Jaren zestig waren bij uitstek jaren van moraal en ethiek (1998)

Onder rechts is het mode de erfgenamen van de jaren zestig de schuld te geven voor alle hedendaagse problemen. Dat is volgens Hans Righart hypocriet. Juist het liberalisme heeft het hedonisme uit die periode geperverteerd. Intussen zijn de sociaal-democraten terug in de jaren vijftig.

de cynische 'tijdgeest' van onze jaren negentig...economische groei en een onbelemmerde marktwerking. Ieder radicalisme is verdwenen, alle cultuurkritiek verstomd, iedere utopische dimensie - en daarmee ook iedere fantasie - is afwezig. Als er een erfenis van de jaren zestig bestaat, dan moet die in ieder geval niet bij de PvdA van Wim Kok gezocht worden.

Wat er mijns inziens gebeurd is, is dat het neoliberalisme van de jaren negentig zich een geamputeerd jaren zestig-programma heeft eigen gemaakt


Volkskrant 23 mei 1998

'FOUT in de jaren zestig' is met name dankzij VVD-leider Bolkestein al een begrip geworden. Nederlanders hebben iets met de etiketjes goed en fout, waarschijnlijk omdat het moderne variaties zijn op het oude begrippenpaar deugd en zonde. Nu beschikken wij helaas nog niet over een vijftiendelig naslagwerk over Het Koninkrijk der Nederlanden in de jaren Zestig, maar het lijkt erop dat ook voor deze tienjarige 'oorlog' de bokken reeds van de schapen gescheiden zijn.

Hetzelfde moreel-ethische perspectief dat de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog beheerst, dringt zich tegenwoordig ook op aan wie na probeert te denken over een decennium dat Nederland waarschijnlijk ingrijpender veranderd heeft dan die vijfjarige bezettingsepisode.

Wie iets over de jaren zestig wil zeggen, moet eerst langs een politiek gekleurd oordeel over wat rechtse politici en hun tekstschrijvers tegenwoordig als de erfenis van dat tijdperk beschouwen.

De redenering is van een rechtlijnige eenvoud: in de jaren negentig waargenomen problemen als normloosheid, individualisme, hedonisme, gezagloosheid, het verval van het traditionele gezin, dit alles is te herleiden tot de jaren zestig. In dit decennium werd namelijk het gezag met de grond gelijk gemaakt, rukte een alles-moet-kunnen-moraal op: en werd de bevrediging van het individuele genot tot het hoogste levensdoel verheven.

En nu zitten we met de brokken, aldus Bolkestein onlangs nog in een verkiezingsrede: 'abominabeIe omgangsvormen' en 'een steeds ruiger wordende maatschappij'. ja zelfs het onbeschofte in- en uitstapgedrag van jonge treinreizigers wordt op rekening van de mei-'68- generatie geschreven.

Laat ik vooropstellen dat een historicus er niet in de eerste plaats is om over het verleden te oordelen. Ethiek en geschiedschrijving hebben mijns inziens weinig met elkaar te maken en de historicus behoort het verleden bij voorkeur 'onethisch' te benaderen. Dus iemand die met graagte morele oordelen velt, is bij uitstek ongeschikt voor het vak van geschiedschrijver.

De historicus moet in de eerste plaats trachten het verleden te begrijpen (wat natuurlijk iets anders is dan excuseren!). Hij moet zich zoveel mogelijk ontdoen van zijn eigen morele preoccupaties; hij moet meer in de 'verleden mens' geinteresseerd zijn dan in zichzelf.

Van de homo politicus kan men een dergelijke onbaatzuchtigheid niet verwachten. Hij opereert nu eenmaal in het heden en maakt het verleden instrumenteel aan zijn eigen politieke belangen. En zo is het ook met de rechtse kritiek op de jaren zestig.

De schuld van de jaren zestig staat voor de schuld van links, maar natuurlijk ook voor de ontkenning van de eigen politieke verantwoordelijkheid voor de hedendaagse problemen. Omdat het verleden daarbij flink verdraaid wordt, wil ik hier nader ingaan op het karakter van 'het jaren zestig-programma', alsook op de vragen wat daarvan terecht is gekomen en in hoeverre 'de jaren zestig' verantwoordelijk zijn voor de hedendaagse problemen.

Achteraf zijn veel mensen geneigd het decennium als één grootscheepse moderniseringscampagne te zien, al was het maar omdat veel ouds aan diggelen ging: kerken, religie, gezag, preutsheid. En daarvoor in de plaats kwam nieuwlichterij als televisie, vrije seks, drugs en popmuziek.

Maar een dergelijke zienswijze gaat voorbij aan het vele antimoderne dat het jaren zestig-programma óók herbergde en dat rechtstreeks teruggreep op de Romantiek.

Ik noem hier de aandacht voor (Oosterse) mystiek en transcendentie; de kritiek jegens het kapitalistisch vooruitgangsdenken met zijn consumptieverslaving; de hang naar een ecologische en kleinschalige economie, en de verheerlijking van het eenvoudig plattelandsleven.

Ook de waardering van de 'zestigers' voor typisch romantische deugden als spontaniteit en creativiteit, individuele zelfexpressie, bevrijding van taboes en dwingende voorschriften - de door Bolkestein zo gehekelde anti-autoritaire opvoeding -, dit alles wijst op een romantisch levensgevoel.

In het licht van deze continuiteit met de Romantiek wordt ook de renaissance van twee negentiende-eeuwse ideologieën in de jaren zestig begrijpelijk: het anarchisme en het ecologisme. Juist door hun anti-modern gehalte pasten beide ideologieën goed in de tijdgeest van de jaren zestig. Negentiende-eeuwse anarchisten als Tolstoi, Kropotkin en Proudhon idealiseerden de kleinschaligheid van vóór de Industriële Revolutie.

Zij predikten een economie van het genoeg, waarin de scheiding tussen hoofd- en handarbeid opgeheven zou zijn en daarmee ook de vervreemding die de kapitalistische arbeidsdeling veroorzaakte. 'Small is beautiful' was de eigentijdse verwoording van dit vroeg-anarchistische verlangen naar kleinschaligheid. De 'terugkeer' naar het groene platteland, al of niet in communes, symboliseerde de vlucht uit een even versteende als verstedelijkte wereld.

Anders dan men vaak denkt is de zorg voor het milieu niet in de jaren zestig geboren. Het zogenaamde ecologisme wortelt in het laatste kwart van de vorige eeuw en het keerde zich net als het anarchisme tegen de moderniteit van het industrieel kapitalisme en de bedilzucht van de eenheidsstaat. Het ecologisme onderscheidde zich van andere ideologieën door de mens niet boven maar in de natuur te stellen. Ook het ecologisme begon aan een tweede jeugd in de jaren zestig, omdat toenemende vervuiling, uitputting en overbevolking het van een nieuwe actualiteitswaarde voorzagen.

De 'jongere' denkers die ook in de jaren zestig omarmd werden - Marcuse, Fromm, Sartre - hadden hun kritiek op de psychosociale effecten van het kapitalisme gemeenschappelijk: vervreemding, robotisering, manipulatie, repressie, angst. Soms sloeg de strijd daartegen om in escapisme en wereldverzaking. De hippiecultuur, de trek naar het Oosten, en het druggebruik zijn voorbeelden daarvan.

Deze romantische cultuurkritiek verbond zich in de jaren zestig met linkse tegenstromingen, die tot dat moment veelal een ondergronds en marginaal bestaan hadden geleid.

Natuurlijk was dit 'nieuwe links' van afvallige christen-radicalen, pacifisten, anarchisten en trotskisten iets heel anders dan het oude sociaal-democratische links dat na de oorlog de verzorgingsstaat omarmd had en ideologieën als negentiende-eeuwse fossielen beschouwde. Dit was de sociaal-democratie van een vóór de oorlog geboren generatie politici, die de NAVO als levensverzekering tegen het communistische gevaar zagen en daarom hardnekkig weigerden de Amerikaanse Vietnampolitiek te kritiseren.

De moderne welvaartstaat met zijn sociale voorzieningen beroofde de sociaal-democratie van iedere kapitalisme-kritiek, maar leidde ook tot een kritiekloze omarming van de moderniteit. Toen Labourleider Harold Wilson in 1964 verkiezingen in Groot-Brittannië won, kondigde hij een 'white heat of technology' aan. Volgens Labour was 'socialism about science', dus witte jassen, wetenschappers, technici en managers.

In de jaren zeventig gingen oud en nieuw links een moeizame verbinding aan. In eigen land nam de PvdA dankzij de bemiddelende rol van Den Uyl het radicalisme van Nieuw Links over, maar in landen als de Duitse Bondsrepubliek en Italië kwam het niet tot een dergelijke generatie verzoening en raakten de jeugdige rebellen in een gewelddadig isolement.

Maar uiteindelijk waren het de economische crises van de jaren zeventig en tachtig die het radicale elan de das omdeden. Nieuw Rechts rukte onstuitbaar op in de jaren tachtig en Thatcher en Reagan toonden dat links niet het monopolie op een maakbare samenleving had. Intussen groeide uit crisis en werkloosheid een nieuw anti-jaren zestig-programma met als trefwoorden: conformeren, presteren, concurreren, consumeren, ieder voor zich, en veel, heel veel geld verdienen.

Achteraf kan men vaststellen dat de 'rechtse' jaren tachtig een veel sterker stempel op de Nederlandse sociaal-democratie gezet hebben dan de 'linkse' jaren zestig.

Stel: iemand zou in 1958 onder Willem Drees in slaap zijn gesukkeld en veertig jaar later onder Wim Kok ontwaken. Zo iemand zou toch denken dat hij niet vier decennia maar slechts vier uurtjes gepit had? De sociaal-democratie anno 1998 is terug in een status quo ante, anders gezegd zij is terug in de jaren vijftig.

Een typisch jaren zestig agendapunt als het milieu is nooit ideologisch geïntegreerd, maar een plichtmatige voetnoot gebleven bij de twee hoofddoelen: economische groei en een onbelemmerde marktwerking. Ieder radicalisme is verdwenen, alle cultuurkritiek verstomd, iedere utopische dimensie - en daarmee ook iedere fantasie - is afwezig. Als er een erfenis van de jaren zestig bestaat, dan moet die in ieder geval niet bij de PvdA van Wim Kok gezocht worden.

Dat geldt echter niet voor de samenleving als geheel. De erfenis van de jaren zestig ligt bij wijze van spreken op iedere straathoek voor het oprapen. Wanneer we naar de terreinen van de seksualiteit, de gezagsverhoudingen in het gezin, of de emancipatie van vrouwen en van seksuele, culturele en etnische minderheden kijken, kunnen we vaststellen dat de in de jaren zestig ingezette ontwikkelingen naar grotere permissiveness, democratisering, gelijkberechtiging en emancipatie zich hier onstuitbaar hebben voortgezet. Tegelijk is juist hier ook veel verloedering zichtbaar, met name in de sfeer van de seksualiteit: vrouwenhandel, kinderporno, groezelige 'Veronica-seks' om slechts enkele uitwassen te noemen.

Is dat nu 'de schuld' van de jaren zestig? Hier raak ik met mijzelf in conflict omdat 'schuld' voor een historicus als ik een zinloze categorie is. Maar laat ik dan toch twee analytische observaties doen die misschien een antwoord kunnen bieden.

In tegenstelling tot de cynische 'tijdgeest' van onze jaren negentig werd die van de jaren zestig getekend door een hoge moraliteit. Het was een bij uitstek ’ethisch' tijdperk, waarin sociale betrokkenheid als een grote deugd gold. Die betrokkenheid strekte zich breed uit, niets minder dan de hele wereld was haar werkterrein.

De aandacht voor het lot van mensen in de Derde Wereld, de vrees voor een nucleaire catastrofe, de zorg voor het mondiale leefmilieu, dit alles getuigt daarvan. Deze 'hoge' ethiek werd vaak gecombineerd met een kritische houding jegens de consumptiemaatschappij - een typisch jaren zestig-woord trouwens! - en het daaraan gekoppelde materalisme.

Tegelijk waren de jaren zestig ook doortrokken van een zekere ambivalentie, want deze verheven idealen werden gecombineerd met hedonisme en permissiviteit. Ook hierin zette de protestgeneratie zich met kracht af tegen de vooroorlogse generatie. Deze generatie was gehard in het uitstellen van haar behoeftebevrediging en opgegroeid in een samenleving waarin met het gezag niet te spotten viel.

Wat er mijns inziens gebeurd is, is dat het neoliberalisme van de jaren negentig zich een geamputeerd jaren zestig-programma heeft eigen gemaakt: het hedonisme en de permissiviteit hebben zich verbonden met een rücksichtslos najagen van het eigenbelang, het discrediteren van de overheid en het centraal stellen van concurrentie en marktwerking. De seksindustrie is daar het akeligste voorbeeld van: hier heeft de permissiviteit van de jaren zestig zich verbonden met het pooierdom van de vrije markt.

Daarom klinkt de liberale aanklacht tegen de jaren zestig als aanstichter van normloosheid en maatschappelijke verwildering hypocriet. Het is immers juist datzelfde liberalisme geweest dat zich gretig op het hedonisme van de jaren zestig geworpen heeft en tot zijn pervertering heeft geleid. Bolkestein's steeds 'ruiger' wordende maatschappij is daarom meer het onprettige bijprodukt van zijn eigen liberale ideologie dan van de jaren zestig. Dringen en duwen, ook dat hoort bij de triomf van het liberalisme.

Hans Righart is hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.

Dit is de bewerkte versie van een lezing uitgesproken op 20 mei in De Rode Hoed naar aanleiding van een door de Wiardi Beckman Stichting georganiseerd symposium over mei 1968.