Keuze PvdA is tussen biefstuk en ethiek (2002)

Ook herwaardering van het begrip fatsoen


Volkskrant 27-12-2002

Joost Zwagerman

Terwijl alle partijen de noodzaak van fatsoen in het publieke leven erkennen, weet volkspartij PvdA er geen raad mee, betoogt Joost Zwagerman. De partij moet kiezen voor de nieuwe zwakkeren.

Een week na de openstel­ling op internet van de nieuwe editie van de Stemwijzer hebben ruim tweehonderdduizend mensen door het invullen van dertig twee­keuzevragen een stemadvies ge­kregen. Ongeveer een kwart van hen kreeg als stemadvies de LPF. Voor drie procent luidde het ad­vies; CDA. Daarmee stond het CDA samen met de SGP onder­aan de lijst van partijen. Dat zou voor het CDA neerkomen op vier à vijf kamerzetels. Kennelijk zijn het verkiezingsprogramma en de beleidsvoornemens van het CDA nondescript of erg impopulair.

Toch lijkt het CDA af te steve­nen op minimaal een behoud van de 43 zetels die het behaalde op 6 mei. Het succes van het CDA laat zich vrijwel zeker verklaren uit de sterke nadruk die Balkenende legt op fatsoen: `Fatsoen moet je doen'. De kiezer beschouwt die slogan blijkbaar als een adequate saménvatting van de dringende noodzaak van de herwaardering en herijking van dat fatsoen.

Inmiddels lijken bijna alle pro­gressieve partijen zich die nood­zaak te hebben gerealiseerd. D66 profileert zich als partij die een `fatsoenlijke politiek' voorstaat. Bij GroenLinks zei Femke Halse­ma dat in Nederland een vecht­cultuur dreigt te ontstaan en bena­drukte de noodzaak van een mo­reel appèl. De SP, partij van het oude biefstuksocialisme in een nieuw cellofaantje, gaf enkele ja­ren terug in het manifest `Stop de uitverkoop van de beschaving' aandacht aan de verloedering van het publieke domein.

Alleen de PvdA lijkt nog steeds_ te worstelen met fatsoen. Daarmee benadrukt de partij ongewild haar status van oudlinkse dino­sauriër. En dat terwijl juist de PvdA enige jaren gëleden van sympathiserende buitenstaanders het advies kreeg zich te heroriën­teren op het begrip fatsoen. `Is de Partij van de Arbeid nog wel fatsoenlijk?' vroegen in 1998 de filo­soof Lolle Nauta en dichter en psychiater R. van den Hoofdakker zich af in een artikel in de Volks­krant. Zij bepleitten een vervan­ging van het oudlinkse begrip 'so­lidariteit' voor het meer geëigende `fatsoen'.

Daarmee bedoelden zij niet een herstel van of terugkeer naar de kleinburgerlijke moraal. Ze gaven een nieuwe definitie: `de competentie om behalve door je eigen ogen ook met die van een ander naar de samenleving te kijken. Door de ogen van mensen met andere belangen dan die van jezelf en met minder mogelijkheden, bij­voorbeeld om deze te realiseren.'

Nauta en Van den Hoofdakker constateerden in hun stuk dat de PvdA ongevoelig bleek voor een dergelijke herdefiniëring, maar gefixeerd was op het toen nog lo­nende pragmatisme van Paars.

Anno 2002 lijkt voor de PvdA fatsoen nog steeds beladen. Ver­moedelijk is men nu nog benauwd voor het verwijt van zedenmeeste­rij. Liever geeft men Balkenende een sneer, omdat zijn partij terug zou willen naar de jaren vijftig. Zo'n verwijt is hopeloos achterhaald en legt juist de eigen koud­watervrees bloot. Want fatsoen in de jaren vijftig was en is natuurlijk totaal iets anders dan anno 2002. In die jaren was Nederland in de klem van puritanisme en confes­sionele bedilzucht. De fluwelen ti­rannie ging uit van de instituties. Het gezin was toen niet slechts hoeksteen van de samenleving maar maat van alle dingen.

In het huidige Nederland hou­den niet de verdedigers van God, gezin en gebod maar de exponen­ten van `de vechtcultuur', zoals Halsema het omschreef, het open­bare leven steeds sterker in een klemmende greep. Door middel van verbale en. fysieke agressie in het publiek domein komt de alle­daagse tirannie nu van een groei­end aantal in egoïsme en asociali­teit doorgeschoten burgers. Door die tirannie is een nieuwe kaste van zwakkeren ontstaan die on­der deze vechtcultuur lijden.

Deze `zwakkeren' laten zich niet aftekenen langs traditionele lijnen van inkomen, opleiding of etnische afkomst, zoals ook de verspreiders van die vechtcultuur uit alle lagen van de bevolking komen. De jongen die René Steeg­mans doodsloeg was een Marok­kaanse vechtmachine, door zijn ouders gestimuleerd in zijn intole­rantie. De mannen die Meindert Tjoelker doodschopten, waren blanke middenklassers op kroe­gentocht, vastbesloten eens lekker door het lint te gaan.

De tirannie van de hufterigheid kent geen sociaal-cultureel, et­nisch of demografisch keurmerk. Juist de nieuw ontstane groep gedupeerden van deze tirannie moe­ten in hun noden worden gehoord door een volkspartij bij uitstek: de PvdA. Maar de zorg om de morele verdooldheid in dit land liet de PvdA uit een combinatie van ho­vaardij en benepenheid jarenlang over aan rechts. Daardoor liep de PvdA-aanhang massaal over, eerst naar Leefbaar Nederland, later de LPF. Pim Fortuyn bepleitte onder meer een `teruggave' van het pu­blieke domein aan de fatsoenlijke burger. In plaats van blind tegen hem te agiteren had de PvdA For­tuyn op dat punt - dus let wel: op dat punt - moeten omarmen. For­tuyn, ooit actief binnen de PvdA, liet met die opvatting blijken zijn roots niet te verloochenen. For­tuyn mocht Paars en vooral de PvdA afwijzen, dat betekende niet dat die afwijzing op alle fronten en wederzijds had hoeven zijn. For­tuyn anticipeerde met een aantal denkbeelden op populistisch rechts, maar op dit punt was hij een echte sociaal-democraat, zij het in de verwarrende vermom­ming van een dandy in maatkos­tuum. Niet alleen de Leefbaren en Fortuynisten, ook onafhankelijke intellectuelen vonden met hun op­roep tot een links ethisch reveil bij de PvdA een gesloten deur: zie Nauta en Van den Hoofdakker. Die deur lijkt nog steeds dicht. Het geeft bijvoorbeeld te denken dat socioloog Gabriël van den Brink in de Volkskrant een tien punten-plan publiceerde dat een vermindering voorstaat van het sociale onbehagen. Zo'n plan had al jaren geleden uit de koker van de PvdA moeten komen.

Medio december publiceerde oud PvdA-kopstuk Marcel van Dam in de Volkskrant een column waarin hij voorspelde dat `de ko­mende verkiezingscampagne weer bol [zal] staan van de kreten over normen en waarden'. Als die column representatief is voor de plaatsbepaling van de huidige PvdA, is het niet ondenkbeeldig dat de vervreemding van de ach­terban nog toeneemt. Van Dam noemde alleen die normen en waarden politiek gezien `relevant (..) die in regelgeving thuishoren'. Zo mogen visie, mensbeeld en her­formulering van sociale idealen niet meedoen in de politiek.

Ziehier de praktische conse­quentie van het afschudden van de ideologische veren: een droog­stoppelachtige manier van den­ken die bijdroeg aan het morele bankroet van Paars. Voor Marcel van Dam zijn de angels en klem­men van normen en waarden makkelijk weg te werken: `Als een bepaalde vorm van onfatsoen er­gerniswekkend wordt gevonden,' beweerde hij, `moet de overheid het verbieden. Zo niet, dan moet de overheid zwijgen. De overheid is geen zedenmeester'. Dat kan alleen maar uit het brein komen van een oudlinkse regent voor wie de overheid kennelijk uitsluitend rekenmeester is. Let op Van Dams woordkeus: burgers vinden de onttakeling van het publieke do­mein niet bedreigend, maar uit­sluitend `ergerniswekkend'.

Marcel van Dam noemde een aantal vormen van sociaal onwen­selijk gedrag en levert ook de op­lossingen. De malste oplossing is wel deze: automobilisten die inha­len waar het verboden is, ontneem je die mogelijkheid door het aan­brengen van `middenbermen'. Van Dam beschouwt de burger blijkbaar als een kleuter die zich langs middenbermen, over ver­keersdrempels en andere obsta­kels moet verplaatsen, als een loodspoppetje dat niet langer op zijn wangedrag is aan te spreken en bij wie zelfcorrectie onmogelijk en hopeloos is. Maar tussen vier dronkelappen en Meindert Tjoel­ker kon je geen middenberm plaatsen.

Van Dams oplossing van de middenberm bestrijdt alleen de symptomen en niet de oorzaken van ongewenst gedrag. Wat voor maatschappij streven Van Dam en de PvdA na? Eén waarin de bur­ger zich rekenschap geeft van zelf­begrenzing en sociaal benul, of éen waarin het halve land hufterproof wordt gemaakt door middel van middenbermen, camera's, verkeersdrempels en scholen met wapendetectoren? Een keuze voor het eerste vind ik progressief; het tweede no nonsense rechts.

De PvdA zou zich moeten be­zinnen op wat anno 2002 werke­lijk linkse politiek is. Vier jaar ge­leden schreven Nauta en Van den Hoofdakker dat ze niet langer op de PvdA maar op GroenLinks stemden. Na hen, week in mei 2002 bijna de helft van de PvdA­kiezers uit naar andere partijen. Onder het lijsttrekkerschap van de minder dan Ad Melkert met Paars verknoopte Wouter Bos kan de PvdA in beginsel een nieu­we electorale afstraffing voorko­men. Maar dan moet de partij in ijltempo een aantal keuzes maken die voor oudlinkse conservatieven misschien pijnlijk zijn, maar aan de hand waarvan een op de toe­komst toegesneden PvdA wél de kans kan krijgen tegenover de kie­zer haar nut en noodzaak te be­wijzen. Het gaat om de onvermij­delijke keuze tussen visie of boek­houding; tussen een ontluikend engagement met fatsoensbesef of een versleten fixatie op inkomens­politiek; tussen nieuwe medemen­selijkheid of oude mondigheid; tussen een nadruk op nieuw ont­stane immateriële noden of het leunen op belegen materiële strijdpunten; tussen een tastende moraalpolitiek of een gestaald oudlinks paternalisme - kortom: tussen ethiek of biefstuk, de men­selijke maat of de middenberm.

Joost Zwagerman is schrijver.