Vijand van de burger


Volkskrant 23-12-2000

Dorien Pressers

Mensen leven als zelf-ondernemers. Autonoom en onafhankelijk richten zij hun leven in, realiseren zij hun authentieke zelf. Die illusie van onafhankelijkheid moet doorgeprikt worden, dan kunnen individuen weer burgers worden.

0NTAARDT een debat over de gren­zen van 'ik' alleen maar 'in slap ge­ouwehoer', zoals Nelleke Noorder­vliet in haar column van 18 decem­ber beweerde? Het is helaas maar al te vaak het geval. Individualisering is kennelijk een begrip dat zo moeilijk te preciseren valt dat iedereen er maar een eind op los filosofeert.

Veel gehoord is de bewering dat het proces van individualisering zou leiden tot onafhan­kelijkheid van alles en iedereen. Zelfs op het eerste gezicht is die bewering onjuist. Kijkt u maar eens de ruimte rond waarin u deze krant zit te lezen. De stoel waarop u zit, de tafel waar­aan u leest, de koffie die u drinkt, de sigaret die u rookt, en de kleren die u aan heeft: duizenden mensen ‑ variërend van bosbouwers, timmer­lui, koffie‑ en tabaksplanters, handelaren, transporteurs, journalisten, drukkers en distri­buteurs ‑ hebben in een lange keten van ar­beidsdeling bijgedragen aan de situatie waarin u zich nu bevindt. En dan gaat het nog slechts over afhankelijkheid waar het de bevrediging van de materiële behoeften betreft.

Voor de bevrediging van uw immateriële be­hoeften, zoals die aan liefde, erkenning en ge­borgenheid, hebt u weliswaar minder mensen nodig, maar uw afhankelijkheid van anderen is des te intenser. Zij bepalen uw geluk, uw zelf­respect, uw geestelijke gezondheid, en daar­mee uw levenskansen. Eenzaamheid is in onze samenleving zelfs een ondraaglijke ervaring ge­worden. Of het nu contactadvertenties, virtu­ele communicatie via internet, dwangmatig gsm‑verkeer of de onderdompeling in massa­evenementen betreft: niets lijkt tegenwoordig zo erg als het niet aangesloten zijn op anderen.

Als individualisering dus niet met een ten­dens naar feitelijke of gewenste onafhankelijk­heid te maken heeft, waar verwijst de term dan wel naar? Waar komt de associatie van indivi­dualisering met egocentrisme, onverschillig­heid en ontkenning van afhankelijkheid van anderen vandaan?

Voordat ik die vraag probeer te beantwoor­den, verwijs ik naar een column van Mirza die, twee pagina's verder dan Noordervliet, aan de hand van de positie van allochtone meisjes haarscherp aangaf waar het bij individualise­ring om gaat: het proces is even onontkoom­baar als ambivalent. Individualisering is zowel een verlangen als een dwang. Er wordt bij ge­wonnen‑ en verloren.

De traditionele hiërarchie in een allochtoon gezin is als volgt, schreef Mirza: De man. De vrouw. De jongens. De meisjes. De opa. De oma. Soms is de volgorde: De man. De opa. De jongens. De vrouw. De oma. De meisjes. Zo­lang de kinderen klein zijn, blijft die hiërarchie in stand. Maar zodra de kinderen opgroeien, gebeurt er 'iets wezenlijks'. Er wordt een coup gepleegd door de moeder en de meisjes. De nieuwe hiërarchie wordt: De meisjes. De moe­der. De jongens. De vader. Zijn die veranderin­gen goed?, vraagt Mirza zich af. 'Soms is het goed. Soms is het heel goed. En soms is het ronduit ellendig.' Mannen die zich bij de machtswisseling neerleggen, maken een com­plete verandering door. Er bloeit 'iets moderns in de families, iets van een revolutie'. Maar mannen die niet tegen dit verlies kunnen, slo­pen het gezin en brengen af en toe zelfs hun dochter om. 'Desondanks', schrijft Mirza, 'zijn wij, de mannen, trots op onze dochters. Zij zijn de wegbereiders van ons nieuwe leven. Ze verbinden ons met de verande­ringen buitenshuis. Ze zijn onze taalver­beteraars, onze systeembeheerders, onze trots.'

De onontkoombaarheid van de veranderingen in de traditionele machtsver­houdingen die Mirza beschrijft, duidt erop dat individualisering ‑ om met de Duitse socioloog Ulrich Beck te spreken ‑ geïnstitutionaliseerd is geraakt, zelfs zodanig dat nieuwkomers in onze cul­tuur zich niet langer dan een generatie aan die veranderingen kunnen onttrek­ken. Een jaar of vijfentwintig geleden bloeide er ook bij de autochtone Nederlanders 'iets moderns in de families, iets van een revolu­tie'. Vrouwen hadden massaal middelbaar en hoger onderwijs genoten, wilden een baan, ontwikkelden ambities en verlang­den naar een eigen levensperspectief. Ook toen waren nieuwe machtsver ' houdingen bin­nen het gezin het gevolg. Ook toen ontstonden nieuwe levenspatronen. Net zoals de alloch­tone vrouwen in de column van Mirza 'wegbe­reiders van een nieuw leven' zijn en hun va­ders, broers en mannen 'verbinden met de ver­anderingen buitenshuis', zo waren en deden autochtone vrouwen dat voor hen.

De revolutie die zich vijfentwintig jaar gele­den onder autochtone en nu onder allochtone vrouwen voltrekt, is zeker geen fluwelen revo­lutie. Ze gaat gepaard met verzet van mannen, met gebroken levens, met schuldgevoel en de noodzaak een nieuw normenkader te ontwik­kelen. Toch twijfelen aar weinigen aan de historische noodzaak en de morele juistheid van deze ambivalente ontwikkeling.

De feministische revolutie in de tweede helft van de vorige eeuw was een manifestatie van een revolutie die veel ouder is en teruggaat tot de Verlichting en de Franse Revolutie. In die tijd werd het ideaal geformuleerd van de mondige, autonome burger die zich losmaakt uit feodale verhoudingen. Na de standenmaat­schappij werd later, in de 19de en de 20ste eeuw, de klassenmaatschappij geattaqueerd. Ten slotte werd het laatste bastion van hiërar­chische machtsverhoudingen genomen: vrou­wen maakten zich los uit patriarchale bindin­gen.

Dit revolutionaire proces van individualise­ring had zich nooit zo gestaag kunnen voort­zetten indien het niet geïnstitutionaliseerd was geraakt, dat wil zeggen indien de samenleving er niet op was ingericht. Het recht, het onder­wijs, de markt en de sociale zekerheid zijn afge­stemd op individuen. De impliciete opdracht van deze instituties is om het eigen leven vorm te geven.

Volgens Ulrich Beck is het onderwijs de insti­tutie gebleken die het verlangen naar en de dwang tot individualisering het krachtigst heeft bevorderd. Onderwijs zet namelijk een op­waartse spiraal in gang. Na het onderwijs komt het verlangen naar werk. In het werk ontstaat het verlangen naar verdere ontplooiing en car­rière. En carrière vereist tegenwoordig mobili­teit en volledige beschikbaarheid. Hoe hoger men gekwalificeerd is, des te groter wordt de dwang tot en het verlangen naar individualisering. Toen ook vrouwen massaal van onderwijs gebruik gingen maken en onderhevig werden aan de dynamische werking ervan, werd de individualisering compleet. Het eigen levenspro­ject behoort te worden voltooid, ook als dat binnen huwelijk en gezin moet gebeuren.

Vanaf het moment dat die opdracht voor mannen en vrouwen ging gelden, begonnen pas de maatschappelijke problemen waarmee we inmiddels zo vertrouwd zijn, en die de vraag naar de grenzen van de individualisering hebben doen rijzen. Wie is bijvoorbeeld nog verantwoordelijk voor de kinderen, de familie­leden en de buren, nu vrouwen van die traditio­nele verplichtingen ontslagen zijn? Wie is nog bereid vrijwilligerswerk te verrichten? Wie zet zich nog onbetaald in voor de publieke zaak en het algemeen belang? De door het onderwijs in gang gebrachte opwaartse spiraal is uiteraard nooit bedoeld om families of gemeenschappen tot ontbinding te brengen, schrijft Beck, noch om loonarbeid allesoverheersend te laten zijn. Wat ging er dan al gaande de individualisering mis?

Sociale individualisering als emancipatiepro­ces wordt volgens Beck pas een probleem zo­dra dit proces wordt geabsorbeerd door het neoliberale marktdenken dat de hele samenle­ving in haar greep houdt. Mannen en vrouwen worden gedefinieerd ‑ en gaan zichzelf definië­ren ‑ als ondernemers van hun eigen leven, als werkgevers van zichzelf, verantwoordelijk voor zichzelf, voor hun gezondheid, arbeidsge­schiktheid en sociale zekerheid. Deze zelf‑on­dernemers berekenen als een kapitalist hun le­ven, hun tijd en hun inspanningen. Zelfs in hun relaties met geliefden, kinderen en vrienden sluipen calculerende elementen.

Het gevolg is dat de werknemer tegenwoor­dig zijn eigen onderdrukking en uitbuiting dreigt te organiseren. De zelf‑ondernemer leeft in de illusie van een grenzeloze autonomie, bij ziet zichzelf als een mini global player die in een maatschappelijk vacuüm opereert. Want de zelf‑ondernemer lijkt niet te beseffen dat hij het kunstmatige product is van een samenle­ving die een enorme verdichting van afhanke­lijkheidsrelaties kent, noch dat hij uitgeleverd is aan krachten waarop hij geen enkele greep heeft omdat zij de lokale en nationale grenzen ver overschrijden.

Maar ondertussen zijn ze allesbehalve geluk­kig, de zelf‑ondernemers. Losgemaakt van zin­volle sociale bindingen en machteloos ten aan­zien van politieke en economische ontwikke­lingen, wordt de vrijheid van consumeren be­langrijker dan politieke vrijheid. De zelf‑on­dernemers snakken naar bindingen, communi­ceren zich suf, en zoeken even wanhopig als onmachtig de totale liefde en overgave.

In the Loss of Happiness in Market Democracies beschrijft de Amerikaanse politicoloog Robert Lane hoe in landen met een vrijemarkt­economie de curve van geluk en welbevinden begint te dalen vanaf het moment dat een be­paald niveau van welvaart is bereikt. Depressi­viteit begint een volksziekte te worden, het ver­trouwen in de medemens en instituties neemt af en solidariteit verdwijnt. Het resultaat is een individualisering die naar atomisering neigt.

Niet alleen de vrijmarktideologie heeft de grenzen van de individualisering zichtbaar ge­maakt. Ook het recht is een institutie die zowel het verlangen naar individualisering opwekt als tot individualisering dwingt. En ook daar komen de grenzen in zicht. De politieke basis­gedachte van het moderne recht is de vrijheid die ieder mens moet hebben do stand up like men, de vrijheid de ander recht in de ogen te zien en het respect te eisen dat aan een vrijge­boren individu toekomt. Met die rechtspoli­tieke gedachte correspondeert het kantiaanse mensbeeld van een autonoom en kritisch indi­vidu dat zich verantwoordelijk weet voor zijn eigen handelen en de ander nooit als instru­ment zal gebruiken. Als zelf‑wetgever houdt het autonome individu de belangen van ande­ren in het oog.

Nadat in een tweehonderd jaar durende poli­tieke strijd achtereenvolgens burgers, arbei­ders, vrouwen, zwarten en homo's zich gelijke burgerrechten hebben weten te verwerven en daardoor ook juridisch geïndividualiseerd zijn geraakt, zien we een mens‑ en zelfbeeld opko­men dat zich verwijdert van het kantiaanse mensbeeld. De illusie ontstaat dat mensen in een sociaal vacuüm over zichzelf kunnen be­schikken. Ondertussen ontbreekt elke consis­tente moraal en worden kritische vragen ‑ wat is bijvoorbeeld dat 'zelf' waarover wordt be­schikt? ‑ uit de weg gegaan. Voorop staat de therapeutische ethiek van het 'ik'. Wat heb ik nodig? Wat eist mijn psychisch en lichamelijk welbevinden? Hoe realiseer ik mijn authen­tieke zelf? Hoe word ik wie ik ben?

Het zelfbeschikkingsrecht strekt zich inmid­dels uit over leven en dood. Het rechtvaardigt het krijgen van een kind tot elke prijs. Of je nu hetero of homo, vruchtbaar of onvruchtbaar, oud of jong, alleenstaand of samenwonend bent, wat houdt je tegen als je een kind wenst? In ieder geval niet het belang van het kind zelf, noch dat van eventuele sperma‑ of eiceldono­ren, noch de vraag‑ en aanbodspiraal die door de claims van zelfbeschikkers op gang wordt gebracht en van de medische praktijk een indu­strie maakt.

Wil de zelfbeschikker een eind aan zijn leven maken, dan meent hij daarop ook een afdwing­baar recht te hebben. De machinerie van art­sen, wetgever en bureaucratie moet worden in­gezet om het individu aan zijn gewenste dood te helpen. Voor de sociale gevolgen van de uit­oefening van zijn individuele rechten voelt de zelfbeschikker zich niet verantwoordelijk. Dat de integriteit van de medische stand onvermij­delijk wordt aangetast wanneer doden tot de gewone beroepsuitoefening gaat horen, inte­resseert de doodsverlanger niet. Noch dat de euthanasiewet weliswaar zorgvuldigheid pre­dikt, maar deze niet garandeert. De toetsings­commissies hebben geen enkel zicht op wat er aan het sterfbed gebeurt en kunnen niet anders dan zich aan het verslag van de arts conforme­ren. De Nederlandse euthanasiewet, als de meest riskante wet die een samenleving zich kan permitteren, berust op een leugen. Maar daar kan de zelfbeschikker uitstekend mee le­ven.

Het individu instrumentaliseert het recht en de staat om zijn eigen private verlangens te ho­noreren. Het algemeen belang wordt ondergeschikt gemaakt aan de zelfbeschikking. Het in­dividu is de vijand van de burger geworden, precies zoals De Tocqueville tweehonderd jaar geleden voorspelde.

Als het onontkoombare proces van individu­alisering zijn grenzen lijkt te bereiken, wat dan te doen? Hoe kan de illusie van onafhankelijk­heid worden doorgeprikt? Hoe kunnen men­sen hun zelfbeeld corrigeren? Hoe worden in­dividuen weer burgers?

Daartoe zullen in de eerste plaats de infan­tiele en narcistische posities moeten worden opgegeven. Mensen zullen zich bewust moeten worden van de afhankelijkheid waarin ze leven en de sociale samenhang waarbinnen indivi­duen hun eigen leven moeten ontwerpen. Indi­vidualisering is niet in eerste instantie een hoogstpersoonlijk therapeutisch proces. Inte­gendeel. De individuele identiteit van mensen wordt vooral bepaald door de omgeving waarin men leeft, de personen met wie men omgaat, en de instituties die het denken, ver­wachten en handelen vormen.

Pas in tweede instantie gaat het om het ver­langen een eigen volwassenbiografie te ont­werpen. Wanneer die biografie slechts op geluk is gericht, zal de relatie tot anderen altijd de conditie zijn. Wanneer die biografie ook op burgerschap is gericht, en dat is wenselijk, zal de kantiaanse verantwoordelijkheid voor het eigen handelen als consument, patiënt, of werknemer de noodzakelijke conditie zijn.