Achtergrondartikel niet gemakkelijk
Politiek en moraal in het maatschappelijk debat over waarden en normen”
prof. dr Kees Klop
Studiecentrum Soeterbeeck
3 april 2003
“Het fatsoen voorbij.
- 1. Er is een probleem
Omdat ik vanmorgen college moest geven heb ik Andreas Kinneging niet gehoord, maar ik ga ervan uit dat hij hetzelfde naar voren heeft gebracht als toen hij op een besloten symposium op het ministerie van Algemene Zaken sprak op 25 november jl. Andreas gaf daar als diagnose dat het in het zogenaamde waarden- en normendebat gaat om
- (1) criminaliteit, zoals die zich uit in zinloos geweld, beroving en diefstal. De cijfers wijzen uit dat dit niet kwantitatief is gestegen, maar wel kwalitatief verhard. Bovendien is het niet meer te localiseren in bekende criminele gebieden, maar komt het overal voor en is de confrontatiekans dus hoger.
- (2) a-sociaal gedrag, zoals die zich uit in pesten op school en werk, in hufterigheid, dingen van een ander kapot maken, onzorgvuldigheid en nalatigheid, brutaal en onhoffelijk gedrag. Ook dit is onmiskenbaar toegenomen.
Als oorzaken wijst Kinneging op (a) een gebrek aan gemeenschapszin en verantwoordelijkheidsbesef, die zijn ingeruild voor de 24-uurs-economie en op (b) een gebrek aan zin voor het geestelijke, die is ingeruild voor vervlakking en sensatie.
Ik ben geneigd om deze botsing tussen de 24-uurseconomie en sensatiezucht enerzijds en de gemeenschapszin, het verantwoordelijkheidsbesef en de zin voor het geestelijke anderzijds, op te vatten als een botsing tussen
- marktwaarden als efficiency en op geld gewaardeerde beleidseffectiviteit enerzijds en
- de sfeer-eigen normativiteit van de verschillende sectoren van de samenleving anderzijds.
Met sfeer-eigen normativiteit bedoel ik dat de sectoren van de samenleving een eigen kwaliteit behoren na te streven, waaraan het economische in dienst behoort te staan en dus ondergeschikt is. Zoiets als Michael Walzer de spheres of justice noemt en Herman Dooyeweerd de soevereine kringen. Dat begrip soevereiniteit sloeg niet op de leidinggevenden in de zuilen of op een afkeer van overheidsinmenging, maar op de normativiteit die soeverein diende te zijn in de kringen. Ook bij katholieke personalisten zoals Jacques Maritain en Emmanuel Mounier tref je zulke opvattingen over de kwalitatieve verscheidenheid van maatschappelijke sferen. Welnu, die sfeer-eigen normativiteit legt het mijns inziens thans vrijwel overal af tegen een op geld verkrijgen op welke wijze dan ook afgeplatte economische concurrentie- en calculatie moraal. Niet alleen bij de omgangsvormen in het openbare leven, waartoe het waarden- en normendebat verengd is, maar in vrijwel al de sectoren van de samenleving. Misschien is de kerk wel de enige uitzondering en wordt zij daarom zo sukkelig gevonden door de dominante spraakmakers.
Ik geef een paar voorbeelden om het waarden- en normen debat te verbreden naar andere sferen dan de omgangsvormen in het straatleven. Bijvoorbeeld in de sport zijn de clubs geen verenigingen meer maar bedrijven, waar fair play niet centraal staat, maar een grens vormt die bij het geld verdienen niet al te opzichtig mag worden overschreden.
In het bedrijfsleven zelf, waar ’s lands grootste kruidenier niet meer op de kleintjes lette, daarmee zijn kernwaarde losliet en het vertrouwen van zijn klanten schond..
In het door de media gevormde openbare marktplein, waar een winstbeluste onderneming en een half miljoen kijkende consumenten voldoende zijn om legaal geweld en porno op open kanalen te mogen uitzenden, of tieners geld uit de zak te kloppen met een ingenieus sms-systeem.
De brochure voor dit seminar voegt daar aan toe dat ook de overheid zelf aan deze kwaal lijdt, als men signaleert dat de overheid zelf niet in staat blijkt te handelen volgens door haarzelf gepropageerde waarden en normen. Die signalering wordt ondersteund door evidentie als we bijvoorbeeld kijken naar de parlementaire enquête over de bouwfraude, waarbij de overheid mede oorzaak was van een criminogene situatie en tegelijk ook zelf gevoelig bleek voor corruptie. Ministers bleken de problemen te hebben benaderd vanuit het criterium wat het beste was voor de Rijksbegroting en het realiseren van de beleidsvoornemens en niet vanuit een cultivering van het rechtsbewustzijn. Efficiency en effectiviteit worden belangrijker gevonden dan de rechtvaardigheid die het overheidsoptreden altijd moet bepalen, wil zij niet tot een bedrijf verworden. Er gaat van zulke conclusies in een enkel exemplarisch lijkend geval een enorme morele signaalwerking uit naar de bevolking. Het is nog verder versterkt door de strapatsen van de LPF, die moreel hoog van de toren blies, maar zelf het toonbeeld van zakken vullen en grofheid bleek te zijn.
Dit gebrek aan integriteit is een ernstige handicap voor een overheid, die serieus wil proberen de door Kinneging genoemde twee problemen te lijf te gaan. Dat vergt niet alleen een intelligente en consequente inzet van politie en justitie, alsmede een betere inbedding van de mededingingspolitiek in hogere doelen van het overheidsbeleid, maar ook een cultuurpolitiek die mikt op vergroting van het rechtsbewustzijn en de burgerzin. Een aparte vraag betreft de rol van de overheid met betrekking tot de verbetering van de omgangsvormen. Ik ben ervan overtuigd dat de overheid inderdaad serieus wil proberen de burgerzin te versterken. Zij start één dezer dagen ook een communicatiecampagne over waarden en normen. Wij kunnen kritiek hebben op de aanpak van de overheid, maar we mogen ons er niet sceptisch van afkeren, want het onderliggende probleem is er wel degelijk. Daarom loont het de moeite om vandaag over al deze kwesties na te denken.
[2. Is het een moreel probleem ?
Deze paragraaf spreek ik niet uit. Vormt geheugensteuntje bij de discussie.
Kinneging diagnosticeert in termen van morele ontwikkelingen. Als ethici vinden we dat prachtig, maar we moeten ons afvragen of dat niet een te beperkt blikveld is. Er zijn ook economisch, sociologisch en politicologisch te duiden ontwikkelingen aan te wijzen, die het probleem versterken, zoals de globalisering, de migratie en de afname van het beleidsvermogen van nationale staten. Voorts de informatietechnologie. Ik ben er echter van overtuigd dat de oorzaken van de door Kinneging genoemde problemen al ontstaan zijn voordat er sprake was van globalisering, migratie en informatietechnologie. Zelf wijst hij het romanticisme van de jaren ’60 aan als het beginpunt van een ontwikkeling van individualisering en subjectivering van de moraal. Die ontwikkeling liep gelijk op met een afname van de aanhang van het tot dan toe dominerende christelijk geloof en het burgerlijk fatsoensethos, zonder dat het gat gevuld werd door een andere weloverwogen levensovertuiging, als bijvoorbeeld het humanisme, die als draagvlak zou kunnen fungeren voor rechtsbewustzijn, burgerzin en omgangsvormen. Zo bezien zou Kinneging gelijk kunnen hebben met zijn morele analyse.
De jaren ’60 kunnen echter op hun beurt weer geanalyseerd worden als begrijpelijke reactie op de benepenheid van het burgerlijk fatsoen van de jaren ’50 en als een verlate secularisering, die in minder verzuilde landen al eerder aansloeg. Zo kun je doorgaan. Per saldo komen velen uit bij de modernisering uit die in de late Middeleeuwen inzette. Maar ook die vormde geen onbewogen beweger van latere ontwikkelingen. Je kunt verdedigen dat de modernisering op zijn beurt een begrijpelijke reactie vormde op een Middeleeuwse cultuur waarin de religie ten onrechte totalitaire trekken had aangenomen.
Daarom ben ik geneigd om het probleem te bezien als een wisselwerking tussen sociale, economische en politieke structuren en moreel en religieus geïnspireerde culturen die aan deze structuren zin verlenen. Het is niet zo dat de economische onderbouw de morele bovenbouw beslissend bepaalt, evenmin als het omgekeerde het geval is. Ze kunnen niet zonder elkaar. Elke generatie staat voor de uitdaging die twee met elkaar in overeen stemming te brengen. Onze tijd vergt een mondiale politieke structuur die op rechtvaardigheid stoelt en om samenlevingssferen met een eigen normativiteit. Die twee moeten de economie en de technologie van een zinvol kader voorzien. Met inachtneming van dit perspectief is een ethische analyse van de ontwikkelingen zinvol.]
- De waarden en normen van de overheid
Wat zijn nu die waarden en normen van de overheid zelf en welke betekenis hebben zij voor het rechtsbewustzijn, de burgerzin en de omgangsvormen ? Om te beginnen is het opmerkelijk dat de Nederlandse regering in haar brief van 4 oktober aan de Tweede Kamer over het normen- en waardendebat, vier waarden noemt: respect, verantwoordelijkheid, solidariteit en opofferingsgezindheid. De brochure van ons seminar zegt dat het om fatsoen en autoriteit gaat, maar die twee begrippen komen in de kabinetsbrief dus niet voor. Net als onze brochure lijkt ook het kabinet het fatsoen dus voorbij en baseert men zich op een ruimere set van waarden. Dat is van belang voor onze probleemstelling vandaag
Waarden en normen waar regeringen zich op baseren zijn over het algemeen terug te leiden tot de beginselprograms van de politieke partijen die aan het kabinet deelnemen. Meestal vind je ze terug in de pre-ambules van het regeeraccoord. Dat gold voor de Paarse kabinetten en dat geldt voor het nog steeds zittende kabinet.
Zeker vormen waarden niet de enige drijfveer voor politici. Ook belangen en machtsverwerving en –behoud vormen drijfveren en zij kunnen het morele naar de achtergrond drukken. Ik ben er echter van overtuigd dat politieke stromingen als die welke ons politieke systeem wat meer blijvend bezetten, gebaseerd zijn op waarden en ook op langere termijn niet zullen overleven als zij die waarden niet vroeg of laat hun beleid laten bepalen. Die waarden zijn er niet alleen als middel om macht te verwerven door kiezers te paaien. Kiezers laten zich niet blijvend paaien als partijen te lang macht en belangen plaatsen boven de waarden op grond waarvan zij de kiezers geworven hebben. Zowel het verlies van het CDA in 1994, als die van het Paarse kabinet in 2002, als die van D66 in 1998 en 2002 laten zich daaruit goed verklaren.
Kijken we naar de beginselprograms van de politieke partijen dan zien we dat
- de VVD zich baseert op vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid. Voor de niet-politieke samenlevingsverhoudingen prijst men zelfs naastenliefde en liberale broederschap aan.
- De PvdA baseert zich op gelijkheid, vrijheid en solidariteit. We zien hier al meteen dat verschillende partijen dezelfde waardenbegrippen gebruiken. Het verschil tussen de partijen zit hem vooral in de rangorde: bij de PvdA staat gelijkheid voorop, bij de VVD vrijheid. Die rangorde is beslissend voor het zingevende verhaal waarin deze waarden hun plaats hebben. Die verhalen zijn volgens mij nog steeds relevant voor de beleidsvorming van deze partijen. Duurzaamheid komt bij beide partijen niet zelfstandig voor, maar is een afgeleide van vrijheid en gelijkheid voor toekomstige generaties.
- Het CDA baseert zich op gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap.
Ik laat de kleinere partijen nu even buiten beschouwing. De LPF is toch vooral een gevolg van de neo-liberale koers die de PvdA is gaan varen onder Paars en je ziet dat de kiezers meteen weer terugkeren zodra Bos weer aan de vertrouwde waardenrangorde appelleert. D66 is een sociaal-liberale partij met pragmatische inslag. De kleine partijen ter linker en rechterzijde manifesteren zich vooral als radicalisering van waarden die de grote partijen in principe ook hebben, maar niet voldoende waarmaken.
We zien dus dat er een groot reservoir van waarden is waarop de politiek zich kan baseren en zich – met in achtneming van het voorbehoud dat ik maakte terzake van de rol van macht en belangen - in wisselende coalities feitelijk ook baseert. In het Paarse regeeraccoord troffen we een pre-ambule waarin de individuele vrijheid voorop werd gesteld, terwijl aan de andere waarden die de regeringspartijen aanhangen (zoals duurzaamheid, solidariteit, verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid) lippendienst werd bewezen. Zij fungeerden als correcties op deze vrijheid die in de verwachting van het kabinet door autonome en bevrijde burgers spontaan zouden worden opgebracht. Paars was wat dat betreft niet het begin van iets nieuws, ook al leek dat zo, maar de apotheose van het romanticisme en de secularisatie die in de jaren ’60 waren begonnen.
Deze verwachting van het kabinet dat vrije en gelijke burgers spontaan rechtsbewustzijn, burgerzin en goede omgangsvormen zouden cultiveren, is niet uitgekomen. In tegendeel de criminele en sociale aberraties die de probleemstelling van het waarden- en normendebat vormen, lijken het gevolg te zijn van een te hooggespannen verwachting bij de neo-liberalen terzake van de mensen die zij regeerden. Met name Fortuyn heeft de vinger op deze zere plek gelegd en het CDA heeft daarvan geprofiteerd, maar was er op eigen kracht niet toe in staat die oppositie een overtuigend gezicht te geven.
- De Achillespees van het liberalisme
Mijn analyse spitst zich dus toe op de rol die het neo-liberalisme heeft gespeeld in de teloorgang van rechtsbewustzijn, burgerzin en omgangsvormen, in combinatie met een zwakke christen-democratie en een PvdA die er vatbaar voor bleek. Ik wil daarom wat dieper op deze liberale moraal ingaan.
De liberale politieke overtuiging is gebaseerd op drie leerstukken:
- het negatieve vrijheidsbeginsel: elk individu komt een eigen vrijheidsdomein toe, waarop de overheid zo min mogelijk inbreuk mag maken. Het individu is soeverein in dit domein. Het mag zelfs zichzelf schade berokkenen. Daar mag niet tegen worden opgetreden. Voorbeeld: de plicht tot het dragen van een valhelm of autogordel is door liberalen alleen aanvaard omdat de schade bij niet dragen tot kostbare revalidatie leidt die door belastingen en premies bekostigd moeten worden, wat de vrijheid van de belastingbetalers teveel aantast.
- de moreel neutrale overheid: de vrijheid van het individu mag alleen worden beperkt op grond van argumenten die voor iedereen toegankelijk zijn. Religieuze en morele argumenten die alleen voor de aanhangers gelden, mogen daarvoor niet worden gebruikt. Moraal en religie zijn een zaak van de individuen.
- het schadebeginsel: individuele vrijheid vindt zijn grens in de schade die het individu toebrengt aan de vrijheid van een ander. De overheid moet individuen daarbij tegen elkaar beschermen.
De eerste twee pijlers van het liberale politieke denken nopen tot onthouding van de overheid in morele kwesties. Het rechtsbewustzijn, de burgerzin en de omgangsvormen moeten geheel van buiten overheid komen, zelf mag zij daaraan niet bijdragen. De derde pijler zou wel een aanknopingspunt kunnen opleveren. We concludeerden immers dat burgers elkaar schaden, zowel door middel van een verharding van de criminaliteit als door middel van verloedering van de omgangsvormen. De overheid dient volgens de liberale overtuiging op te treden tegen schade.
Daarbij rijst echter een probleem: er bestaat een latente tegenstelling tussen de eerste pijler die de overheid tot onthouding noopt terzake van de individuele vrijheid en de derde pijler die de overheid tot optreden aanzet als de ene vrijheidsbeleving de andere schaadt. Veel schade leidt dan tot veel overheidsoptreden, waarmee de vrijheid in het geding komt. Dat is een probleem. Liberalen hebben twee oplossingen voor dit probleem:
- de eerste oplossing luidt dat je niet zo snel moet spreken van schade waartegen de overheid moet optreden. Volgens de liberale politieke filosofie dient de overheid pas op te treden als er sprake is van aantasting van basale belangen, die iedereen deelt en die nodig zijn om tot een goed leven te kunnen komen, zoals gezondheid, inkomen en eigendom. Meer persoonlijk gekleurde belangen vallen daar niet onder. En ook neerbuigende of minachtende opinies leveren geen schade op, waartegen de overheid moet optreden. Enkel morele verontwaardiging over een gedraging is onvoldoende reden voor overheidsinterventie (vgl. de discussie over kooigevechten). Dat is nogal relevant in onze discussie over omgangsvormen en verloedering. De overheid hoeft tegen hufterigheid niet op te treden volgens de liberale doctrine.
Dat ligt anders bij criminaliteit, zeker bij aantasting van veiligheid en eigendom. Ook als er wel sprake is van aantasting van zulke basale belangen, blijven er volgens de doctrine echter nog steeds restricties in de zin dat de schade omvangrijk moet zijn, met grote waarschijnlijkheid moet optreden (vgl de late liberale instemming met een rookverbod, of de discussies over het broeikaseffect), dat men niet vrijwillig ingestemd moet hebben met risicovolle handelingen en dat schade uit eerlijke competitie en concurrentie geen overheidsoptreden vergt. Per saldo levert het schadebeginsel dus een zeer beperkt motief op voor overheidsoptreden. Individuen moeten nogal wat schade tolereren of zelf oplossen in een liberale samenleving. De overheid komt niet gauw tussenbeide.
- b. De tweede oplossing die liberalen opperen is van morele aard. Met name onder Bolkestein onderkenden sommigen in de VVD dat een liberale overheid wel degelijk een liberale moraal behoeft in de samenleving. Het vrijheid-blijheid-liberalisme van de jaren ’80 had toch ook veel ontsporingen opgeleverd, zo concludeerde men uit de criminaliteitsstatistieken, die ongeveer gelijk opliepen met de electorale steun voor de VVD. Het rechtsbewustzijn, de burgerzin en de omgangsvormen dienen gestempeld te zijn door fatsoen, respect voor de eigendom en voor de wet. Bolkestein, die onderkende dat de secularisatie en de individualisering en subjectivering van de moraal de invloed van traditionele morele instituties zoals de kerken hadden doen eroderen, was op enig moment zelfs bereid om het leerstuk van de moreel neutrale overheid te laten varen ten gunste van de staat als liberale zedenmeester. Dat punt heeft hij niet kunnen maken en het is me opgevallen dat hij bij zijn afscheid van de Tweede Kamer in Trouw meedeelde dat hij terugkijkend op zijn loopbaan het meeste spijt had, dat hij dat punt niet harder had doorgezet. De VVD concludeerde dat men zelf als politieke partij voldoende in staat zou zijn om - niet via de overheid, maar in rechtstreeks contact met de burgers - de liberale waarden uit te dragen. Evenmin had men behoefte aan een verklaring in het beginselprogram die verwees naar het belang van christendom en humanisme als pijlers van de westerse beschaving. De liberale waarden werden als zelfdragend beschouwd.
We kunnen nu uit de politieke en maatschappelijk consensus over de noodzaak van waarden- en normenherstel concluderen dat dit onvoldoende het geval is geweest. De vrije burgers hebben niet uit zichzelf de verdraagzaamheid en de verantwoordelijkheid ontwikkeld die naast vrijheid ook in het liberale ethos genoemd worden. De VVD is als politieke partij niet bij machte gebleken dit ethos ingang te doen vinden.
- PvdA
De Partij van de Arbeid heeft na het afschudden van de ideologische veren eenzelfde optimisme gekoesterd. Er zijn verschillende varianten geschreven van een concept-beginselprogram waarmee men sinds eind jaren ’80 probeert tot een actualisering van het gedachtengoed te komen. Het vigerende beginselprogram dateert van 1977 en bepleit nog nationalisatie van het bank- en verzekeringswezen en de grote industriëen ! Geen van deze varianten heeft de eindstreep gehaald.
Naar mijn indruk speelt het de partij parten dat beginselen synoniem worden verklaard met ideologie. Ideologie is typisch een term uit de moderniteit, die berust op een groot vertrouwen in rationele, wetenschappelijke en dus universeel geldige opvattingen over de wenselijke inrichting van de samenleving. Het is niet vreemd dat politici in postmoderne tijden dat begrip niet meer willen gebruiken. Tegelijk weerhoudt hen dat echter om een meer adekwate formulering van hun waardengebonden beleidsperspectieven te accepteren, bijvoorbeeld de term politieke overtuiging. In een politieke overtuiging komt wel een sterke morele inzet naar voren, maar niet meer het moderne vertrouwen in universeel geldige, rationele maatschappijtheorieën.
Ook het laatste concept-beginselprogram van de PvdA “Tussen droom en daad” (2000) weigert uit vrees voor herideologisering een keuze te maken tussen vrijheid, gelijkheid en solidariteit, dan wel een vaste rangorde tussen deze waarden te accepteren. Telkens moet na discussie naar bevindt van zaken gehandeld worden. Deze naar het pragmatisme neigende opstelling droeg de opstelling van de partij in de neo-liberale Paarse kabinetten, waar in feite de waarde vrijheid stelselmatig de voorrang kreeg boven solidariteit en gelijkheid. Dit niet willen kiezen voor een waardenrangorde tussen vrijheid, gelijkheid en solidariteit speelt de partij nog steeds parten als Bos verweten wordt onvoorspelbaar te zijn.
In een eerder concept ’De rode draden van de sociaal-democratie” zat bovendien een interessant theoretisch concept inzake de normativiteit van de verschillende sferen van de samenleving, dat door de auteurs Willem Witteveen en Margo Trappenburg rechtstreeks ontleend was aan Michael Walzer. In “Tussen droom en daad” is het verdwenen om voor mij onbegrijpelijke redenen. Dat valt te betreuren want het zou juist in de lopende kabinetsformatie een belangrijk aanknopingspunt bieden met de theorie van de soevereiniteit in eigen kring. Dat zou een gezamenlijk draagvlak kunnen bieden voor beleid dat in de verschillende sectoren van de samenleving de eigen normativiteit van de sector weer de boventoon wil laten voeren.
6. Het CDA
Het CDA kapitaliseert nu op deze liberale Achillespees en op de normatieve onduidelijkheid van de sociaal-democratie. De christen-democraten zijn heel wat minder beducht voor zedenmeesterij van de overheid en voor overheidssteun aan maatschappelijke organisaties die waarden en normen kunnen uitdragen, zoals het gezin, het bijzonder onderwijs en de omroep, maar hadden door hun verknochtheid aan de macht tot 1994 flink aan ideologische geloofwaardigheid ingeboet. Balkenende heeft die geloofwaardigheid hersteld, maar moet nog laten zien dat hij de juiste cultuurpolitiek, ondersteund door een effectieve criminaliteitsbestrijding en indamming van het primaat van de economie, ook daadwerkelijk zal voeren en dat dit tot het beoogde herstel van rechtsbewustzijn, burgerzin en omgangsvormen zal leiden.
- Conclusie: botsing van waarden
De gemaakte analyse tot dusver wijst uit dat er niet zozeer sprake is van een herstel van normen en waarden. Veeleer is er een botsing tussen de
- waarde ‘individuele vrijheid’ en de daarvan afgeleide norm ‘zelfbeschikking’, die geamputeerd van de in het liberale verhaal bijbehorende waarden tolerantie, sociale rechtvaardigheid, fatsoen en respect een eigen leven is gaan leiden enerzijds en
- waarden die betrekking hebben op relaties tussen mensen, zoals solidariteit, respect, menselijke waardigheid, liefde, vertrouwen, integriteit en duurzaamheid, anderzijds.
Het gaat niet om normen en waarden tegenover banaliteit, maar om relationele normen en waarden tegenover een zich niet verantwoordend beroep op vrijheid en zelfbeschikking. De liberale politieke inzet is niet bij machte gebleken om haar eigen Achillespees te vermijden.
Het oplossen van die waardenbotsingen is nog niet eens zo eenvoudig. Vrijheid is ons diep in de culturele genen gaan zitten, zoals ook bleek uit de gespleten opstelling van LPF-voormannen die vooral een herstel van fatsoen bij anderen bepleitten, maar zichzelf daar niet naar gedroegen. Het blijkt ook uit de ambtelijke en politieke cultuur die voorrang geeft aan een bedrijfsmatige opstelling van de overheid waarbij waarden uit het economisch verkeer, zoals efficiency en effectiviteit voorrang krijgen boven rechtvaardigheid en integriteit. In de universiteit lijkt het soms niet veel anders toe te gaan. Zulke manifestaties geven aanleiding tot bezinning. We zullen er nog wel meer nodig hebben. We zullen in een telkens herhaald moreel discours elkaar moeten aanspreken en overtuigen van nieuwe afwegingen tussen zelfbeschikkende vrijheid en relationele waarden. Die afwegingen zullen moeten leiden tot een hernieuwd rechtsbewustzijn en burgerzin en worden geïnstitutionaliseerd in omgangsvormen en politieke, economische en andere samenlevingsstructuren. Kansloos is dat allemaal niet.