Een begin van de positievere interpretatie van fatsoen
Avishai Margalit | Nexus Instituut (nexus-instituut.nl)
Volkskrant juni 2002
Nelleke Noordervliet
HET woord fatsoensrakker niet het verschijnsel - kennen we sinds 1935, zegt het leuke chronologische woordenboek van Nicoline van der Sijs. Volgens Ter Braak is het .een door Vestdijk gemunte term, 'die in Van Dale twee betekenissen 'heeft.
- Een fatsoensrakker is iemand die voortdurend schermt met `fatsoen', maar daar geen moraliteitsbegrip aan ten grondslag heeft gelegd.
- 2. Het is iemand die zijn eigen fatsoensbegrip het liefst aan ieder ander zou opleggen.
Als ik het woord `fatsoen' gebruik of zelfs maar denk, hoor ik een plagerig innerlijk stemmetje Vestdijks woord er achteraan fluisteren en zie ik het beeld dat erbij hoort: een ouderwetse, hooggesloten juffrouw met een knotje in haar nek, nimmer begeerd, nimmer gepenetreerd, die haar lippen samenknijpt bij ieder teken van vrijmoedigheid en almaar een afkeurend `tsss' laat horen. Wil je geen fatsoensrakker zijn dan moet je een moraliteitsbegrip hebben, maar dat niemand opdringen. En hopen dat iedereen er zo over denkt.
Vestdijk mag het woord dan hebben geïntroduceerd, wijde verbreiding vond het pas in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw toen elke ouwe lul die maar even een vraagteken zette bij de onbegrensde mogelijkheden van de seksuele revolutie voorgoed werd verbannen uit het land van vreugd en jeugd. Fatsoen was burgerlijk. Wie zichzelf respecteerde diende te allen tijde de burger te mijden. Fatsoen, dat waren vermolmde opvattingen over seks-voor-het-huwelijk, over masturbatie en verboden fantasieën. Het hing samen met het hypocriete, christelijke zondebesef waarmee de meest menselijke en natuurlijke van alle verbintenissen in de loop der eeuwen was opgetuigd. En het was een middel om ongelijkheid te bevorderen en emancipatie van vrouwen tegen te houden. De pil was een machtig wapen om de burgermaatschappij in de kern te raken.
Daarom kan ik nooit het woord fatsoen gebruiken zonder te denken aan benepenheid en aan katjes in het donker. Toch denk ik weleens aan dat woord. Als aan een geheime zonde. Het is een woord dat toch meer oproept dan de muffe geur van schimmel en bloemkool. Natuurlijk heeft fatsoen niets met seks te maken. Seks was het burgerlijke brandpunt in het totaal van dingen die men al dan niet hoorde te doen, zoals met mes en vork eten of openlijk in je neus peuteren.
FD: (Herdefinitie: Herkomst???)
Fatsoen heeft te maken met het vermogen zich te verplaatsen in een ander, op grond daarvan een oordeel te vellen over jezelf en de ander en vervolgens je gedrag te bepalen. Dat bedoel ik niet zalvend. Het heeft niet tot doel de bevoogdende hand te reiken aan minder bedeelden. Wie zich verplaatst in een ander slaat twee vliegen in een klap: hij kijkt met diens ogen en hij ziet zichzelf. Hij oordeelt over gewoonten en motieven. Dat oordeel kan weleens heel anders uitpakken dan je dacht. De oorspronkelijke betekenis van het woord, dat teruggaat op het Franse façon, was 'voorbeeld, ontwerp, model'. Iedereen ontwerpt zijn gedrag naar de norm die de omgeving aanlegt en waarop hij zijn eigen variatie aanbrengt door een voorbeeld of een oordeel niet klakkeloos te aanvaarden. Is het de norm op te staan voor bejaarden in de tram, dan kun je als recalcitrante tiener daarop variëren door dat niet te doen. In de afwijking wordt de norm zichtbaar. De eigen norm en die van de anderen. Normen veranderen. Er waren heel wat recalcitrante tieners.
Wie gewend is te verkeren in een omgeving waar iedereen schreeuwt, schreeuwt ook in een bibliotheek. Dat is onfatsoenlijk, tenzij hij de gewoonte van de zwijgers op goede gronden verwerpt en dat voor de zwijgers aannemelijk maakt. Wanneer de zwijgers de schreeuwer laten schreeuwen zonder hem te vragen waarom hij schreeuwt waar wordt gezwegen, is dat ook onfatsoenlijk. Ze moeten hem duidelijk maken dat ze het op prijs zouden stellen als de schreeuwer zweeg. Ze moeten elkaars motieven wederzijds doorgronden en vervolgens hun houding bepalen. Schreeuwen of zwijgen. De derde weg is dat de zwijgers mee gaan schreeuwen om de schreeuwer niet in verlegenheid te i brengen. Zo schuift de koningin van Engeland haar laatste doperwt eindeloos heen en weer op haar bord om haar tafelgenoten niet de indruk te geven dat ze onbeschaamd hebben zitten schrokken. De queen legt mes en vork pas neer als iedereen klaar is.'
Niet dát een norm verandert is betreurenswaardig, maar dat een norm verandert zonder het proces dat daarbij hoort: het erkennen dat je eigen opvattingen niet de maat van alle dingen hoeven te blijven en dat de ander een redelijk wezen is met goede redenen voor bepaald gedrag. Eventueel. De tiener in de tram zegt: `Ik heb net zo goed betaald voor een zitplaats als die fitte grijsaard en ik ben moe van het sporten.' De grijsaard zegt: `Kind, je hebt gelijk, ik zit de hele dag al.' Fatsoen past zich niet altijd aan de ander aan, houdt ook niet vast aan gewoonten. Vormen van fatsoen botsen. Wie echt over fatsoen nadenkt, kan geen fatsoensrakker zijn. Toch fluistert Vestdijk in mijn oor. Dat kan geen kwaad.