EEN HOERA VOOR DE BURGERLIJKHEID (1998)

Nederland is vaak beschouwd als een typisch burgerlijk land. Bekend is de uitspraak van Johan Huizinga in Nederland's geestesmerk (1934): 'Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër.'

Dit citaat duikt vanzelfsprekend ook op in De stijl van de burger, een recent verschenen essaybundel. De redacteuren, de historici Remieg Aerts en Henk te Velde, merken op dat, hoewel Nederland ontelbare malen gekarakteriseerd is als een burgerlijke natie, er weinig onderzoek is gedaan naar de kenmerken van die vaderlandse burgerlijkheid.


Volkskrant 9-10-98

Door Gerry van der List

WIJSHEID, dat is een eigenschap die je al gauw met haar in verband brengt. Door Theo Sontrop is ze ooit aangeprezen als de nieuwe Renate Rubinstein, maar haar bedachtheid, bedaardheid, nuchterheid en discretie verschillen sterk van de opgewondenheid en het geestelijke exhibitionisme van de vroegere Vrij Nederland-columniste.

Behalve nuchter is Beatrijs Ritsema ook burgerlijk, vertelt ze deze maand in een aardig Opzijinterview. Burgerlijkheid staat in haar ogen voor kwaliteiten als hard werken, ergens moeite voor doen, spaarzaamheid, soberheid, het vermogen behoeftenbevrediging te kunnen uitstellen, plichtsgevoel. Burgerlijkheid is iets om trots op te zijn.

Ritsema staat met deze opvatting niet - meer - alleen. Premier Kok bijvoorbeeld - zo ongeveer de personificatie van burgerlijkheid - riep onlangs op tot burgerzin. En Rudi Fuchs liet aan het tijdschrift Rails weten terug te verlangen naar de netheid van de jaren vijftig, toen jongeren nog keurig met twee woorden spraken en in de tram opstonden voor een oudere heer of dame. Burgerlijk fatsoen is het onbegrepen cement van onze maatschappij. Zonder geduld, normbesef en discipline zou een samenleving ontaarden.

De burgerij, zo lijkt het, vecht terug. Decennialang is zij belasterd en belachelijk gemaakt. Burgertrutten, burgerlulletjes, klootjesvolk - het zijn maar een paar termen waarmee de ruggengraat van de samenleving is aangeduid door kunstenaars, cabaretiers en andere alternatieve types.

Het gaat trouwens nog steeds door. Youp van 't Hek heeft in feite al zijn programma's gebaseerd op de ridiculisering van de burgerman. Als gekwetste burgers steeds aangifte zouden doen van belediging, zou het OM een hoop werk krijgen. Maar gelukkig is de burgerij daarvoor te ruimdenkend en te verdraagzaam.

Nederland is vaak beschouwd als een typisch burgerlijk land. Bekend is de uitspraak van Johan Huizinga in Nederland's geestesmerk (1934): 'Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër.'

Dit citaat duikt vanzelfsprekend ook op in De stijl van de burger, een recent verschenen essaybundel. De redacteuren, de historici Remieg Aerts en Henk te Velde, merken op dat, hoewel Nederland ontelbare malen gekarakteriseerd is als een burgerlijke natie, er weinig onderzoek is gedaan naar de kenmerken van die vaderlandse burgerlijkheid.

Als je haar kenmerken wel analyseert, zie je dat ons burgerlijk karakter verandert. Bij het woord burgerlijkheid, schrijft Aerts, denkt men al gauw aan de uniformiteit van brave nieuwbouwwijken met rijtjeshuizen en vier-etageflats. De indeling en inrichting van de woningen zijn, dank zij de meubelboulevard, Ikea en Blokker, grotendeels identiek.

Maar, stelt Aerts vast, de attitude van de bewoners is niet wat vroeger onder burgerlijk wordt verstaan. Modern Nederland is in de greep geraakt van een hedonistische levensstijl, gericht op zelfontplooiing, op 'bezig zijn met leuke dingen' en 'lekker jezelf zijn'. Dit consumentisme staat vrij ver af van de negentiende-eeuwse burgerlijke cultuur, die Aerts, samen met Te Velde, schetst.

De ouderwetse burgers wezen hedonisme juist af. Wat zij voorstonden, was in de eerste plaats zelfbeheersing. Een geordende samenleving vereiste in hun visie inperking van het driftleven. Vrijheid diende gepaard te gaan met verantwoordelijkheid, zelfonderzoek en aandacht voor innerlijk leven.

De vrijheid moest verdiend worden. Als sociaal wezen had de burger verplichtingen tegenover de gemeenschap. Hij behoorde een productief bestaan te leiden en zich in te zetten voor de publieke zaak. In de openbare sfeer, die zich kenmerkte door discussievrijheid en tolerantie, werden, vanuit allerlei particuliere organisaties, burgerdeugden gepropageerd. Dat is nog iets anders dan de wereld van Ikea en Blokker.

Aerts en Te Velde stellen dat de door hen beschreven burgerlijkheid sinds de eeuwwisseling geleidelijk is afgebrokkeld. In het bijzonder in de jaren zestig verwierpen de spraakmakers de ernst van de burgerlijke cultuur, die als benepen werd afgedaan.

De opkomst van de verzorgingsstaat betekende bovendien een verzwakking van het particulier initiatief en verantwoordelijkheidsbesef. De 'calculerende burger', de hedendaagse lamlendige egoïst die kan rekenen op verzorging van de wieg tot het graf, heeft geen boodschap meer aan een plicht, tot een productief bestaan.

Niemand wil de wereld van vóór de jaren zestig terug, zegt Aerts. Dat kan zijn. Toch blijft de combinatie van zelfstandigheid en betrokkenheid op de gemeenschap die volgens hem de klassieke burgerlijke cultuur kenmerkt, een waardevol goed.

We kunnen slechts feestvieren en behoeftigen ondersteunen als er genoeg mensen zijn die discipline kunnen opbrengen, hard werken, spaarzaam zijn, zich interesseren voor de publieke zaak. Dus als er genoeg mensen zijn die zich, net als Beatrijs Ritsema, Wim Kok en Rudi Fuchs, willen gedragen als ouderwetse burgers.