Volkskrant 19-10-98
DE 'liberaal' Gerrie van der List doet in zijn columns erg veel moeite om het beeld van een bedaarde, brave en nette burgerman ingang te laten vinden. in zijn recente column (Forum, 9 oktober) werpt hij zich wederom op als vaandeldrager van het burgermansfatsoen. Hij stemt in met de publiciste Beatrijs Ritsema die kwaliteiten aanprijst als hard werken, spaarzaamheid, soberheid en het vermogen behoeftenbevrediging uit te stellen. 'Burgerlijk fatsoen is het onbegrepen cement van onze maatschappij.
Van der List voelt natuurlijk wel aan dat zijn pleidooi voor de jaknikkende burger oubollig klinkt. Modern Nederland, zo redeneert hij, is in de greep geraakt van een hedonistische levensstijl, terwijl de ridiculisering van de burgerman door cabaretiers als Youp van 't Hek almaar doorgaat.
Het is amusant te zien hoe onze vrijgestelde huiskamergeleerde zich desondanks opwerpt als een pleitbezorger van een benepen moraal. En het is niet minder vermakelijk dat iemand die zich rijkelijk laat bedienen door de moderne massamedia, terugverlangt naar het wat achterlijke Nederland, van voor de jaren zestig. Niettemin meen ik dat Van der List een karikatuur maakt van het huidige politiek-morele debat.
Laat ik voorop stellen dat hij ook aantrekkelijke aspecten in het begrip 'burgerlijkheid' heeft gelegd: de betrokkenheid op de gemeenschap en verantwoordelijkheid voor de publieke zaak. Maar die aspecten zijn kenmerkend voor de citoyen, de staatsburger. Inderdaad, op citoyens mogen we trots zijn. Zijn betoog neemt echter potsierlijke vormen aan als hij van die citoyen een fatsoensrakker tracht te maken. Waarom deugt die benadering niet?
Omdat de oude fatsoensmoraal van ophouden van stand zich niet verdraagt met een democratisch ethos van vrijen en gelijken. Kenmerkend voor die moraal was de afkeer van afwijkende levenswijzen. Zo zouden feminisme en homoseksualiteit een bedreiging vormen voor de'natuurlijke orde'van mannelijke dominantie. Er werd eveneens sterk geageerd tegen vreemde cultuuruitingen als jazz. Zulke 'lage' cultuuruitingen zouden primitieve instincten losmaken. Fatsoen was sterk aan status en stand gebonden: afwijzen wat 'lager', 'minder' of'anders' is.
Volgens de oude fatsoensmoraal moesten jongeren zich eerbaar en kuis gedragen. Zo werd sex voor het huwelijk ontraden. Ook eigenzinnig gedrag - het trotseren van gezag - moest worden tegengegaan. In discussie gaan of begrip tonen voor problemen van jongeren zou van morele zwakte getuigen. Om die reden werd geven en nemen tussen ouder en kind ontmoedigd.
Na 40 jaar zijn de morele omgangsvormen geheel veranderd. De menselijke groei en bloei wordt gestimuleerd. jongeren krijgen meer ruimte om proefondervindelijk te leren. Ze stemmen hun handelen hierdoor minder af op een te verwachten straf, kunnen beter het hoofd bieden aan uitdagingen, ontwikkelen zelfvertrouwen en tonen meer respect voor afwijkende cultuuruitingen.
Het begrip 'beschaving' heeft dan ook een radicale omkering ondergaan. Wat in de jaren vijftig nog beschaafd was (tucht; zelfontzegging; niet inlaten met het vreemde), wordt hedentendage onbeschaafd geacht. Wat nu beschaafd wordt bevonden (openstaan; onbevangenheid), zou in het verzuilde tijdperk onbeschaafd zijn geweest.
Dat betekent niet dat hedendaagse omgangsvormen zonder problemen zouden zijn. De verworvenheden van zelfontplooiing, tolerantie en openheid zijn ontoereikend om beschaafde omgangsvormen te garanderen. In gezin en op school en op straat wordt vaak lankmoedig gereageerd op ergerlijk en agressief gedrag. Democratie brengt zo haar eigen ondeugden voort: van opdringerig tot onverschillig handelen. Hoewel er goede signalen kunnen uitgaan van een lik-op-stukbeleid (mits handhaafbaar, en dus selectief) moet de oplossing niet gezocht worden in zero tolerance waarvan de Amsterdamse politiechef Kuiper voorstander is. Dat maakt van politie-agenten de gebeten hond en zou wij-zij verhoudingen teweegbrengen. Zowel burgers als agenten zijn daarmee niet gediend. De Nederlandse consensus- en overlegcultuur vraagt om andere oplossingen: meer opvoedings- en gezinsondersteuning, het tegengaan van spijbelen- en revitalisering van het jeugdwelzijnswerk.
Kortom, we zijn - in termen van Mirjam Schöttelndreier - aangewezen op een pedagogisch reveil. Daarin zou het aanleren van zelfbeheersing en maatbesef een sterke rol dienen te spelen. Deze matiging zouden we echter een andere invulling kunnen geven: niet langer gebaseerd op zelftucht en zelfontkenning maar op een besef van feilbaarheid. Dat duidt op zelfkritiek en zelfspot: je eigen ambities en verlangens relativeren; inzien dat 'laten' vaak passender is dan 'doen'. De burgerman waarvan Van der List zo gecharmeerd is, zou zich dit zelfonderzoek niet hebben kunnen veroorloven; hij was bang zijn gezag te verspelen.
Moeten we onze hoop dan vestigen op een nieuwe fatsoensmoraal? In een pluralistische samenleving als de onze lijkt dat weinig zinvol. Zo kan het niet de bedoeling zijn afwijkend gedrag te bestrijden. Juist aan deviante levensvormen (islamitische identiteit; homoseksualiteit) ontlenen veel burgers hun waardigheid. Fatsoen beperkt ten onrechte het blikveld tot de eigen groep of stand. Het lijkt daarom aantrekkelijker beschaafde normen meer ingang te laten vinden, in de betekenis van 'civilisering': je kunnen verplaatsen in de belangen en gevoelens van anderen. Het gaat er niet om dat je je aan de maatschappelijke regels houdt (fatsoen), maar dat je anderen geen schade of leed toebrengt. Terwijl fatsoen is gericht op aanpassing en het aanleren van goede manieren, beoogt civilisering illegitieme machtsaanspraken (van bruten, slimmen of rijken) tegen te gaan.
Hoe dat verder ook zij, na de jaren zestig zijn we de kleinburgerlijke fatsoensmoraal te boven gekomen. Geldt dit demasqué ook voor de bourgeois-aspecten die Van der List in zijn omschrijving van burgerlijkheid heeft gestopt? Waarschijnlijk niet. Het hedendaagse normbesef wordt nog altijd mede bepaald door bourgeoisnormen als hard werken, presteren, carrière maken en rijk worden.
Welke bijdrage leveren deze normen aan een beschaafde samenleving? Inderdaad, zoals Van der List zegt, we kunnen slechts behoeftigen ondersteunen als er geproduceerd wordt en een deel van de welvaart zijn weg vindt naar kansarme milieu's. Maar in hoeverre gaan bourgeois-aspiraties gepaard met calculerende attitudes (een fixatie op pakkans en het overspelen van de wet)? in hoeverre teert de prestatiemoraal in op gemeenschapszin en onderlinge betrokkenheid? Laten status en arrivisme - het etaleren van maatschappelijk succes; het uitstralen van macht - zich wel combineren met een beschaafde samenleving? Van der List zou er beter aan doen met enige ernst deze vragen te beantwoorden in plaats zijn morele reveil te enten op overleefde fatsoensnorm
Bas van Stokkom is publicist en hoofdredacteur van het tijdschrift Justitiële Verkenningen.