Uiteindelijk stoelt de handhaving van de openbare orde op overheidsrepressie, en deze legitimeert zich met het waarden- en normbesef van een zelfbewuste burgerij - alle begrippen die in de cultuurrelativistische zedenguerrilla van de afgelopen dertig jaar verdacht gemaakt zijn.
Het `gedogen' is begonnen bij de legitimatiecrisis rond de krakersrellen, en daarmee het massale wegkijken.
Volkskrant 28-10-2002
Na de jaren zestig begon de overheidsrepressie aan een terugtocht uit het openbare leven. Daarna volgden het gedogen,, het wegkijken en de excessen, meent Leon de Winter.
Er loopt een treurige lijn tussen de dood van René Steegmans en de krakersrellen van de jaren zeventig. Hoe verschillend hun aanleidingen ook zijn, ze kenmerken het verlies van de openbare ruimte aan de driften en belangen van afzonderlijke individuen en groeperingen.
Ten grondslag aan dat verlies van de openbare ruimte ligt de culturele revolutie van de jaren zestig, die weinig samenlevingen zo diep heeft veranderd als de Nederlandse. De waarden en normen van de traditionele zuilen - het calvinisme, het katholicisme, de sociaal-democratie en het liberalisme, die zich ondanks de grote onderlinge verschillen konden verenigen in een praktisch burgerbesef - werden in de loop van een enkel decennium vervangen door die van een progressief cultuurrelativisme. De oude burgerzin maakte plaats voor een bijna grenzeloos individualisme, dat talloze uitbundige vormen aannam en het openbare leven zowel veelkleurig als gecompliceerd maakte.
Het cultuurrelativisme had een prijs. De burger leerde zichzelf dat hij zijn hoofd moest afwenden bij uitingen van individuele excessen, die aan weinig grenzen werden gebonden zolang anderen daar niet direct hinder van ondervonden, zo werd hem voorgehouden. Traditionele calvinistische deugden - denk aan ijver, zuinigheid, orde en netheid - bleken niet alleen machteloos te zijn in de confrontatie met de seksuele en genotzoekende bandeloosheid, die klassieke deugden werden in een nieuwe culturele omgeving steeds meer bespot tot ze uit het openbare leven leken te zijn verdwenen.
Nederland werd een 'gedoogland'. De talloze vormen waarin het excessieve zich openbaarde, vroeg om een zeer groot acceptatievermogen van het niet-participerende deel van de bevolking, dat niets anders kon dan een `zwijgende meerderheid' te worden. Tolerantie, zo begonnen we dat te noemen. We wilden bijna niets te gek vinden en iedereen zijn eigen afwijking gunnen.
De progressieve media- en cultuurdragers en intelligentsia waren de sterkste verdedigers van de nieuwe open samenleving. Zij waren overwegend afkomstig uit de groeperingen die de culturele revolutie van de jaren zestig hadden geleid. Terwijl in de jaren zeventig de oude politiek voor haar bestaan vocht, ontstond een nieuwe publieke opinie die beheerst werd door radicale tot gematigde linkse journalisten, schrijvers en intellectuelen, die de vertegenwoordigers van de oude regentencultuur in het defensief drongen en burgerlijke ongehoorzaamheid tot de deugden van het nieuwe Nederland verhieven.
De traditionele overheid wist daar aanvankelijk geen raad mee. De veldslagen in de jaren zeventig tussen de politie en `autonome krakers' konden rekenen op een grote sympathie van de linkse intelligentsia, ook al was het duidelijk dat het geweld zich niet alleen tegen de politie richtte maar ook een bedreiging vormde voor het openbare leven: het geweld werd door bijna driftmatige, anarchistische en anti-burgerlijke krachten gevoed.
Te vaak gooiden de wanhopige autoriteiten, die ook zelf aan de legitimiteit van hun gezag waren gaan twijfelen, het op een akkoordje met de krakers, die daarmee op revolutionaire wijze het eigendomsrecht van woonruimte verwierven en deze niet altijd voor gemeenschappelijke doeleinden benutten; een indrukwekkend aantal van de meest kostbare appartementen in de Amsterdamse binnenstad is op deze manier van eigenaar gewisseld.
In de open samenleving, waarin het gezag en de ordehandhaving geridiculiseerd waren, explodeerden de criminaliteitscijfers. Zoals de tijdsgeest vereiste, werd criminaliteit voornamelijk in verband gebracht met de sociaal-economische omstandigheden van de daders, en de straffen werden in toenemende mate symbolische antwoorden van een samenleving die geen maat meer kon- houden: op basis van welke waarden en normen legitimeerde deze samenleving zich, waarom zou naar het schuchtere gefluister van het vroegere Nederland, neergeslagen in rechten en plichten die tot voor kort voor de meeste burgers vanzelfsprekend waren, meer geluisterd moeten worden dan naar de punk en hardrock van het vrijgevochten individualisme? De cultuurrelativistische leer zei toch dat alles gelijkwaardig was?
Het leek erop dat de `zwijgende meerderheid' zich aan de nieuwe vrijheden, die niemand precies kon omschrijven, had overgegeven, maar dat was - zo is na Fortuyn duidelijk - optisch bedrog. Wat geen optisch bedrog was, was de annexatie van de openbare ruimte en het publieke debat - de straat, de media, de politiek, de kunsten - door vertegenwoordigers van het excessieve libertaire. Het gebruik van marihuana en hasjies werd gedoogd, geen enkele vorm van seksuele beleving - inclusief pedofilie'- werd in de jaren tachtig als onbehoorlijk (alleen het woord al!) beschouwd, en alles wat generaties lang tot de normale conventies behoord had, werd nu een veronachtzaamd deel van een eindeloos breed waardenspectrum waarin geen centrum, geen norm, meer zichtbaar was.
Door het ontbreken van dwingende normen waarmee de overheden een stringente hiërarchie konden uitdragen, werden individuele opwellingen en traditionele waarden aan elkaar gelijkwaardig gemaakt. In Amsterdam ontstond een diep cultureel en ideologisch vacuum waarin anarchie en chaos heersten - we noemden het vrijheid. Gangsters, zakkenrollers en drugdealers kregen vrij spel omdat de overheden in crises verkeerden over de regels die gehandhaafd moesten worden. De vooruitstrevende publieke opinie had het primaat van de overheidsrepressie, en de daarmee samenhangende waarden en normen, volledig uitgehold zonder dat daarmee nieuwe paradigma's waren voortgebracht. `Alles moet kunnen' werd de lijfspreuk van de nieuwe tijd; zijn propagandisten behoorden tot marginale groepen die in staat waren geweest het publieke debat te monopoliseren.
Onder de oppervlakte had de moraal van de zwijgende meerderheid de culturele omslag van de jaren zestig grotendeels onbeschadigd overleefd. Maar die ouderwetse burgerlijke moraal speelde geen rol in het publieke debat omdat er geen behoorlijke conservatieve intelligentsia was die deze kon representeren - de uitzondering vormt Frits Bolkestein, die jarenlang is bespot en weggehoond. Weliswaar was de publieke opinie stevig in handen van de linkse intelligentsia, die op basis van verkeerd begrepen ideeen over orde en vrijheid de openbare ruimte had laten verloederen, maar het oude burgerlijke fatsoen bleef onderdeel van het bestaan van de zwijgende meerderheid - veel mensen bleven het gevoel houden dat er iets niet klopte bij dat voortdurende wegkijken, of het nou bij de Gay Parades in Amsterdam was, bij het getreiter van hangjongeren bij busen tramhaltes, of bij de overwaardering van sociaal-economische factoren bij extreem afwijkend gedrag van groepen en individuen, en ga zo maar door.
Vanaf de jaren zestig is de overheidsrepressie aan een terugtocht uit het openbare leven begonnen. Velen hebben de indruk dat zij alleen opduikt op plekken waar de overheid weinig tegenstand verwacht (bonnen bij te hard rijden, fiscale overtredingen) maar aarzelt wanneer scherpe lijnen getrokken moeten worden die op sterke fysieke en ideologische weerstand stuiten.
Uiteindelijk stoelt de handhaving van de openbare orde op overheidsrepressie, en deze legitimeert zich met het waarden- en normbesef van een zelfbewuste burgerij - alle begrippen die in de cultuurrelativistische zedenguerrilla van de afgelopen dertig jaar verdacht gemaakt zijn.
Het `gedogen' is begonnen bij de legitimatiecrisis rond de krakersrellen, en daarmee het massale wegkijken. Ook René Steegmans, die niet weg kon kijken, is daarvan het slachtoffer geworden. Gedogen is wegkijken. Wegkijken is gedogen. Het was lange tijd een kwaliteit. We hebben ons ernstig vergist.
Leon de Winter is schrijver. `