Geef mij meer fatsoen en minder recht! (2004)

het recht kan niet alles verbieden..dus


 uteur: Prof. John Griffiths

De vrijheid van meningsuiting is voor een democratische samenleving fundamenteel. Daar kan iedereen het snel over eens worden. Maar wat dat fundamentele recht inhoudt en waar het ophoudt, daar begint de onenigheid. Theo van Gogh heette in de dagen na zijn dood een held van de vrijheid van meningsuiting. Daarna zag men in dat hij van dat recht weliswaar luidkeels gebruikt maakte, maar het recht zelf geen dienst had bewezen. Vorige week luidde de mening dat hij er misbruik van had gemaakt waarvoor strafvervolging op zijn plaats zou zijn. En deze week blijkt dat het artikel dat ‘godslastering’ strafbaar maakt beter verwijderd kan worden uit het Wetboek van Strafrecht. Er is toch iets grondig mis in een zo verwarde publieke discussie over wat heet een fundament van onze samenleving. Politici, juristen (en rechters) en burgerij lijken nauwelijks vertrouwd te zijn met de elementaire kenmerken van de vrijheid van meningsuiting.

De essentie van de vrijheid van meningsuiting is dat de overheid (inclusief de rechter) de inhoud van uitingen niet mag toetsen. Het kan kennelijk niet vaak genoeg benadrukt worden dat het daarbij vooral gaat om “the thought we hate” – immers, uitingen die geen sterke afkeer oproepen hebben geen bescherming van een fundamenteel recht nodig. De vrijheid van meningsuiting beschermt gevaarlijke, schandalige, provocerende, grievende uitingen: ‘er is geen holocaust geweest’, ‘zwarten zijn minder intelligent dan blanken’, ‘homo’s zijn erger dan dieven’, ‘het KNIL lijkt op de SS’, enzovoorts. Het lijdt geen twijfel dat vele mensen door dergelijke uitingen ernstig gekwetst of van hun zekerheden beroofd kunnen worden, en meestal

is dat de bedoeling. De ervaring van vele eeuwen leert echter dat vrije meningsvorming en de publieke discussie van kwesties van algemeen belang zich niet verenigen met rechterlijke toetsing van de inhoud of de bewoordingen van wat te berde wordt gebracht. De schade die het vrije woord ongetwijfeld berokkent is de prijs die betaald moet worden voor het grootste rechtsgoed dat een vrije samenleving kent.

Godsdienst neemt in dit alles geen bijzondere positie in. Voor zover het uitingen betreft voegt de vrijheid van godsdienst weinig toe aan de vrijheid van meningsuiting. Een uiting die niet beschermd is door de vrijheid van meningsuiting – bijvoorbeeld omdat het om “fighting words” gaat die onmiddellijk zelfverdedigende agressie oproepen - geniet niet alsnog bescherming alleen omdat men zich op een heilige tekst beroept. Immers, zoiets zou niet kunnen zonder een oordeel te vellen met betrekking tot de autoriteit en de juiste interpretatie van die tekst, zaken waar de staat en de rechter zeker buiten moeten blijven. Dus toen Van Dijke zich op de bijbel beriep om zijn kwetsende opmerkingen over homo’s te rechtvaardigen, heeft de rechter dit verweer ten onrechte geaccepteerd (maar een beroep op vrijheid van meningsuiting had wel moeten slagen). Indien Osservatore Romano het recht heeft van het Groningse protocol voor levensbeëindiging bij ernstig lijdende pasgeborenen te beweren dat het om ‘nazi’ praktijken plaatsvinden, dan is dit niet omdat de Paus dat vindt, maar omdat hoe absurd en kwetsend ook, wat het recht betreft zoiets gezegd mag worden.

© 2004 Rechtenforum