Het Nationaal Puberteits Museum (2000)

Over de mythologisering van de jaren zestig

'Nostalgie is een verstandig sentiment', aldus Frans Smits, hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad ' in zijn eerste bijdrage aan de gemoderniseerde versie van zijn blad. Veel argumenten voor deze kloeke stelling voerde hij niet aan, eigenlijk geen enkele. Hooguit voegde hij er meteen een beperking aan toe: Als we er maar op een verantwoorde manier mee omgaan'.


Volkskrant 11-3-2000

Daarmee lijkt deze opvatting een beetje op de spreuk die drankreclarnes tegenwoordig begeleidt: geniet, maar drink met mate (die natuurlijk in feite betekent: drink, maar geniet met mate). Nu kan nostalgie van alles zijn, prettig, troostrijk, rustgevend, maar de vraag blijft waarom het nu zo'n verstandig sentiment zou zijn. Is nostalgie niet vooral een vlucht uit het heden, zo niet een afwijzing van de toekomst?

Bert Schierbeek heeft eens gezegd: ,Nostalgie, dat is: liever achteruitkijken, liever niet vooruitkijken, en liever niet doodgaan.' Zo zal iedereen weleens de behoefte hebben met omfloerste blik op de eigen jeugdjaren terug te kijken, zoals ook een samenleving als geheel een favoriete periode heeft om met vertedering naar om te blikken. Vroeger was dat, blijkens de jongensboeken, de periode van Opstand en Gouden Eeuw, maar tegenwoordig is dat vooral de Ot‑en‑Sien‑fase van Nederland, dat wil zeggen de periode even na 1900.

Vooral in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen is dat goed te zien: dat is een tot leven gekomen leesplankje dat draait om,de verbeelding van de ambachtelijke nijverheid en het traditionele Hollandse huisgezin ‑zoals bekend, twee kwaliteiten die vooral in de jaren zestig nogal wat schade hebben opgelopen. Eigenlijk zou ik niet weten waarom nostalgie zo verstandig zou zijn, in ieder geval niet als. men ‑ zoals Smits ‑tegelijkertijd wil vasthouden aan de gedachte dat 'wie greep wil krijgen op het heden, simpelweg niet zonder het verleden kan'. Nostalgie levert doorgaans immers niet veel meer op dan een uiterst selectief beeld van het verleden. In die zin verhindert het vooral een zicht op het heden en is het meer kitsch dan kunst.

Onder oudere jongeren is de laatste jaren een markante trek zichtbaar om de jaren zestig als het ware te nostalgiseren. Onlangs werd in Amsterdam een klein congres gehouden over de jeugdcultuur in de jaren vijftig en zestig. Opvallend was dat de aanwezigen vrijwel zonder uitzondering ervaringsdeskundigen waren: moeiteloos zongen we de teksten van Bob Dylan mee, we haalden herinneringen op aan onze eerste transistorradio of we dachten weemoedig terug aan petticoat en montycoat. Menigeen leek na afloop even naar zijn Puch te zoeken. Wat begon als een dappere poging greep te krijgen op 'de mythe van de jaren zestig', was binnen de kortste keren een feest der herkenning.

Dat was vooral zo interessant omdat alle aanwezigen beseften dat ze hier willoze slachtoffers waren van de eigen jeugdherinneringen en van de voortdurende herhaling van een standaardbeeld over the sixties in de media. Elke documentaire over de jaren zestig zal beatmuziek onder de beelden zetten, maar nuchtere herinnering leert toch juist hoe schaars die was? Nederland leed in die periode toch vooral onder de Muzikale Fruitmand, de muzikale pendant van Zigeunerin met Traan? Maar we zijn snel geneigd dat te vergeten en laten ons gemakkelijk wegglijden in het jeugdsentiment.

Dat is ook zo opvallend in een essay van Cyrille Offermans in het Historisch Nieuwsblad, getiteld 'De prettige gekte van de jaren zestig'. Geen tijdperk, zo merkt hij in het begin op, is zo snel gemythologiseerd als de jaren zestig. En natuurlijk, er valt veel op die periode af te dingen. Maar hij laat zich door niemand zijn mooie herinneringen aan 'vitale nieuwsgierigheid, vernieuwingsdrift en experimenteerlust' afnemen! En met een even kenmerkende als magistrale bijziendheid verheft hij nostalgie tot geschiedenis: 'Achteraf kan ik constateren dat ik het geluk heb gehad dat mijn puberteit samenviel met de puberteit van de Nederlandse, misschien wel de westerse moderne cultuur, die door de oorlog en de miezerige jaren daarna bij wijze van spreken enige tijd was opgehouden.'

Een dergelijk oordeel over de jaren zestig werd reeds in 1968 door Wim Noordhoek bijna letterlijk zo onder woorden gebracht in zijn inleiding op het Groot gedenkboek van de jaren vijftig. Met andere woorden: 'de jaren zestig' waren nog niet goed en wel begonnen of er was reeds vastgesteld dat de wereldgeschiedenis ‑ dan wel Nederland ‑in een nieuwe fase was aanbeland, en welk een geluk de nieuwe generatie was toebedeeld om daarvan te gaan genieten. Het is deze rotsvaste overtuiging, nu al drie decennia volgehouden, die leidt tot veel herhaling en die voorlopig resulteert in een matig inzicht in wat er nu eigenlijk in die jaren aan de hand was. Misschien moeten we eens een museum oprichten voor deze generatie?

Historisch Nieuwsblad. Maandblad voor Geschiedenis, 9de jaargang nummer 1 (februari 2000).