Het Ik-tijdperk: (1982)

Ik tijdperk was de titel van een special van de Haagse Post ondet redactie van John Jansen van Galen





Continue eredienst aan jezelf

REFLECTOR NUMMER 7- MAART 1982-

Eredienst 

De reclame lijkt een continue eredienst van de moderne consument aan zichzelf. ‘Ervaar zelf maar eens hoe verfrist u zich voelt na zo’n verkwikkende haarwassing’, be­veelt Lancôme haar produkt aan, dat ‘speciaal gemaakt lijkt om u een heerlijk gevoel van ontspanning te geven.‘Je ziet haar staan, stralend woelt ze met haar vingers door haar schuimende haardos; vroeger stond dan vaak op de achtergrond een heer in smoking, gereed om met haar uit te gaan. Maar die is weg. Je wast je haar niet meer voor een ander, maar omdat het lek­ker is voor jezelf.

Die mentaliteit is natuurlijk niet uitgevonden door de reclame. Reclame schrijft mensen niet voor wat ze moeten vinden, ze geeft vorm aan wat mensen zelf al zijn begonnen te denken, en versterkt het. En de reclame­experts hebben meteen ook een treffende term gevonden voor de tijd waarin wij leven: The Age of Me. ‘Jezelf liefhebben, schreef de dichter Os­car Wilde al, ‘is het begin van een levens­lange romance.’ Het Amerikaanse biermerk Schlitz wordt tegenwoordig aangeprezen met de leuze: ‘You’ve only one life to live.’ Misschien is dat wel een oorzaak van de nieuwe levenshouding: mensen leven niet meer voor een toekomst, met of zonder hoofdletter. De kernbom dreigt, de aarde raakt uitgeput, de groei is op z’n retour— laten we er voor onszelf maar het beste van maken.

Dienstbaar

De generatie die vóór de oorlog geboren werd, leefde vanuit een andere instelling. Je moest dienstbaar zijn, aan je ouders eerst, aan je gezin en kinderen later, aan je bedrijf, je land, de kerk, de buurt, de gemeenschap, dan zou het later beter worden. Aan jezelf kon je eventueel toekomen als je je eerst heel lang had ‘weggecijferd’ voor alle anderen. Ook de jonge garde die in de jaren zestig over de hele wereld voor een boel beroering zorgde, ging eigenlijk nog van deze mentaliteit uit: de ouderen hadden er een zootje van gemaakt, zij kwamen op voor een betere wereld. De teleurstelling, geboren uit ongeduld dat die betere wereld niet zo gauw kwam, leidde ertoe dat velen van die jonge revolutionairen zich terugtrokken. Eerst op een streven naar mooie menselijke relaties (‘Flower Power’, ‘Make Love, Not War), maar al gauw naar ‘persoonlijk geluk’. De jobstijdingen van de Club van Rome, over oortogsdreiging en kelderende economie, hadden inmiddels de verwachtingen van een stralende toekomst verduisterd. De ideologie van verplichte opofferingsgezindheid maakte plaats voor de zelfontplooiing als ideaal. Je ziet het in de popmuziek, die net zo’n perfecte spiegel van de cultuur is als de reclame. 1969 was het jaar van Woodstock: 450.000 jongeren op drie toogdagen van ‘liefde, vrede en muziek'. Het heette dat niemand die daar was ooit nog de oude zou zijn, en men luisterde naar musici die ook gratis optraden voor Vietnam en Bangladesj. De jaren zeventig werden het tijdperk van David Bowie, die alleen geinteresseerd was in zichzelf als ster, van de punk-bands, die het stardom demo­cratiseerden, en de disco, waarin iedereen, met schitter en glitter, en in z’n eentje zijn eigen ster kon zijn: ‘Making love with his ego'.

Psychotherapie

Het nieuwe ideaal is sterk gestimuleerd door de psychotherapie. Veel van de erin toegepaste methoden zijn gebaseerd op de theorie van Maslow, voor wie ‘persoonlijke groei, creatieve zelfontplooiing en zelfverwerkelijking’ eigenlijk het hoogste stadium van het menselijk leven vertegenwoordigen. Het beroemde ‘gebed’ van Perls, een andere grondlegger van de psychotherapie, geeft aardig de gedachtenwereld weer: ‘I do my thing and you do your thing/I am not in this world to live up to your expectations! And you are not in this world to live up to mine! You are you and l am I /And if by change we find each other, it’s beautifuI/ if not, it can’t be helped.’

In therapie werd de mensen geleerd —350 of liever: werd hun geleerd zelf te ontdekken — dat hun spanningen, onvrede, frustraties kwamen van het zich te veel naar anderen richten; ze vroegen zich te veel af wat anderen van hen wilden en vonden, in plaats van zichzelf, hun eigen verlangens en behoeften voorop te stellen.

De invloed van deze nieuwe heilsleer (‘Kom op voor jezelf!’) valt niet te onder­schatten. Niet alleen waren er bijvoorbeeld in 1977 al 150.000 Nederlanders ‘in therapie’ bij professionele therapeuten, daarnaast bestond een ware wildgroei in allerhande technieken, die allemaal tot doel hadden te leren ‘jezelf te ontdekken’. Ik noem Est, primal scream, bio-energetica, Tai Chi, TA, psychodrama, Xoelapepel, Rolfing. Het zou geen moeite kosten tot een duizelingwekkende opsomming te komen. De therapiegroepen die (vaak zonder ‘begeleiding, maar bij wijze van ‘zelfhulp’) de kern van zowel de nieuwe vrouwen- als mannenbeweging uitmaakten, gingen in wezen van hetzelfde doel uit: van jezelf gaan houden, en leren je eigen zin te doen. Maar bovendien werd dit streven door de massamedia gepopulariseerd. Er kwamen televisie-lessen over — de AVRO-cursus Assertiviteit bijvoorbeeld — en ook de vragenrubrieken van de damesbladen gingen de nieuwe geest ademen. Er is een aardig boekje, dat de ontwikkeling van de rubriek ‘Margriet weet raad’ beschrijft. Een vrouw die vroeger klaagde dat haar man haar slecht behandelde, kreeg te horen dat ze zich ter wille van de kinderen geduldig moest schikken; thans wordt haar indringend de vraag gesteld of zij in dit huwelijk nog wel bevrediging vindt.

Echtscheidingen

De gevolgen zijn niet uitgebleven. In tien jaar verdriedubbelde het aantal echtschei­dingen, men ging de ‘persoonlijke vrijheid’ prijzen van het alleen wonen, of men arrangeerde een ‘open huwelijk’ dan wel een ‘L(iving) A (part) T(ogether)-relatie beide met een minimum aan wederzijdse verplichtingen. Het werd verkeerd bevonden je aan anderen verplicht te weten.

Alom werd men ertoe aangespoord zichzelf te verwennen. Niet alleen met lekker eten, dure drank en allerhande moderne apparatuur, ook seksueel diende men in de eerste plaats gericht te zijn op maximaal eigen genot. Een partner was daarbij niet altijd nodig, de hausse in ‘lijfboeken’ bewijst het. Ongetwijfeld was er in al die zelfopoffering, dat ‘jezelf wegcijferen’ van vroeger veel hypocrisie, veel onechts. En zeker was het goed dat mensen zich meer dan voorheen gingen afvragen wat in hun dienstbaarheid aan anderen echt en waardevol was. Maar het schijnt mij toe dat in het nieuwe geloof de balans dreigt door te slaan naar een nieuwe hardheid.

Wie verkondigt dat iedereen maar voor zichzelf moet opkomen, aanvaardt stilzwij­gend dat degenen wie dat niet zo goed afgaat het loodje teggen, accepteert het recht van de sterkste in de menselijke betrekkingen. De ‘aardige mensen’ van vroeger werden de sukkels van nu. De leer van de ‘survival of the fittest’ herleeft, nu op het gebied van de psychologie.

Rekening houden

Natuurlijk is het een hele verademing dat mensen, los van allerlei verplichtingen in familie en buurt, eindelijk zichzelf kunnen zijn. Maar de gedachte van een ‘samenle­ving’ vereist nu eenmaal (het woord zegt het al), dat wij tot op zekere hoogte reke­ning met elkaar houden, en onze per­soonlijko vrijheidsbeleving een beetje into­men terwille van anderen.

Mij dunkt dat het juiste midden nog niet ge­vonden was. Want, zoals de onlangs overleden feministe Joke Smit het formuleerde:

‘Als ledereen voorzichzelf opkomt, wie komt er dan voor ons allen op?’

J. Jansen van Galen, publicist

N.B. De term 'Ik tijdperk' stamt van de journalist Tom Wolfe: 'The "Me" Decade and the Tird Great Awakening', New York 23 August 1976,pp.26-40.

(FD: dus geen uitvinding van van Galen)