In het alledaagse is het fatsoen dood (2002)

Fatsoen hoort bij een samenleving die van afstand bewaren weet; onbeschoftheid komt voort uit een doorgeschoten idee van gelijkheid.

Bespreking van  prominente denker  Avishai Margalit  zijn gelauwerde boekwerk De fatsoenlijke samenleving.


 De journalist Anton de Wit (23) schreef het vorige week bekroonde essay voor de Serge-Heederikprijs 2002, vernoemd naar de in 1996 vermoorde jonge filosoof. Voor deze publicatie leverde hij op verzoek een ingekorte versie.

Trouw 20 mei 2002

Door Anton de Wit

Hij keek me een beetje vreemd aan, de buschauffeur. Een eindeloze stoet reizigers was al gepasseerd. “Hallo”, zei hij van onder zijn triest hangende snor, tegen iedereen die langs hem liep. Daarna een zuchtend “Ja, gezien” als zij een abonnement de lucht instaken, of na het stempelen van een strippenkaart “alstublieft”. De meeste passagiers zeiden niets terug, hooguit mompelden zij de bestemming als zij een strippenkaart voor hem neergooiden – en zelfs dat niet altijd. Sommigen droegen oordopjes die met een luid spelende walkman verbonden waren, anderen tetterden vrolijk door tegen een mobiele telefoon terwijl zij muntjes uit hun portemonnee visten. Onveranderlijk keek men langs of door hem heen – zijn snor bewoog eveneens onveranderlijk onder het prevelen van zijn standaardzinnen.

“Goedemorgen”, zei ik vrolijk toen ik aan de beurt was. Ik keek hem vriendelijk aan en liet hem duidelijk mijn abonnement zien. Het leek of hij schrok; hij nam me wantrouwend op, knikte kort en zei – niets.

Het zal maar weinig voorkomen dat een geëngageerde buspassagier opstaat, een beschuldigende vinger wijst naar de persoon die instapt zonder de chauffeur te groeten en hem met zijn wandaad confronteert. Ik ben maar weinig mensen tegengekomen die het überhaupt een wandaad vinden. Daarin schuilt dan ook gelijk het probleem: er valt amper een vinger te leggen op het schrijnende van de geschetste situatie, de banaliteit ervan lokt op z’n best een schouderophaal uit. Bekijk de situatie echter eens in al haar naaktheid; twee mensen treffen elkaar, de één groet, de ander zwijgt en loopt door. Als we van de eerste persoon, zeg, een fabrieksarbeider maken en van de tweede een kapitalist ontstaat plots een socialistisch protest, een roman van Dickens waardig. Maar ja, ongelijkheid van rassen en seksen, het kolonialisme, het harde kapitalisme en de standenmaatschappij hebben we allemaal afgeschaft, dus waar maken we ons nog druk om? – Hebben we dan al die wantoestanden bevochten, hebben we de principiële gelijkwaardigheid bewerkstelligd, niet omdat we van dergelijk onfatsoen af wilden, maar omdat we in gelijkwaardigheid onfatsoenlijk tegen elkaar willen zijn?

Het klinkt bizar, maar de ideeën van een prominente denker als Avishai Margalit lijken er toch op te wijzen. In zijn gelauwerde boekwerk De fatsoenlijke samenleving stelt de Israëlische filosoof dat de staatsinrichting niet op de eerste plaats moet mikken op rechtvaardigheid, maar op fatsoen. Margalits ‘fatsoenlijke samenleving’ is anders dan de term doet vermoeden niet per se een samenleving waarvan de leden goede manieren hoog in het vaandel hebben. Fatsoenlijkheid is volgens hem een taak van de instituties, van de staatsorganen. Kernachtig geformuleerd is de fatsoenlijke samenleving “een samenleving waarvan de instituties mensen niet vernederen”, aldus Margalit. Door enerzijds de nadruk op de gelijke, niet vernederende behandeling van individuen en groepen te leggen, en anderzijds de verantwoordelijkheid voor dat fatsoen louter aan instituties toe te kennen, maakt Margalit goede manieren bij individuen tot een ondergeschikte aangelegenheid. Hoe burgers elkáár behandelen is volgens hem een kwestie van beschaving. In die zienswijze is, zo erkent de auteur, een ‘fatsoenlijke’ samenleving denkbaar die tegelijkertijd géén beschaafde samenleving is. Wellicht is die mogelijkheid dwingender dan Margalit vermoedt – maar daarover later meer.

Wat ligt ten grondslag aan het breed gedragen onfatsoen? Onlangs liet Vrij Nederland in een reeks artikelen over onbeschoftheid een handvol politici, sociologen, politicologen en andere onbetrouwbare moraalridders vrijelijk open deuren intrappen en planken misslaan. Het Paarse kabinet, de libertaire jaren ’60, de liberale jaren ’80, het individualisme, de Nederlandse Spoorwegen, de ontkerkelijking, de gedoogcultuur en de media – ze moesten het allemaal ontgelden. Voer te over voor verkiezingspraatjes, maar zijn de genoemde zaken nu echt oorzaken van het probleem? Of zijn zij, mits terecht geassocieerd met onfatsoen, veeleer een symptoom? De intellectuelen praten in Vrij Nederland langs een fundamentele vraag heen: wat is fatsoen? Men mythologiseert de welgemanierdheid, maakt die tot axioma, tot nobel historische inborst. Maar dat is stemmingmakerij, misplaatste nostalgie, de kiezersjacht van een seniorenpartij.

Want wat is nu fatsoen?

Fatsoen is allereerst een begrip dat meerdere betekenissen draagt. Naast de algemene betekenis – uit de losse pols: het geheel van maatschappelijk nagestreefde omgangsvormen – betekent ‘fatsoen’ ook nog zoveel als ‘aanzien’, ‘maatschappelijke waardigheid’ en ‘eerbaarheid’. Als burgerlijk-christelijke kuisheidsnormen zijn die begrippen volstrekt uit de tijd, maar het is in een dergelijke hoedanigheid dat ‘het fatsoen’ in de afgelopen twee eeuwen is aangevallen. “Wat een smeerlappen toch, die fatsoenlijke lui!”, laat Emile Zola zijn hoofdpersoon verzuchten in De buik van Parijs. Die fatsoenlijke smeerlappen zijn in deze roman braaf burgerlijke middenstanders, achterbakse kooplui die zich welgemanierd voordoen maar tegelijkertijd zwelgen in arrogantie, afgunst en achterklap. Fatsoen is in Zola’s optiek vadsig vleesgeworden schone schijn.

Wat dichter bij huis predikt Multatuli eenzelfde boodschap. “Ik ben tot u genaderd, hoofdvyandin van vrye studie: lafhartige fatsoenlijkheid!”, schrijft hij in zijn Ideeën. En in Japanse gesprekken definieert de schrijver fatsoen als “iets als de lynen die den inhoud betekenen, en daarvoor worden in-plaats-gegeven, omdat ‘n lyn goedkoper is dan inhoud. (…) Fatsoen is ‘n speelfiesje dat waarde voorstelt, maar nooit wordt ingewisseld. Fatsoen is gecristofleerde deugd”, waarmee Multatuli verwijst naar het christoffelskruid, dat uitwendig helend werkt maar bij inwendig gebruik giftig is.

De felle retorische aanvallen van onder meer Multatuli en Zola op het fatsoen richtten zich op het vernis dat de burgerlijke hypocrisie maskeerden – en in die zin waren zij zeker broodnodig. Het is alleen jammer dat sindsdien het woord ‘fatsoen’ een negatieve bijklank heeft gekregen die het tot ver in de vorige eeuw gehouden heeft; één van kleinburgerlijkheid, bekrompen moralisme en zelfingenomenheid. Tot in onze tijd wordt een te grote nadruk op fatsoensnormen vaak verdacht gevonden. Terwijl genoemde vrijdenkers en hun geestesverwanten toch ook niet vóór onfatsoen waren, en ook niet de welgemanierdheid an sich bevochten. Want is fatsoen in die zin nu echt de voornaamste vijand van de vrije gedachte, zoals Multatuli veronderstelde? Ook het tegenovergestelde valt te verdedigen, zoals John Milton een slordige tweeënhalve eeuw eerder deed, toen hij schreef: “Alleen fatsoenlijke mensen kunnen vrijheid oprecht liefhebben, de rest wil geen vrijheid, maar losbandigheid.”

Als het waar is dat fatsoen vrij maakt, waarvan bevrijdt het dan? Niet van sociale verplichtingen, niet van onderdrukking, niet van welke ketting of boei ook. Waarvan dan? Met de scène aan het begin van dit artikel voor de geest, luidt het antwoord: fatsoen bevrijdt van eenheidskoek. Fatsoen is een hoogst persoonlijke uiting, een weerspiegeling van individuele normen en waarden (of behoort dat te zijn). Afzien van fatsoen kan maar op één manier. Wanneer dus een groep mensen afziet van fatsoen zijn ze een kudde, wanneer zij beleefd blijken een verzameling individuen. Fatsoen is een verplichting aan de verplichtende zelf, nog meer dan het een verplichting aan zijn omgeving is. Wie die verplichting niet kent brandmerkt zichzelf als radertje van een kille machine. Afstand nemen van een dergelijke massamentaliteit geschiedt in eerste instantie door welgemanierdheid.

Fatsoen is dus een vorm van distantie. Misschien moet de vraag wat fatsoen is zelfs wel beantwoord worden met: fatsoen is distantie. Met goede manieren scheppen en bevestigen mensen afstanden. Maar waarom zijn afstanden nodig? Mág er überhaupt afstand zijn, of is dat een teken van maatschappelijke koudheid, van gebrek aan betrokkenheid? Afstand wordt ook geassocieerd met hiërarchie, en als dusdanig gewantrouwd. Hoe radicaler de afwijzing van verschillen – lees: afstanden – tussen mensen, hoe verder men verwijderd raakt van het goede fatsoen. Goede manieren zijn daardoor in onze tijd in de periferie terecht gekomen. De écht moderne mens weigert een ander fatsoenlijk te bejegenen omdat hij vreest dat hij de ander daarmee beledigt. Fatsoen is afstand, kilheid, vorm, overbodig en bovenal verdacht. Het is, kortom, sinds die Verlichting nooit meer helemaal goed gekomen met het fatsoen. Af en toe nam men het woord nog in de mond, maar dat was meer verpakking dan inhoud. De oorzaak is de angst voor afstand.

Die angst uit zich in zekere zin ook in sociaal-economische trends. Dat de verbetering van de infrastructuur de wereld kleiner heeft gemaakt is inmiddels een flauwe dooddoener, maar hoe dan ook waar. Is het scheppen van een virtuele wereld niet nagenoeg hetzelfde als het nabootsen van de werkelijkheid, maar dan ontdaan van het element afstand? Wie weet laat zich zo de uitgeklede etiquette van e-mail en de onbeschoftheid op het web wel verklaren. En is het toeval dat, bij het verdwijnen van afstanden door de economische en sociale globalisering, mensen uit alle uithoeken van de vrije wereld kiezen voor een voertaal die zich het minst gehinderd weet door goed fatsoen of nuances, een taal die bijvoorbeeld voor ‘u’ en ‘jij’ maar één woord kent?

Het opheffen van afstanden is evenwel een onomkeerbaar proces. Globalisatie werkt dwingend, niet alleen omdat er economische belangen spelen, maar ook omdat er agressieve morele veronderstellingen aan ten grondslag liggen. De vrije wereld exporteert niet enkel goederen of diensten, maar ook een alomvattende ideologie van gelijkwaardigheid, democratie en ‘medemenselijkheid’. Al die begrippen heffen in hun uiterste consequentie afstanden op – fysieke, geografische, historische en hiërarchische. Daarmee verdwijnt ook de fatsoenlijke distantie, de eerbied voor de ander – misschien zit daar wel de kern van de aanklacht tegen het Westen die op de 11e september 2001 weinig subtiel werd geformuleerd.

Het fatsoen is dood. Dat is niet de schuld van iemand, maar tegelijkertijd de verantwoordelijkheid van iedereen. In plaats van als een doorgedraaide Cluedo-speler naar het bebloede mes te zoeken en een beschuldigende vinger te heffen, zou ieder individu een moment naar zijn of haar eigen gedrag moeten kijken. Het probleem is wellicht dat men daar in de hedendaagse samenleving onvoldoende toe gedwongen wordt. Afstanden bestaan niet meer, eerbied wordt gezien als ballast en de maatschappij is zo ingericht dat goede manieren overbodig zijn.

Juist dat is de uiterste consequentie van Margalits ‘fatsoenlijke’ samenleving. In hoeverre onze instituties daar in slagen is discutabel, maar in elk geval doen zij een zeer redelijke poging om geen mens of groep te vernederen. Er bestaat dus in elk geval een oprechte poging tot een fatsoenlijke staatsinrichting in de geest van Margalit, maar ondanks dat is welgemanierdheid bij burgers bij lange aan geen vanzelfsprekendheid. De vraag is nu of de woorden ‘maar ondanks’ in de vorige zin niet beter vervangen kunnen worden door ‘en dankzij’. Een beschaafde samenleving vraagt om fatsoenlijke mensen, niet om een ‘fatsoenlijke’ staat. In plaats van Margalits ‘gij-zult-niet’ aan de instituties zou een ‘gij-zult’ aan de burgers meer op zijn plaats zijn. Het is niet aan de overheid of aan politieke partijen om met geheven domineesvinger dat ‘gij-zult’ uit te spreken, het moet vanzelfsprekend worden.

Een herwaardering van afstand houdt een herwaardering van het fatsoen in. Fatsoen alleen is niet genoeg, maar daarmee is niet gezegd dat de mens het zónder fatsoen kan stellen. Fatsoen is een uiting van eigenwaarde, want wie geen afstand kan nemen wordt één met het collectief. Wie een ander ongemanierd tegemoet treedt, voelt zich niet boven of onder diegene staan, maar op een tergend gelijk niveau – zie daar hoe de mens zijn gelijke haat, anders was hij er niet zo onbeschoft tegen. Impliciet is zo’n persoon dus ook onbeschoft tegen zichzelf. Onfatsoen is daarmee mensonwaardig – zowel de buschauffeur als de passagiers die ik in het begin introduceerde betonen zich in hun apathie mensonterend. Ironisch genoeg worden woorden als ‘mensonwaardig’ en ‘mensonterend’ in het publieke debat al te snel in de mond genomen als het draait om geldlustige multinationals, dictatoriale regimes, hard politieoptreden, structurele wantoestanden in de zorgsector, enzovoort. In andere woorden: men wijst naar de instituties, naar het collectief. Maar instituten bestaan niet zonder mensen en zonder mensen zouden zij dus ook niet mensonterend zijn. De ultieme verantwoordelijkheid kan dus nooit bij ‘de’ staat, ‘de’ overheid, of ‘de’ instituties liggen; zij ligt bij ieder mens. Want de ware mensonwaardigheid, het ware onfatsoen, ligt niet in het exces maar in het alledaagse.