenstand van zelfstandige ondernemers, bazen van kleine bedrijfjes, winkeliers en beoefenaars van intellectuele beroepen groeide ge­staag een nieuwe middenstand van employees en kantoorpersoneel in grotere bedrijven, en van beambten bij de overheid, allerlei maatschappelijke instanties en nutsbedrijven. In staat, maatschappij en bedrijfsleven waren in de loop van de twintigste eeuw steeds meer functies te vervullen die tot de dienstensector behoren. In het Interbellum be­hoorde circa vijftig procent van de mannelijke beroepsbevolking tot de middenstand in ruime zin

De term ‘middenstand(er)' vormt hier geen afzonderlijk onderwerp van onderzoek, maar het is aannemelijk dat het belang en aandeel van de middengroepen in de samen­leving van invloed zijn geweest op de waardering van het burgerlijke levens- en waar­denpatroon. Een groeiende groep kon zich immers herkennen in burgerlijke beroepen en de daarbij behorende presentatie, conventies en habitus. Alle retoriek ten spijt valt de hoofdstroming van het Nederlandse socialisme al bijna direct een burgerlijk karakter aan. '°' Inderdaad verburgerlijkte een deel van de arbeidersklasse, in de eerste helft van de twintigste eeuw; deze groepen waren in waarden en levensstijl nauwelijks te onder­scheiden van de kleine burgerij. In de jaren 1950 was het publieke beeld van de sociaal­democratische leider Drees dat van de perfecte burger, die woonde 'in een nette Neder­landsestraat', in 'een net burgerhuis, keurig in het rijtje van allemaal eendere woningen.

Het heeft een voortuintje en een hekje, een nummer en een naamplaatje. Het is alles zo gewoon ... als de man die er woont: W. Drees'. De overgrote meerderheid van de be­volking zag 'in de heer Drees het prototype van de gemiddelde Nederlandse burger ... al was hij dan ook lid van 'n partij, die zich nog steeds in de eerste plaats als de represen­tant van de arbeiders en de lagere employés ziet', meende Het Vaderland.'

Zeker nog breder was de impliciete waardering voor het burgerlijk patroon in confes­sionele en liberale kring. De oude en nieuwe middenstand behoorden voornamelijk tot deze groepen. Zonder overdrijving kan men stellen dat de hele verzuiling, die voortdu­rend om beperking en onderschikking vroeg, heeft bijgedragen aan de verburgerlijking van de Nederlandse bevolking. Ook de economische beperkingen en het ontbreken van een verzorgingsstaat brachten thee dat het individu steeds afhankelijk bleef van verban­den als familie, kerk en particuliere hulpinstellingen. De persoonlijke en maatschappe­lijke moraal die de verzuilde pers, opvoeding en leidinggevende instanties uitdroegen beklemtoonde onophoudelijk de waarden van zelfbeperking, tevredenheid, standsbesef het gezin, een vaste rol voor man en vrouw, huiselijkheid, zuinigheid, zedigheid, net­heid, fatsoen en Idem geluk.' Er zijn geen bronnen die de indruk geven dat het zelf­beeld en de zelfwaardering van de maatschappelijke middengroepen op gespannen voet stonden met de concepten van burgerschap en burgerlijkheid. Eerder kan men conclu­deren dat juist de felheid van kunstenaars, intellectuelen en bijvoorbeeld de katholieke jongeren in het Interbellum tegen al het burgerlijke erop duidt dat naar hun gevoel de toon en vormen in het openbare leven in hoge mate werden gedomineerd door de bur­gerlijke middenstand.

Die waarschijnlijk breed gedeelde burgerlijkheid was gewoonlijk weinig gearticu­leerd, maar bijvoorbeeld in momenten van politieke spanning huldigde de antirevolu­tionaire Standaard graag de gezagstrouw van het 'handeldrijvende en neringdoende pu­bliek', de 'rust en orde minnende burgerij', 'de kleine burgerij' en de boeren.' Met trots stelden woordvoerders van de protestants-christelijke zuil in de jaren twintig vast dat zich sinds de dagen van Kuyper uit de eigen rangen van 'kleine luyden een 'heele intellectuele middenstand' van predikanten, leraren, doktoren, advocaten en bestuurs­ambtenaren' had gevormd. AI mochten zij natuurlijk 'daarover geen hoogen borst op­zetten'.' Ook personeels- en kennismakingsadvertenties in kranten en andere bladen geven informatie over de zelfperceptie van maatschappelijke groepen. Het blijkt duide­lijk dat tot in de jaren 1960 bij velen het denken in rang en stand nog vanzelfsprekend was. In dergelijke advertenties en annonces omschreven mannen en vrouwen zich niet als individu, maar als lid van een stand en als vertegenwoordiger van sociale en morele kwaliteiten. De termen bleven nog heel lang die van de negentiende eeuw. Men be­schouwde zichzelf of anderen als behorend tot de 'nette burgerstand', de 'Heeren en Dames middenstand', 'deftige stand' en 'beschaafde stand' (tegenover de 'gewone stand' of'arbeidersstand').' Tot in de jaren 1960 domineerden typisch burgerlijke kwalifica­ties als beschaafdheid, netheid en degelijkheid de kennismakingsadvertenties, en si­tueerde men zichzelf in kennelijk positieve zin als lid van de 'nette', 'gegoede', 'betere' of 'eenvoudige' middenstand. Juist mensen uit de middenstand, en vooral katholieke mid­denstanders hebben het langst gebruik gemaakt van dergelijke standskwalificaties.'

Hoe voorzichtig men ook moet zijn met dergelijke schaarse informatie, zij lijkt er toch op te duiden dat in brede kringen een associatie met middenstand en burgerlijk­heid nog niet als diskwalificatie gold. Maar er is meer dat wijst op een ten minste par­tieel behoud of herstel van de status van het burgerbegrip. Terwijl intellectuelen en kun­stenaars enerzijds de burger tot onderwerp van spot en haat maakten, werkten intellectuelen anderzijds mee aan de vestiging van een traditie die burgerlijkheid in po­sitieve zin voorstelde als het kenmerk van de Nederlandse cultuur. Misschien is geen voorstelling zo breed gevestigd als juist deze, die zich vooral manifesteert in de litera­tuur- en kunstgeschiedenis.' Liberalen in de negentiende eeuw, zoals Potgieter en an­dere auteurs uit de kring van De Gids, en de popularisator Van Vloten, identificeerden burgerlijkheid met de Gouden Eeuw en maakten haar zo tot kenmerk van de beste pe­riode van de nationale cultuur. Het is sinds de negentiende eeuw gebruikelijk dat in li­teratuur- en kunsthistorische overzichtswerken, handboeken, gedenkboeken en gele­genheidsredes wordt gezocht naar nationale kenmerken. Daarbij ging men er doorgaans vanuit dat kunstuitingen een afspiegeling of essentie vormen van de tijd, de samenle­ving of de natie waarbinnen ze ontstonden. Zo kwamen tal van auteurs tot het inzicht dat de literatuur en kunst van de zeventiende-eeuwse glorietijd, of reeds die van de late Middeleeuwen, of die van de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, of zelfs voor een deel nog de literatuur van de eigen tijd, een burgerlijk karakter hadden. Deze bur­gerlijkheid werd de ene keer verbonden met een overwegend christelijke inslag, de an­dere keer met humanisme, vrijheidszin, tolerantie, eenvoud, realisme of een combinatie van deze karakteristieken.

Ondanks deze positieve kwalificaties bleef het gebruik van 'burgerlijk' in veel geval­len toch ambivalent: er waren in literatuur en kunst tenslotte hogere idealen, onderwer­pen of vormen na te streven dan die waarop de Nederlandse cultuur zich had toegelegd.

Ook maakten auteurs in hun waardering een onderscheid tussen vormen van burger­lijkheid. De burgerlijkheid van Vondel of Rembrandt was van een andere orde dan de 'kleinburgerlijkheid' van Cats, en de negentiende-eeuwse burgerlijkheid van Potgieter en Beers gold weer als nationaler of levenskrachtiger dan die van de achttiende eeuw of die van eigentijdse romanciers. Maar hoe dan ook, de status van de kwalificatie 'burger­lijk' voldeed kennelijk nog om er het hoge goed van de vaderlandse cultuur mee te type­ren­

Voor de patricische grootburger Jonckbloet was de energieke en liberale burgerij van de zeventiende eeuw de kracht achter de nationale culturele bloei, maar vanuit zijn hoge standpunt hanteerde hij 'burger(man)' en 'onze kleinburgerlijke voorouders' niet zon­der neerbuigende distantie.‘ Bij literatuurhistoricus Te Winkel overheerste het posi­tieve beeld van de frisse, energieke en vrijheidslievende zeventiende-eeuwse burgerij, en veroorzaakte de aristocratisering na 1650 juist het verval.- Annie Romein presenteer­de erflater Rembrandt als de ideale burger-kunstenaar, de grootste onder de ferme burgers van de Gouden Eeuw; maar bijvoorbeeld ook 'onbelemmerde geesten' als Sha­kespeare, Milieu, Grotius, Spinoza, Christiaan Huygens en Newton waren 'grote bur­gerlijke dichters en denkers'.' In het cultuurhistorisch panorama Nederland tussen de natiën was Vondel de exemplarische burgerkunstenaar van de zeventiende eeuw en ver­diende ook de 'burgerjongen' Bredero alle sympathie als echt Nederlandse dichter, meer dan de 'burgerman' Cats. Ook de eigentijdse literatuur had in haar realisme en mate­riële gebondenheid sterk 'burgerlijke' trekken, die de auteur wel niet hoog schatte, maar toch als nationaal waardeerde.‘ Geyl typeerde de zeventiende-eeuwse schilderkunst als ‘burgerlijk ... (als de maatschappij die haar voortbracht)', maar daarboven liever nog als 'menselijk'. Voor de literatuurhistoricus Donker, op zoek naar de 'karaktertrekken der vaderlandsche letterkunde', was burgerlijkheid het wezen van de nationale cultuur, en 'met eere', want hij wilde 'burgerlijk' wel duidelijk onderscheiden van de gevestigde associatie niet 'kleinburgerlijk'. Donker noemde de burgerlijke geest van de letterkunde 'die van een ingetogen voornaamheid, van waardigheid, van degelijkheid en deftigheid'. Hij vond zelfs overal een 'burgerlijk idealisme', dat zich manifesteerde in 'gematigd be­leid, vredelievendheid, vrijheidsliefde en verdraagzaamheid', en in een breed humanisme­

Donkers bewust positieve gebruik van 'burgerlijk' vormt een hoogtepunt in een ten­dens die zich vooral in de jaren 1930 en 1940 manifesteerde, en die te verklaren is uit de politieke en maatschappelijke spanningen van die periode. In antwoord op de verzui­ling, op het rechtse extremisme in eigen land en in Duitsland, en ten slotte op de Duitse dreiging en de daadwerkelijke bezetting, gingen bezorgde cultuurdragers op zoek naar verbindende nationale waarden die tevens duidelijk moesten maken dat ideologisch ex­tremisme on-Nederlands was. Dit gebeurde op allerlei manieren, door de oprichting van organisaties of in publicaties en lezingen. Auteurs van heel uiteenlopende signatuur bogen zich over de nationale identiteit en de kern van de nationale traditie. In dit stre­ven kreeg de kwalificatie 'burgerlijk' vaak weer een verrassend positieve strekking, ook bij auteurs die zich de degradatie van dit begrip sinds de late negentiende eeuw heel goed bewust waren en er zelf minstens ambivalent over dachten.

Misschien het bekendst is Huizinga's Nederland 's geestesmerk (1934) met zijn be­schouwing over het ‘burgerlijk karakter van het Nederlandsche volk'. De Leidse histori­cus schreef het essay op uitnodiging van een studentenconferentie over 'volkseenheid'. Zelf door de culturele vernieuwingsbeweging van het fin-de-siècle gevormd, erkende Huizinga volledig de negatieve klank van 'burgerlijk(heid)'. Niettemin poneerde hij dat de gezochte 'volkseenheid' gelegen was in een 'burgerlijke levensopvatting' die alle stan­den en groepen en de hele geschiedenis kenmerkte. 'Onze nationale cultuur is burger­lijk in elken zin, dien men aan het woord hechten wil'. Er was iets bewust controversi­eels en trots in dit eerherstel. Welke bedenkingen Huizinga ook had tegen de term - nu fascisme en communisme de gesmade waarden 'burgerlijk', 'kapitalisme' en 'liberalisine' werkelijk leken te gaan bedreigen, wenste hij ervoor in de bres te springen, omdat ze naar zijn oordeel uiteindelijk toch ten grondslag lagen aan een beschaving die hij wenste te behouden.-'

Nog opvallender is het eerherstel van 'burgerlijk' in de Erflaters van onze beschaving (1938-1940) en andere publicaties van de marxistische historici jan Romein en Annie Romein-Verschoor. Hun werk paste in een breder streven van socialisten om zich in de nationale traditie te voegen, en bevatte tegelijk de boodschap dat erkende Nederlandse waarden als maat, humaniteit en vrijheidszin respect verdienden. In hun historische voorstelling was de burger pas in de negentiende eeuw gedaald tot bourgeois en klein­burger, enghartige verdediger van zijn klassenbelang. Maar in de zeventiende eeuw was de burgerij nog een scheppende, vol bij het leven betrokken kracht geweest, die bewees wat het burgerlijk aspect vermocht. Een Nederlands genie als Rembrandt belichaamde het 'beste, die hoogste potentie van de burgerlijke geest'.'

Ook A.J.C. Rtiter heeft, in een bekend artikel over het burgerlijk karakter van de Ne­derlandse arbeidersbeweging, het socialistische bourgeoisiebegrip afgezonderd van bur­gerlijkheid als kenmerk van de overheersende 'burgerlijke levensvorm en de burgerlijke beschaving'. Typerend voor de periode waarin het artikel ontstond, de bezettingsjaren, zocht Riiter naar het Nederlandse van de arbeidersbeweging, en vond het ook. Dat Ne­derlandse karakter werd gekenmerkt door vrijheidszin, verdraagzaamheid, realisme en burgerlijkheid. In andere beschouwingen over het 'volkskarakter' ontbrak soms het woord 'burgerlijk(heid)', maar bevatte de beschreven deugdencatalogus overwegend traditionele burgerlijke waarden, zoals ingetogenheid, huiselijkheid, nuchterheid, be­heersing, degelijkheid, gehechtheid aan de gulden middenweg, verdraagzaamheid en gematigdheid.

Klootjesvolk en spruitjeslucht: de burger sinds de jaren zestig

Dergelijke plechtige beschouwingen over het Nederlands 'volkskarakter' of onze 'volks­aard' zijn sinds de jaren 1960 zeldzaam geworden en worden algemeen als ouderwets er­varen. Wel mogen in kranten en andere bladen en op radio en televisie commentatoren de Nederlandse samenleving nog graag als 'calvinistisch' betitelen, en ook 'de koopman en de dominee' verschijnen nog regelmatig ten tonele. Maar deze typeringen hebben nooit een positieve strekking. De jaren zestig lijken een einde te hebben gemaakt aan elke mogelijkheid tot zelfherkenning in het begrip 'burgerlijkheid'.

Zoals hiervoor getoond is, was 'burgerlijk' al sinds de negentiende eeuw dikwijls een denigrerend gebruikte betiteling. Het was een instrument waarmee elites van allerlei soort andere leden van de maatschappij op afstand zetten. In de late negentiende eeuw poogden het patriciaat en ook leden van de hoge burgerij in bestuurlijke ambten zich aldus te distantiëren van andere burgerlijke groepen, met name de nijvere middenstand, die de aspiratie koesterden zich bij hun kringen aan te sluiten en hetzelfde maatschap­pelijk aanzien te genieten. Naarmate het maatschappelijk midden zich uitbreidde en via de confessionele politiek ook een stempel ging zetten op wetgeving en waarden, ont­stond er telkens bij eerder gearriveerde bovenlagen de behoefte zich af te schermen van 'kleinburgerlijke' nieuwkomers. Groepen die vooral zichzelf als elite beschouwden, zo­als kunstenaars en intellectuelen, profileerden hun functie door zich scherp af te zetten tegen de maatschappij die nut en conventie tot norm maakte. In alle gevallen diende '(klein)burgerlijk' om anderen pijnlijk te laten voelen dat hun verworvenheden in pre­sentatie, welstand en stijl al passé waren en louter 'gezonken cultuurgoed' vormden, een verlopen fase in de smaakontwikkeling.

Nieuw sinds de jaren 1960 is dat 'burgerlijk' niet langer alleen elites diende om trendvolgers terug te wijzen. In een samenleving die meer dan ooit tevoren een midden­klasse-karakter heeft gekregen, is het 'elitaire perspectief als het ware gedemocratiseerd. De tot welvaart gekomen brede middenklasse identificeerde zich niet met de burgerlijke stijl, maar met de levensopvatting van de kunstenaar. Daarnaast werd in de jaren zeventig het arbeiderisme een tijdlang mode. De natiebrede verwerping van ‘burgerlijk(heid)' bleek bijvoorbeeld uit een enquête in 1970. De vraag wat de Neder­lander onder 'burgerlijk' verstond, leverde volstrekt paradoxale antwoorden op, maar de algemene strekking ervan was negatief' Het woord impliceerde, net als ‘calvinistisch', dat in dezelfde periode zijn pejoratieve klank heeft gekregen, een vlakke, generale af­wijzing van de hele zuinige, autoriteitsgevoelige, bevoogdende, verzuilde, moralistische en standsbewuste samenleving die de negentiende eeuw tot en met de jaren vijftig over­leefd had.

De brede verandering van perspectief of oriëntatie die zich in de jaren zestig en ze­ventig voltrok is, zoals bekend, te verklaren uit het samentreffen van verschillende de­mografische, culturele en sociaal-economische veranderingen.' Midden jaren zestig kwam een naoorlogse generatie tot volwassenheid in een periode waarin een spectacu­laire welvaartsgroei een ongekende keuzevrijheid, ontplooiing en consumptie mogelijk maakte. Deze betekenden een breuk met de bestaande maatschappelijke verhoudingen en levensstijl, die nog gedicteerd werden door schaarste en beperking. De jeugd werd een culturele en economische factor van betekenis. Een consumptief gerichte levensstijl won in brede kring veld op de sociaal-economische moraal van arbeids- en spaarzin. De overheid verlegde de doelstelling van haar sociaal-culturele beleid van disciplinering en aanpassing naar emancipatie en het bevorderen van zelfontplooiing. Onderzoek waaruit blijkt dat het waardenpatroon van de meeste Nederlanders sinds de jaren zestig hele­maal niet zo radicaal ontburgerlijkt is, moet wel erkennen dat consumentisme, hedonis­me en maatschappijkritiek belangrijke nieuwe oriëntaties vormen, die maar ten dele 'burgerlijk' mogen heten.'

Op dit vlak is duidelijk dat Nederlanders de tamelijk besloten en disciplinerende omgeving van het verzuilde stelsel, de bevoogdende leiding door kerk, overheid en ge­zagselites verlaten hebben. Met de welvaart kwam een einde aan de beperkingen die de wederopbouw vergde. De verzorgingsstaat veroorloofde het individu vrijheid tegenover traditionele verbanden als de familie, de buurt, de kerk en de daaraan gerelateerde hulp­instellingen. De overheid ging steun verlenen aan emancipatie en ontwikkeling van het individuele. De jaren zestig en zeventig stonden in elk opzicht in het teken van 'bevrij­ding', tut conventies van omgang, uit traditionele gezagsopvattingen, uit de 'regenteske' bestuurscultuur, uit seksuele restricties en taboes, uit her patriarchaat en uit bestaande economische machtsverhoudingen. De schijnbare vanzelfsprekendheid van de burger­lijk-verzuilde maatschappijorde smolt weg, toen de gewijzigde materiële omstandighe­den de zin aan het stelsel ontnamen.

Juist terwijl die grondslagen verzwakten, werd expliciet de aanval op de burgerlijke stijl en waarden geopend. En wel van twee kanten tegelijk, en vaak nog gecombineerd ook, door de nieuwe artistieke bohème, en door politiek-maatschappelijk 'links'. Men moet de aanhang en directe invloed van de provo-beweging niet overschatten, maar on­miskenbaar hebben de ludieke en alternatieve geest en de toon en taal van deze kring op termijn een veel bredere navolging gekregen. Provo noemde zich 'een maandblad voor anarchisten, provoos, beatniks, pleiners, scharenslijpers, bajesklanten, zuilenheiligen, magiërs' en nog een heleboel andere groepen die vooral één ding gemeen hadden, na­melijk dat zij naar burgerlijke normen onmaatschappelijk, onverantwoordelijk, margi­naal en subversief waren. En dat was ook de bedoeling, want de beweging richtte zich voortdurend tegen ‘het klootjesvolk', 'de massa', 'het taptoe-publiek', 'de bourgeoisie', 'misselijkmakende middenstandertjes' en de 'grijze, onproduktieve onkreatieve onorzji­nele stompzinnige (iq 100) onkritiese emoorsjoneel reagerende sjokkende spruitjeseter die zich maar al te graag vervoegt aan loket 8'. ' Voor de strenge CPN, die dit bevrij­dingsdilettantisme aanvankelijk met lede ogen aanzag, golden de provo's overigens zelf als 'kleinburgerlijke, dekadente half-intellektuelen'.'

De enquête uit 1970 over burgerlijkheid duidt minstens op een identiteitsprobleem bij de respondenten. Er was in Nederland zeker nog geen brede sympathie met hippies, studenten en andere alternatievelingen, maar kennelijk was het publiek inmiddels vol­doende losgekomen van de 'jaren van tucht en ascese '~ om allerlei beperking en con­ventie als 'burgerlijk' te verwerpen. Ook uit contactadvertenties in kranten blijkt dat sinds het einde van de jaren zestig de zelfomschrijving in termen van stand, maatschap­pelijke positie, conventionele presentatie ('net voorkomen', ‘nette verschijning') en mo­rele kwaliteiten (netheid, degelijkheid, beschaving) afnam. Zij maakte plaats voor een nadruk op jeugd, vlotheid, vrijheid en individuele voorkeuren.' Jongeren, arbeiders, maar evengoed het brede televisiekijkende en ontspanningsbladen lezende publiek zijn zich gaan identificeren met glamoursterren en superrijken uit de wereld van de popmu­ziek, film, mode en topsport, met een vrije, gedurfde, onverantwoordelijke en opzichti­ge levensstijl. Aanpassing aan de burgerlijke normen en stijl was immers niet meer nodig voor het verwerven van een positie en sociaal aanzien - integendeel. Nonconfor­misme is sinds de jaren zestig tot norm geworden; geen werkelijkheid misschien, maar wel een zelfbeeld.

Merkwaardigerwijs heeft juist deze geest van conformisme en verzet tegen autoriteit een nieuw, positief gebruik van 'burgerlijk' in het leven geroepen, namelijk in de sa­menstelling 'burgerlijke ongehoorzaamheid'. Het concept, gemunt door de socioloog Schuyt, behoorde tot de sfeer van de protestbeweging en de radicale actie, en impliceer­de in de praktijk bezettingen en blokkades.''° 'Burgerlijke ongehoorzaamheid' was het recht van burgers zich op grond van hun persoonlijke morele overtuiging te verzetten tegen overheidsregels en -besluiten. In een zeer overvloedige literatuur, in lesbrieven, in trainingen en op congressen tussen 1972 en het midden van de jaren tachtig, gold 'bur­gerlijke ongehoorzaamheid' als een manifestatie van bewuste basisdemocratie, en der­halve als een goed.

Sinds het midden van de jaren tachtig, toen de economische teruggang inmiddels tot een nieuw realisme noopte en langzamerhand de balans van de jaren zestig en zeventig werd opgemaakt, is bij commentatoren, columnisten en politici voorzichtig weer de roep om 'een beetje herstel-in-functie van de burgerlijke moraal' gaan klinken.' In dergelijke appèls heeft 'burgerzin' niet meer alleen de traditionele politieke betekenis, maar bevat het begrip zeker ook elementen van het ouderwetse burgerlijke fatsoen, zo­als collectieve verantwoordelijkheid, terughoudendheid in de openbare ruimte, en het stilzwijgend aanvaarden van algemene regels en omgangsvormen. Het politiek-maat­schappelijke burgerbegrip mag zich in een duurzame waardering verheugen en heeft net als 'beschaving' de laatste jaren het tij mee, nu maatschappelijke desintegratie, de terug­tredende overheid en de 'calculerende burger' redenen tot zorg vormen. Allochtonen worden inmiddels geacht 'in te burgeren'. In recente jaren lijkt ook 'de burger', als poli­tiek mondige belanghebbende, terug in het vocabulaire van de politiek en de opinie­pers.

Toch impliceert dat nog geen eerherstel voor 'burgerlijk(heid)' en 'burgerman'. Po­gingen in de kring van de VVD, onmiskenbaar de thuishaven van de 'bourgeoisie' en de middenstand, om het 'burgermansfatsoen' tot programma of wervende leus te maken, stuitten ook daar af op de gedegradeerde status van het woord. Bij menigeen bleek 'een zekere aversie te bestaan jegens het woord dat met spruitjeslucht en benepenheid wordt geassocieerd'. Dergelijke pogingen tot eerherstel leiden nog steeds tot reacties waarin het verschil wordt beklemtoond tussen de burger als 'citoyen', op welke we 'trots mogen zijn', en de 'burgerman', die onverminderd de bekrompen, repressieve moraal van vóór zestig representeert. Bij een ruim publiek dat zonder meer als gevestigde en goed op­geleide middenklasse mag worden getypeerd, is een cabaretier als Youp van 't Hek mate­loos populair met zijn voortdurende verbale geweld tegen 'burgertrutten' en 'burgerlul­letjes'.

Het hedendaags Nederlands, vastgelegd in Van Dale, geeft de burger voorlopig weinig hoop. Direct na de neutrale omschrijving 'tot de burgers behorend' typeert het woor­denboek 'burgerlijk' als een pejoratief begrip dar gewoonlijk 'kleinburgerlijk, bekrom­pen' betekent. 'Burgerlijkheid' staat zelfs enkel voor 'het bekrompen, benepen zijn'. Daarmee zijn, sinds vroegere edities, eervollere omschrijvingen als 'eerbaar, fatsoenlijk' afgevallen. De burger als 'citoyen' is fier overeind gebleven. De burger in sociaal-cultu­rele zin is tot 'bourgeois' opgeblazen, tot 'kleinburger' verschrompeld en ten slotte een woord van verachting geworden, meer niet.