De falende burger (2004)

De moderne burger vindt dat de overheid de orde moet handhaven. Het probleem schuilt echter in de 'burger zelf, die ‘een kort lontje' en een torenhoge eigendunk heeft.

De moderne burger gedraagt zich in de openbare ruimte te snel als emotiebelever. Hij is heetgebakerd en snel aangebrand; hij kan niet of nauwelijks velen dat ande­ren zijn zelfexpressie in de weg zitten, of hem kritisch aanspreken op zijn emotiebeleving. Maar wat deze zelfbe­schrijving nog treffender, maar vooral ook problematischer uitdrukt, is de on­macht die de moderne burgers voelen om zichzelf in toom te houden. Als hun lontje opbrandt, en dat gaat snel, steken zij met een knal af. Zij kunnen zichzelf niet uitdoven - vinden zij dus ook van zichzelf. De moderne burger vindt dat van hem niet verwacht kan worden dat hij zichzelf grenzen stelt, en dat hij ook op eigen kracht die grenzen in acht kan nemen. Hij is met andere woorden on­herroepelijk transgressief.


Volkskrant 17-4-2004

 Door Gijs van Oenen

GordeI om? Das recht? Jij mag Amsterdam in!' Die nogal bizarre vermaning vormde de kop boven het interview dat NRC Handelsblad rond Kerst publiceerde met de Amsterdamse hoofdcommissaris Kui­per. Hoewel geen letterlijk citaat, vatte deze kop goed de visie van de korpschef samen: als de kleine normoverschrij­dingen maar vasthoudend genoeg wor­den aangepakt - en dat wil bij de politie zeggen geverbaliseerd - dan komt het met de grotere vormen van criminaliteit uiteindelijk ook wel goed. Zo gezegd, zo gedaan, en aldus besteedt de hoofd­stedelijke politie al geruime tijd een aanzienlijk deel van haar beperkte mankracht en middelen aan het bekeu­ren van fietsers die door rood rijden, of zonder achterlicht. Of in ieder geval wil zij die indruk doen postvatten.

Wie meent dat de politie zich serieus om de rechtsorde behoort te bekomme­ren, weet niet of hij nu moet lachen of huilen. Lachen, omdat deze theorie over de psychologische gronden van normoverschrijding nogal aanvecht­baar is. Hooguit is met deze aanpak bijvoorbeeld bereikt dat veel Amster­damse fietsers nu met LED-lampjes rondrijden. Is de rechtsorde daarmee nu echt zoveel opgeschoten?

Maar ook huilen, want de aansporing ‘Gordel om, das recht!' onthult tevens dat de Amsterdamse politiechef het niet nodig vindt om onderscheid te maken tussen een wettelijke verplichting, zoals het dragen van autogordels, en een wil­lekeurige sociale conventie, zoals het dragen van een das. En dan nog een die recht moet zitten ook. Rechtsnormen moeten niet verward worden met met sociale of morele conventies -'normen en waarden', in hedendaags politiek jar­gon. Zeker niet door de primaire wets­handhaver, de politie.

Nu zijn Kuipers uitspraken niet hele­maal een willekeurige uitbarsting van persoonlijke moraliteit. Hij reageert hiermee op een probleem dat in brede kring wordt gesignaleerd: de verloede­ring van de publieke sfeer. Iedereen kent de symptomen daarvan. Behalve het gewraakte fietsen zonder achter­licht gaat dat bijvoorbeeld om hufterig gedrag van automobilisten en anderen, overmatig en hinderlijk mobiel bellen (‘wildpraten', doopte Henk Hofland dat ooit), hooliganisme, en wanbetalen en intimideren in het openbaar vervoer. Tot het asociale gedrag behoort bij uit­stek ook het verstoord, boos of agressief reageren wanneer men op zulk gedrag wordt aangesproken.

Wat men ook verder denkt van het ‘normen en waarden'-initiatief van mi­nister-president Balkenende, het weer­spiegelt een breed gedeeld gevoel dat burgers flink de weg zijn kwijtgeraakt waar het gaat om normaal of fatsoenlijk gedrag in de publieke ruimte. De We­tenschappelijke Raad voor het Rege­ringsbeleid voegde daaraan toe dat er niet zozeer iets schort aan het inzicht van burgers in normen en waarden, maar bovenal in hun vermogen om ook zelf daarnaar te handelen.

Daar heeft de Raad helemaal gelijk in. Vaak wordt gedacht dat burgers vooral egocentrisch en kortzichtig zijn, in de zin dat ze vooral anderen verwijten zich niet of onvoldoende aan de regels te houden. Het zijn anderen die slecht autorijden, te weinig belasting betalen, of niet opstaan in de tram. Het zal best waar zijn dat veel mensen zo denken en dat zij een lage dunk hebben van ande­ren. Maar belangrijker en ook veront­rusterender is dat zij tegenwoordig ook zichzelf niet meer vertrouwen om te handelen naar door henzelf onder­schreven normen. Hun burgerschaps- vermogens schieten tekort - ook naar hun eigen idee.

Illustratief daarvoor is de verdachte van geweldpleging die, door de politie­rechter naar zijn motieven gevraagd, verklaart ‘een jongen met een kort lont­je' te zijn. Veel hedendaagse burgers zijn inderdaad licht ontvlambaar. Zij zijn snel te porren voor allerlei gemeen­schappelijke manifestaties van feest­vreugde, of juist van verdriet. Denk aan voetbalfinales, koninklijke festiviteiten, witte marsen en begrafenissen van pu­blieke figuren. Collectieve emotiebele­ving in de publieke ruimte maakt voor veel burgers deel uit van hun moderne lifestyle. Met deze activiteiten wordt niet speciaal een overtuiging of doel uitgedrukt; het is eerder een vorm van zelfexpressie, in collectief verband, ver­gelijkbaar met modetrends. Of mis­schien nog eerder met vuurwerk: ge­ruchtmakend, spectaculair, en voor ie­dereen zichtbaar, maar ook kortston­dig, min of meer ongericht en soms ronduit gevaarlijk.

Enerzijds getuigt de analyse ‘ik ben een jongen met een kort lontje' dus van een treffend zelfbegrip. De moderne burger gedraagt zich in de openbare ruimte te snel als emotiebelever. Hij is heetgebakerd en snel aangebrand; hij kan niet of nauwelijks velen dat ande­ren zijn zelfexpressie in de weg zitten, of hem kritisch aanspreken op zijn emotiebeleving. Maar wat deze zelfbe­schrijving nog treffender, maar vooral ook problematischer uitdrukt, is de on­macht die de moderne burgers voelen om zichzelf in toom te houden. Als hun lontje opbrandt, en dat gaat snel, steken zij met een knal af. Zij kunnen zichzelf niet uitdoven - vinden zij dus ook van zichzelf. De moderne burger vindt dat van hem niet verwacht kan worden dat hij zichzelf grenzen stelt, en dat hij ook op eigen kracht die grenzen in acht kan nemen. Hij is met andere woorden on­herroepelijk transgressief.

Diezelfde burger ervaart zijn eigen transgressiviteit echter wel degelijk ook als een probleem. Een probleem waar iets aan gedaan moet worden. Maar als hij zich daar zelf niet meer toe in staat acht, wie moet dat dan wel doen? Wie moet de grenzen van de moderne bur­ger bewaken? Nogal in strijd met de liberale logica van de autonome burger en de terugtredende staat verwacht de hedendaagse burger dat de overheid dit zal doen. Hoewel hij zich dood ergert als de. overheid hem flitst, bekeurt en meer in het algemeen regels stelt voor zijn gedrag (hoe vaak horen we niet klagen dat de ‘regeltjescultuur' het dy­namisch functioneren van ons burgers in de weg staat?), vindt de hedendaagse burger het nog veel erger als de over­heid de wet- en regelgeving niet hand­haaft. Hij roept dan boos dat hij de overheid toch niet serieus hoeft te ne­men, wanneer die zichzelf niet eens serieus neemt. Hij eist dat de overheid, in het bijzonder politie en justitie, niet langer gedogen. Er moet weer gewoon strikt worden gehandhaafd!

Zo komt een vicieuze cirkel op gang. De burger wil zijn eigen gang gaan, maar wil tegelijk dat de overheid voorkomt dat hij, in zijn eigengereidheid, de bocht uitvliegt. Dat lukt de overheid altijd onvoldoende, zodat nog meer on­vrede ontstaat bij diezelfde burger. Op hoge toon eist hij dat de overheid zich meer inspant, liefst ook zichtbaar en aantoonbaar -bijvoorbeeld door ‘meer blauw op straat' en ‘prestatiecontrac­ten'. Al snel ontstaat dan toch alweer onvrede, nu wellicht zelfs nog erger: de burger voelt zich nog steeds niet veiliger of hij vindt de dienstverlening niet be­ter, maar wel is er meer blauw op straat en aan de prestatiecontracten is ruim­schoots voldaan. Ergo: de normen moe­ten weer omhoog, frustratie en onvrede blijven, enzovoorts.

Het werkelijke probleem is echter niet dat de overheid ernstig zou dis­functioneren en niet naar de burger zou luisteren. Eerder is het juist omgekeerd: de hedendaagse burger verwacht iets van de overheid wat hij niet meer van zichzelf meent te hoeven verwachten. Naar zijn eigen idee, maar ook naar de heersende liberale leer. In de jaren ne­gentig is immers (door de paarse kabi­netten) tot vervelens toe benadrukt dat burgers ‘de ruimte moeten krijgen', ter­wijl de overheid aan die ruimte 'gren­zen zou stellen'. Met andere woorden, over die grenzen hoefden de burgers zelf niet meer na te denken. Waar ze lagen en wanneer ze werden overschre­den was een zorg van de overheid. Wat men ook van deze liberale filosofie in het algemeen denkt, op de houding van burgers in het publieke domein heeft zij een funeste uitwerking gehad. De typi­sche moderne burger wil wel zijn eigen preoccupaties en emoties in het publie­ke domein kunnen uiten, maar voelt zich niet meer verantwoordelijk voor de leefbaarheid van dat domein. Dat zoekt de overheid maar uit.

Of, in een radicaal liberale variant, problematische publieke domeinen moeten maar geprivatiseerd worden. Dan is in ieder geval duidelijk wie de ‘probleemeigenaar' is. Dat is het model van de Amerikaanse shopping mall. Burgerschap is dan geheel getransfor­meerd tot gecommercialiseerde emotie­beleving. Detectiepoortjes, camera's en private beveiligingsfirma's nemen de zorg voor de 'openbare' orde over.

Hoewel er ook in de echte openbare ruimte steeds meer camera's en beveili­gers komen, is het natuurlijk niet moge­lijk, en ook niet wenselijk, om het ‘vei­ligheidsprobleem' in het publieke do­mein op die manier op te lossen. De werkelijke ‘probleemeigenaar' is en blijft daar de burger zelf. Wanneer wij als burgers zouden bezwijken voor de verleiding om dat eigenaarschap uit handen te geven, dan houdt daarmee de publieke sfeer op te bestaan (en wordt zij vervangen door een moderne variant op politiestaat of Big Brother). Dat bur­gers zelf een leefbare publieke ruimte in stand kunnen houden, behoort tot de basisvoorwaarden van het bestaan van een moderne, vrije samenleving.

Maar als de burgers kennelijk de ver­mogens zijn kwijtgeraakt om zo'n leef­bare sfeer in stand te houden, wat moet er dan gebeuren? Dat is in wezen ook de vraag die de Amsterdamse hoofd­commissaris Kuiper probeerde te be­antwoorden. Zijn antwoord -gordel om, das recht!' - behelst een soort va­derlijk moralisme. Onder het streng doch rechtvaardig toeziend oog van de politie wordt de burger opgewekt om weer traditionele private fatsoensnor­men in acht te nemen, ook en vooral in de publieke sfeer.

Deze benadering stuit echter op ver­schillende bezwaren. Ten eerste is het de vraag in hoeverre het politie-optre­den een serieus opvoedend effect heeft. Agressie, vandalisme en onverschillig­heid zullen niet afnemen door massaal fietsers zonder achterlicht aan te hou­den. Ten tweede leven we in een plura­listische samenleving en bestaat er dus legitiem verschil van mening over de inhoud van die private fatsoensnormen (‘das recht!'). Het gaat dus niet aan om zulke normen tot algemene standaard te verheffen - zeker niet wanneer de politie, immers onze geweldsmonopo­list, dat doet.

En ten derde is het voor mo­dern burgerschap juist van cruciaal belang dat mensen in staat zijn onderscheid te maken tussen normen die in de eigen (etnische, culturele, sociale, familiaire) kring worden onderschre­ven en normen die de publieke sfeer reguleren, of die behoren te reguleren. En minstens zo belangrijk is, in de lijn van de opmerkingen van de WRR, dat burgers zichzelf weer in staat achten om zelf ook daadwerkelijk naar die normen te handelen. Daarvoor is niet primair een moraliserende houding van overheidsfunctionarissen zoals politie­beambten vereist, maar eerder eenvou­digweg dat burgers zichzelf weer se­rieus gaan nemen als publieke actoren. Zich afhankelijk maken van begrenzing en correctie door ‘de overheid' of 'de politie' is een heilloze weg; burgers zul­len dan juist nog meer hun vermogens kwijtraken om zichzelf te begrenzen en sociale verantwoordelijkheid mede te dragen.

De problemen in de omgang van bur­gers in de publieke ruimte is niet een probleem dat aan een ‘falende over­heid' kan worden verweten. Het is een probleem van de 'falende burger'. No­dig is niet een krachtiger overheid of een moralistische politie, maar een burger die zichzelf weer serieus neemt. Dat wil zeggen een burger die zelf in­ziet, en wil inzien, dat openbare orde en rechtshandhaving in de publieke sfeer op zijn minst óók een opgave van en voor hemzelf is. En die dus bereid is om daar mede voor in te staan. Dat kan best: zoals de WRR ook constateerde, is er met het normbesef zelf niet zoveel mis. Het gaat om het zelfverklaarde onvermogen om ook naar die normen te handelen. Dat is een burger in een moderne rechtsstaat onwaardig. Die moet toch gewoon kunnen bijdragen aan het onderhoud van een fatsoenlijke publieke ruimte. Daarvoor hoeft hij niet eens zoveel te doen - eerder bepaalde dingen simpelweg nalaten. Als de mo­derne burger zijn verwachtingen van de overheid eens wat minder hoog op­schroefde en tegelijk hetzelfde deed met zijn torenhoge eigendunk, dan was er al heel wat gewonnen. Hij hoeft niet direct een deugdzaam modelburger te worden, maar wel ophouden zijn eigen­waarde juist aan de gebreken in zijn burgerschap te ontlenen. Gewoon: door zichzelf ertoe zetten om niet te hard te rijden, een gordel te dragen, niet hard en alom ‘wild te praten', en niet meteen te ontploffen als anderen hem op zulke kwesties aanspreken. En, vooruit, zelfs door een brandend ach­terlicht op zijn fiets te hebben.

Gijs van Oenen is universitair docent filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Deze week verscheen zijn boek Ongeschikt recht. Anders den­ken over de rechtsstaat (Boom Juridische uitge­vers). ISBN 90 5454 454 6, € 25.