De triomf van het prijskaartje

Hoe de burger ontkomt aan de verwoestende wetten van de markt


Volkskrant 23-2-2001

Luuk van Middelaar

VRAAG JE of er ook een open dak in kan. Zegt‑ie: 'Tuur­lijk, maar daar hangt wel een prijskaartje aan.' Het prijs­kaartje, gek word je ervan. Het hangt overal aan. Tegenwoordig zelfs aan de zorgminuten rond oma's bed, het open­baar toilet, de ouderliefde (oppas: tien­tje per uur) ‑ en al die andere zonnen die vroeger nog voor niks opgingen.

Misschien is het wel hét fenomeen van de moderne tijd: de triomf van het prijskaartje, de opmars van de markt, de geldeconomie die ‑ als een verwoestende bevrijder ‑ intieme levenssferen binnendringt en traditionele vormen vernietigt (bijvoorbeeld van het gezin een samenklontering van consumptie­eenheden maakt). Zelfs de overheid, ooit bedoeld om de uitwassen van het vrijbuiterskapitalisme te temmen, zet zichzelf in de uitverkoop: dag post, dag trein, dag opbergschuur. Wat rest is een door 'calculerende burgers' bevolkte 'BV Nederland', in een wereld waar het globaliserend flitskapitaal schijnbaar de dienst uitmaakt.

De oorzaak van deze mondiale bewe­ging van economisering wordt in toene­mende mate in onszelf gezocht. Vroe­ger hoorde je vaak: die verdomde kapi­talisten praten ons producten aan waar­aan wij geen behoefte hebben. Nu is het eerder: ik ga toch zeker niet de dief van mijn eigen portemonnee spelen? Zie daar het laatste restje kwade trouw van de burger die dolgraag zou geloven dat hij niet anders kán dan zich neerleggen bij de 'keiharde wetten' van de markt.

Onlangs verschenen twee filosofische proefschriften over de hedendaagse economie die met zulke gemakzuchtige simplificaties geen genoegen nemen, van Kor Grit over 'economisering' en van Ewald Engelen over 'economisch burgerschap'.

Beide auteurs bieden een afstandelijke kijk op de economie, die aan het cynisch fatalisme van degenen ­die menen dat ze bij gebrek aan altema­tieven wel met het systeem móeten meedoen, de theoretische grond ont­neemt.

Daarvoor kiezen ze niet dezelfde weg. Grit doet in Economisering als pro­bleem ‑ een studie naar de bedrijfsma­tige stad en de ondernemende universi­teit verslag van zijn empirisch onder­zoek naar twee non‑profit‑organisaties die in de jaren tachtig besloten bedrijfs­matig te gaan werken, de gemeente Til­burg en de Technische Universiteit Twente. Tilburg begon zichzelf vanaf 1985 te organiseren als een bedrijf: de interne ambtelijke organisatie ging op de schop ‑men werd voortaan door managers afgerekend op output ‑, bur­gers werden beschouwd als klanten en de stad als producent van diensten. De daadkrachtige belofte achter deze operatie: méér dingen doen voor méér mensen, en voor minder geld.

Deze omslag wordt door Grit geana­lyseerd als verandering van taal, of lie­ver, van 'vertoog'. Een 'vertoog' is zo bezien een manier of stijl van spreken over de sociale werkelijkheid; je hebt bijvoorbeeld het politieke, juridische, culturele en economische vertoog. 'Economisering'betekent voor Grit dat de taal van economen en managers de taal van politici, juristen en intellectue­len gaat overheersen. Dat gebeurde, toen in de gemeente Tilburg het economische beginsel van dóelmatigheid de plaats innam van het juridische beginsel van réchtmatigheid. Overtuigend laat Grit zien dat zo'n verandering van taal­gebruik meer betekent dan een vervan­ging van etiket: een taal doet dingen, stelt prioriteiten, bepaalt wat een pro­bleem is en wat niet.

Wie de prestaties van de vuilnisdienst economisch‑bedrijfsmatig analyseert in termen van opgehaalde tonnen huis­vuil, raakt niet onder de indruk van de mevrouw die opbelt dat haar emmertje nog ongeleegd buiten staat. Terwijl diezelfde mevrouw in tijden van een domi­nant politiek vertoog een potentiële kiezer was, wier klacht alle aandacht verdiende.

Met zijn discours‑analyse kan Grit de voor‑ en nadelen van de verschillende vertogen vergelijken. Alleen al vanwege deze vergelijking wordt het economisch vertoog relatief, en dus minder onaantastbaar voor kritiek. Dat is ‑ om het geëconomiseerd te zeggen ‑ winst.

Toch heeft deze benadering in louter talige termen tekortkomingen; ze is blind voor ongearticuleerde maat­schappelijke processen en machtsver­houdingen. Zo typeert Grit de jaren zestig en zeventig als periode van 'poli­tisering' en (dus) van 'onteconomise­ring'. inderdaad stond de taal van de tijd meer naar inspraak en actie dan naar productiviteit en efficiëntie. Maar vond niet onder de laklaag van politiek ­culturele revolutie een geweldige eco­nomisering plaats? Het voornaamste resultaat van al het gehamer op 'bevrij­ding' en 'authenticiteit' was de geboorte van de geïndividualiseerde, zelfbewus­te, begerige consument. Evenzo was de vrouwenemancipatie uit deze periode inderdaad een grootse politieke strijd, maar achteraf bezien is het netto effect toch‑ dat een immens reservoir van arbeidskrachten uit huis & keuken werd losgeweekt en opgenomen in de markt­economie.

Ter afsluiting suggereert Grit dat, na de rond 1980 begonnen no‑nonsense­fase van economisering, nu een periode aanbreekt van 'culturalisering', onder meer omdat in overheidskringen de term 'regisseur' in zwang raakt. Hier onderschat hij opnieuw de hedendaag­se kracht van de economie; er is eerder sprake van een (voortgaande) economi­sering van de cultuur. En voorzover het kapitalisme de taal van de cultuur in­corporeert, is dat (zoals de Franse so­cioloog Boltanski onlangs liet zien) ge­heel ten bate van zijn eigen behoeften: met 'creativiteit' is tegenwoordig veel geld te verdienen.

Ewald Engelen ‑ net als Grit filosoof en econoom ‑ bekijkt het probleem in Economisch burgerschap in de onder­neming van een andere kant. Hem interesseert niet hoe de burger economi­seert tot klant, maar omgekeerd, hoe onze economische rol van werknemer kan uitgroeien tot die van burger. Dus: Hoe kun je democratische politiek in­brengen in de economie? Dat is een belangrijke vraag. Want als door globa­lisering en economisering de macht van de Haagse politiek‑in‑oude‑zin‑ inder­daad afneemt ten gunste van markten en bedrijven, wordt het des te urgenter te onderzoeken of we niet stukken van die democratie ‑ kort samengevat: col­lectieve inspraak en controle ‑ op een andere plek kunnen terugkrijgen.

Geduldig en zorgvuldig onderzoekt Engelen hoe zijn democratisch ideaal van een grotere werknemersinspraak institutioneel vorm kan krijgen. Drie wegen staan daartoe open. Afgezien van een complete herstructurering van het arbeidsproces op de werkvloer zelf (lopendebandwerk geeft minder inspraak dan roulerende, druk overleg vereisende taken), gaat het om mede­zeggenschapsrechten en marktrechten.

Wat de medezeggenschapsrechten (bijvoorbeeld de ondernemingsraad) betreft vergelijkt Engelen de florissante­re Duitse situatie met de Nederlandse. Opvallendste verschil is dat Duitse werknemers inspraak hebben tot in de raad van commissarissen, en de Neder­landse niet. Wetsvoorstellen daartoe hebben het nooit gehaald, vanwege 'tactisch onvermogen' van de vakbewe­ging en een publieke opinie die bij de herziening van de Wet op de Onderne­mingsraad (1998) geen kik gaf.

Wellicht had die publieke opinie het destijds drukker met de optieregelin­gen, een van de marktrechten die Engelen bespreekt. Wie een gedeelte van een bedrijf in eigendom heeft (in de vorm van als loon of winst uitgekeerde aan­delen, of als pensioenfondsgelden), heeft daarmee toegang tot de aandeel­houdersvergadering. Spreiding van aandelen levert dus meer democratische zeggenschap op. Amerikaanse, Britse en Zweedse ervaringen daarmee passeren de revue, en temperen al te optimistische verwachtingen. Niette­min besluit Engelen met een ambitieus plan voor een 'Nationaal herstructure­ringsfonds', dat overtollige pensioen­gelden zou kunnen investeren in 'de­mocratische' en ecologische bedrijven.

Deze concrete aanbeveling volgt op een boek waarin een schat aan informa­tie, geput uit arbeidssociologische, bedrijfskundige en juridische vaklitera­tuur, nauwkeurig is afgetast op demo­cratisch potentieel en omgezet in be­hoedzame 'vuistregels'. Vóór alles wil Engelen voorkomen voor 'naïef utopist' te worden versleten. Dat is gelukt.

Keerzijde is dat zijn boekhoudersuto­pisme weinig harten sneller zal doen kloppen of tot daden stimuleren. Voor een proefschrift is dat geen verwijt. Maar ook Engelens handelseditie ‑ De burger en de onderneming; wie heeft toegang tot de vergadertafel? ‑ waarin de oorspronkelijke tekst tot circa een kwart is ingeklonken, heeft helaas wei­nig sex‑appeal. Terwijl het menig prachtig argument bevat waarmee werknemers al die intimiderende direc­teuren die in de Ondernemingsraad bij voorbaat 'te duur' of 'onhaalbaar' roe­pen, de mond kunnen snoeren.

Genuanceerd en gèinformeerd wrik­ken Grit en Engelen aan het beeld van de keiharde wetten van de markt. Zo creëren ze een bescheiden ruimte voor kritiek en initiatief, welkom weerwoord tegen de geest van de tijd.

Ewald Engelen: Economisch burgerschap in de onderneming ‑Een oefening in concreet utopisme.

Thela Thesis; 285 pagina's;fl 49,50.

ISBN 90 5170 509 3.

Ewald Engelen: De burger en de onderneming ‑ Wie heeft toegang tot de vergadertafel?

Thela Thesis; 119 pagina's; fl 29,50.

ISBN 90 5170 518 2.

Kor Grit: Economisering als probleem

‑ Een studie naar de bedrijfsmatige stad en de ondernemende universiteit.

Van Gorcum; 187 pagina's; _f 37,50.

ISBN 90 232 35517.