Erbij horen bevordert het fatsoen (2003)

Na het ik-tijdperk verlangen mensen naar een collectief

Fatsoen is gekaapt door rechts. Zij lijken het patent te hebben op de beschavingsdiscussie. Volgens conservatieve liberalen moet je fatsoen afdwingen, omdat de mens zijn beestachtige instincten niet bedwingen kan.


Monique Kremer en Shervin Nekue

Volkskrant 2003


Rechtse politici menen het best te weten hoe de burger tot fatsoenlijk gedrag gedwongen kan worden. Volgens Monique Kremer en Shervin Nekuee is er wel degelijk een links beschavingsoffensief mogelijk.

In Rotterdam is onlangs de eerste groetzone van Nederland geopend. 'Groeten bij ontmoeten' is de slogan. Nederland is in de ban van fatsoen, ofwel het ontbreken daarvan. Op het werk dringen we nauwelijks voor en ook thuis zijn we niet brutaal en onbeschoft. In de publieke ruimte doen we dat allemaal wel. In de trein vechten we voor een zitplaats, voor oude van dagen en zwangere vrouwen staat niemand meer op. Op straat is het droevig gesteld. De frietzakjes, kauwgum, hondendrollen en kapotte tv's liggen op de stoep. Jongeren roken in de tram, leggen hun smerige voeten op de bankjes. En het ergste is: niemand zegt er wat van, doet er wat aan.

Nederlanders ergeren zich aan de nieuwe hufterigheid. Het politieke antwoord op deze onvrede is een nieuw beschavingsoffensief: hard optreden tegen die a-socialen daarbuiten, met harde hand en corrigerende vinger, en zo nodig de doodstraf. Dat is taal van rechtse politici. Fatsoen moet je doen, riep het gevallen kabinet, en introduceerde repressieve maatregelen met de nadruk op veiligheid, veiligheid en nog eens veiligheid.

Fatsoen is gekaapt door rechts. Zij lijken het patent te hebben op de beschavingsdiscussie. Volgens conservatieve liberalen moet je fatsoen afdwingen, omdat de mens zijn beestachtige instincten niet bedwingen kan. Fatsoen is van een hogere morele orde, een op zichzelf staande individuele deugd, aldus VVD-lid Van Kinneging, voorzitter van de conservatieve Burke Stichting. Fatsoen moet er met de paplepel worden ingegoten, en desnoods er in geslagen. Dit fatsoensbeeld is gebaseerd op het individu, het heeft niets te maken met de condities van de samenleving. Kortom: fatsoen is in de conservatief-liberale benadering a-sociologisch.

Christen-democraten zijn ook altijd dol op fatsoen geweest. Hun fatsoen is dat van de fatsoensrakkers: het ruikt naar spruitjes, naar netjes en schoon, op tijd thuiskomen, en binnen het boekje blijven. Het fatsoen van de christen-democraten is van oudsher gekoppeld aan voorgeschreven gemeenschapswaarden. Die stonden niet ter discussie; ze waren geënt op de Bijbel. Het probleem van het CDA is dat die rechtlijnige normen en waarden niet meer gedicteerd kunnen worden. Overigens tot grote opluchting van velen die een andere leefstijl hadden. Bij gebrek aan een christelijk alternatief heult het CDA nu met de repressieve liberalen. In haar radeloosheid stelde het CDA voor een Commissie voor Normen en Waarden op te zetten: fatsoen moet je doen, maar hoe? Dat weet Jan Peter niet.

Het fatsoen van rechts zal niets afdoen aan de onvrede in Nederland. Het geklaag over de schofterigheid in de publieke ruimte wordt niet onderdrukt door de hufters een schop onder de kont te geven. Of door een discussie over gemeenschappelijke normen. Die discussie is onnodig: er bestaan al gemeenschappelijke normen over omgangsvormen. Weinig mensen vinden dat je mag roken in de tram, dat zwerfvuil de straat siert en dat het prima is mensen in elkaar te slaan. Uit kleinschalig onderzoek in Rotterdam blijkt dat iedereen vindt dat als je een feestje viert, je je buren moet inlichten. En dat je excuses aanbiedt als je je misdraagt. Het maakt daarbij niet uit of je oorsprong ligt in Turkije, Marokko of Nederland. Wel vinden Turken vaker dan Nederlanders dat je soms bij je buren op de koffie moet gaan.

De onvrede heerst niet zozeer omdat iemand in de trein zijn voeten op de bank legt, maar omdat niemand er wat van zegt. De irritaties komen voort uit een groter onbehagen, dat voortvloeit uit de oprukkende onverschilligheid. Onbehagen komt voort uit het gevoel dat niemand bij jou betrokken is en jij bij niemand betrokken mag zijn. Niet alleen dat jij geen boodschappen doet voor je zieke buur, maar ook dat zij geen beroep doen op jou.

In het dichtbevolkte Nederland hebben we lange tijd gedacht dat het fatsoenlijk was om langs elkaar heen te leven. Dat heeft ons van elkaar vervreemd, en dat begint zich nu te wreken. Mensen willen graag betrokken burgers zijn.

Fatsoen is dus een sociologisch en collectivistisch begrip. Mensen worden enkel fatsoenlijker als ze deel uit maken van een groter geheel, als ze in brede bindingen gaan geloven. Als ze zich betrokken voelen, doen ze boodschappen voor de oude buurvrouw; grijpen ze in bij een vechtpartij; en komen voor het belang van medeburgers op. Thuis en op het werk voelen mensen zich wel betrokken en verbonden. Daarom zijn ze daar niet brutaal en onbeschoft.

Een fatsoensoffensief van links biedt daarom een veel beter perspectief. Maar links kan nog niet goed uit de voeten met fatsoen. De sociaal-democraten dachten dat vreedzaam samenleven en fatsoenlijke omgangsvormen voortvloeien uit voldoende inkomen, en voldoende scholing. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Beschaving volgt als vanzelfsprekend na materiële behoeftebevrediging. Inmiddels zijn de materiële condities allang vervuld, en waarom dan nog het geklaag over fatsoen? Het kweken van consumenten die hun eigen winstbejag nagaan, creëert onfatsoen. De burger-als-consument benadering van Paars was de doodsteek voor de maatschappelijk moraal. Misschien gaat de PvdA met de bekeerling Bos een andere koers varen.

En GroenLinks? Juist in het bolwerk van de Fortuynisten, Rotterdam, was Groenlinks al langer bezig met een offensief tegen hufterigheid. Voormalig wethouder Meijer introduceerde de stadsetiquette in Rotterdam. Het doel was niet in de straten van Rotterdam normen en waarden vast te leggen, maar om samen afspraken te maken over omgangsvormen. Er ontstond een betrokkenheid die het antwoord was op het onbehagen, het was geen opgelegde set regels. GroenLinks erkent dat op een vredige manier met elkaar omgaan alleen kan als mensen hechten aan de samenleving. De praktische vertaling van de stadsetiquette is echter nog veel te bescheiden voor een links fatsoensoffensief. Fatsoen ontstaat niet alleen door een proces, door mensen bij elkaar te zetten. Het moet gekoppeld worden aan grotere idealen: hoe moet onze samenleving eruit zien?

Dat betekent niet enkel investeren in de vaardigheden en het vermogen van het individu maar in de kwaliteit van de samenleving. In vergelijking met de rechtse retoriek klinkt dat soft, maar het heeft harde consequenties. Een pleidooi voor fatsoen moet samengaan met concrete beleidsveranderingen. Een voorbeeld. Eindelijk willen de politieke partijen de segregatie op school aanpakken. De één wil speciale scholen dwingen allochtone kinderen aan te nemen. De ander wil extra geld pompen in de zwarte scholen zodat de cito-prestaties van de school omhoogschieten; daarmee wordt de school aantrekkelijker voor witte ouders. Weer een ander wil dat kinderen in de eigen buurt naar school gaan.

Hier is de motivatie om segregatie tegen te gaan te beperkt: achterstand van allochtone kinderen. Scholen zijn er niet alleen voor individuele leerprestaties van kinderen. Ze zijn ook de broedplaats voor het empathische talent van de toekomstige burgers. Compleet zwarte scholen kunnen uitstekend scoren op de cito-toets, die scholen bestaan, maar op school leer je niet alleen rekenen en lezen, ook hoe je samenleeft.

In een multiculturele stad moeten burgers de interculturele competentie bezitten om, ondanks verschillen, samen te kunnen leven. Dat leert de jeugd, wit of zwart, niet als ze apart van elkaar opgroeit. Wie voor kwaliteit van de samenleving in grote stad kiest, beperkt de ongelimiteerde vrijheid van schoolkeuze van burgers.

Zo zijn er meer hardhandige interventies die thuishoren in een links fatsoenoffensief. De verzorgingsstaat moet geen optelsom worden van individuele verzekeringen en premies; collectieve regelingen dwingen mensen na te denken over het claimen van rechten. In een fatsoenlijke samenleving zijn niet alleen ouders verantwoordelijk voor kinderen; maar de hele familie, de onderwijzer, de buurkinderen. Binnen een links fatsoensoffensief past ook dat mensen niet enkel verantwoordelijk zijn voor het design van hun eigen achtertuin, maar ook van hun straat.

Het linkse fatsoensoffensief is gebaseerd op het mensbeeld van de betrokken burger. Dat is geen idealistisch beeld. Mensen willen graag betrokken zijn, maar ze weten niet precies meer hoe. De worst van het individuele belang, die het neo-liberalisme burgers in de jaren negentig voorhing, heeft een nare bijsmaak gekregen. Na het ikke ikke ikke-tijdperk verlangen burgers naar een collectief, een gemeenschap. Het rechtse antwoord, repressie van de onfatsoenlijken, slaat de plank mis. Fatsoen hoort bij de waarde van gezamenlijkheid. En daar zijn soms hardhandige interventies voor nodig. Daar ligt het linkse antwoord. Er is een Postbus 51-campagne met als slogan: de maatschappij dat ben jij. Meteen afschaffen. Maatschappij dat zijn wij.

Monique Kremer is als onderzoeker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn en redacteur van het Tijdschrift voor de Sociale Sector. Shervin Nekuee is verbonden aan de Rotterdamse Kunst Stichting en mede-hoofdredacteur van het blad Eutopia.