De morele Golf (1991)

Kabinet-Lubbers III (1989-1994) - Parlement.com

Diverse trendwatchers hebben de jaren negentig als het decennium van de bezinning bestempeld. Een paar weken geleden zei de Parijse mode-expert Sebas­tien de Diesbach op een congres in Amsterdam dat ethiek, moraal en ecologie het gedrag sterk gaan bepa­len. ,,De show is voorbij,” riep de Amerikaanse onder­zoekster Faith Popcorn onlangs nog in deze kolom­men. ,,Nu tonen we wie we zijn door te onderstrepen welke waarden we omhelzen.”

we moeten nogal wat van de nieuwe zeden. We moeten gezond leven, we moeten groen leven, we moeten eerst wat van ons leven maken voordat we nieuw leven ver­wekken, we moeten ons seksueel beheersen, we moeten een nieuw-flinks evenwicht tussen rechten en plichten aanhouden, we moeten onfatsoenlijke bedrij­ven boycotten, we moeten ons ontplooien en bezin­nen... Er lijkt wel een morele golf door de contempo­raine cultuur te spoelen.


We moeten onze plichten kennen: ethisch consumeren, onze gezondheid cultiveren, de wetenschap beteugelen, onze lusten bedwingen en vooral soberder leven. Hoezo normen in verval? Schets van de eigentijdse zeden.

MATT DINGS

HP/DE TIJD 3/12/ 1991

Aan de toog van een cafe in de jordaan wis­ten ze het precies. De kastelein schonk nog eens in en intussen vervolgden ze hun commentaar. Koos, een huisschilder-- hij kwam net van zijn baas, de verf­spatten kleefden nog aan zijn handen -- maakte zich kwaad over al die asociale zwartwerkers: hij zou ze nog 's met zijn witkwast te lijf gaan. De man naast hem, een oudere man met een vet deukhoedje, dacht dat de moraal zoek was, vandaag de dag. Weet je wat het is, zei de kastelein, de mensen trekken zich nergens nog wat van aan, niemand stopt nog voor rood en fatsoen bestaat ook al niet meer. Dat ligt maar bloot op het strand, knikte het deukhoedje, ze kennen God noch gebod, en toen vond Koos weer dat ze mekaar neersta­ken om niemendal. Op straat, vervolgde het deuk­hoedje, lopen ze je doormidden en zeg je d’r wat van dan kun je een hengst voor je knar krijgen, dus zeg je maar niks. Niemand zegt nergens wat van, gromde de kastelein. Het bleef even stil. Nou proost dan maar, zei het deukhoedje tenslotte.

Normvervaging is een populair onderwerp, en niet alleen in het buurtcafé. Pas nog verdiepte het Christelijk-Sociaal Congres zich in de nasleep van de ontzuiling, die normen en waarden op drift had gebracht; daartegen, vond het Congres, moesten christenen met een sociaal hart eigenlijk een dam opwerpen. Ook de wetenschap studeert graag op de morele kwestie. De normen van de kerk zijn vervangen door die van het geldwezen, noteerde socioloog Kees Schuyt vorige week in de Volkskrant. Het geld bepaalt vol­gens Schuyt gedrag en denken en ‘is de religie van deze tijd’.

In een overdenking bij pakjesavond beschreef cul­tuur-psycholoog Tom ter Bogt de schipbreuk van de moraal in het ‘gewichtloze’ moderne bestaan. Con­sumptisme is nu het hoogste ethische goed. Dat lastige decembergevoel gireren we weg naar tropendokters. ,,Zo gaat dat, zo doen wij dat,” aldus de Utrechtse we­tenschapper.

Premier Lubbers noemde Nederland al eens ‘ziek’, een land van ‘normloos consumentisme’. Minister Ritzen vindt dat het onderwijs mensen weer moet opvoe­den in normbesef. De minister van Justitie, Hirsch Ballin, redeneert dat normen slecht worden nageleefd omdat er na de ontzuiling een ethos is gegroeid ‘van autonome oordeelsvorming, vrije expressie van emoties en lustbevrediging’, een vrijblijvende moraal die in een anonieme, harde samenleving alle ruimte geeft aan groepsegoisme en criminaliteit.

Wie een aantal van zulke beschouwingen achter el­kaar consumeert, krijgt een heel aparte indruk van bet contemporaine: dit zijn de Jaren van de Wolf, suggere­ren de commentatoren, eenzaam jaagt hij in de gure steppen op een prooi voor zijn vraatzucht of zijn veile lusten, wat is het toch voor een tijd waarin wij leven? Nu heeft de-tijd-van-tegenwoordig waarschijnlijk nog nooit gedeugd. Het hangt er maar van af wat de waarnemer wil zien.

Een socioloog als Paul Kapteyn is het radicaal oneens met degenen die het verval van de moraal verkondigen. Men doet alsof we in de afgelo­pen twintig jaar de weg zijn kwijt geraakt, maar dat is onjuist, zei Kapteyn in De Balie. ,,Eerder is de moraal verhoogd in de achterliggende periode. De gelijkheid onder de mensen is toegenomen. Er is meer onderlin­ge rekenschap.” En Aad Kosto, staatssecretaris van Jus­titie, wees erop dat naast verblekende regels nieuwe ze­den gloren: ,,Liever dan van Normen in Verval zou ik daarom willen spreken van Normen in Beweging.”

Kosto drukte zich nog te voorzichtig uit, want we moeten nogal wat van de nieuwe zeden. We moeten gezond leven, we moeten groen leven, we moeten eerst wat van ons leven maken voordat we nieuw leven ver­wekken, we moeten ons seksueel beheersen, we moeten een nieuw-flinks evenwicht tussen rechten en plichten aanhouden, we moeten onfatsoenlijke bedrij­ven boycotten, we moeten ons ontplooien en bezin­nen... Er lijkt wel een morele golf door de contempo­raine cultuur te spoelen.

Het ruikt naar vroeger, dat woordje ‘moraal’, het ruikt naar kansel en corset, naar bevoogding en be­perking, naar zondagsdienst en de gordijnen dicht en de sfeer van De avonden. Dat opus van Reve is weer actueel, zoals wel meer nieuws van weleer, maar daar­mee is er nog geen sprake van een werkelijk heimwee. Zo is de huidige renaissance van de moraal ook meer dan een hervertoning van oude zeden, die nu immers niet meer zouden voldoen.

In de tijd van De avonden was moraal een rechtlijnig onderwerp. Gelovigen hadden de Tien Geboden. In de socialistische familie leefden normen zoals gemeen­schapszin en matigheid. De burgerlijke cultuur zag het fatsoen als passe-partout voor het sociale verkeer. Die invloeden kwamen samen in een zedenpatroon van vlijt, spaarzaamheid, burgerzin, netheid en trouw aan gezin, koningshuis en eigen zuil. Het was een dwin­gende moraal die twijfel uitsloot en een algemeen re­cept voor het leven uitschreef. Dat was ook haar kracht, want er schuilden een rust en een zekerheid achter, waaraan de samenleving na een crisis en een oorlog wel toe was.

Maar wat ouderen geruststelde, beknelde jongeren. Dat werd in een keer duidelijk met het wereldsucces van James Dean. Met zijn rebellie regen de moraal van de braafheid vertolkte hij de vrijheidsdrang van een ge­neratie. Jack Kerouac (On the road) was nog zo’n tolk. Ook rock ‘n’ roll gaf uiting aan een levensgevoel dat de bestaande horizonten wilde passeren. Het waren de eerste vlagen van wat een storm zou worden: de cultu­rele omwenteling van de jaren zestig, een grondige af­rekening met de oude tijden en hun moraal-voor-al­len.

,,Een kwestie als die van de pil,” zegt filosoof en pu­blicist Bram Moerland, ,,is kenmerkend voor de grote ommeslag van zestig. De paus verbood het middel, maar het vond massaal ingang. Een anonieme massa liet zich geen idee meer voorschrijven door de elite. Vrouwen discussieerden er niet eens meer over, ze gin­gen gewoon hun gang. Dat was een stille revolutie van een mondige massa.”

De breuk tekende zich alom af. Seks bevrijdde zich in noodtempo uit de benauwing van vroeger. Gezag werd van kantoor tot huiskamer een synoniem voor onderdrukking. Homo’s, feministen en jongeren eis­ten ruimte voor hun eigen waarden. Zo werden goed en kwaad in allerlei hoeken van de samenleving op­nieuw gedefinieerd, met als constante notie dat vrijheid goed was en beperking fout. ,,Eindelijk uit de greep van de kerken,” constateert Bram Moerland, ,,werd het geluk van de vrijheid gevierd.”

Dat geluk is inmiddels van veel zuur commentaar voorzien. In eigen contreien is het de socioloog Anton Zijderveld die de moderne samenleving typeert als een verzameling losse mensen met losse waarden, die hin­kelend van shock naar kick de leegte proberen te vul­len. Overzee, in de Verenigde Staten, schreef de filo­soof Allan Bloom een zwartgallige bestseller over het cultureel relativisme. Bloom: ,,Vaderland, godsdienst, familie, een idee van beschaving, alle effectieve en his­torische krachten die tussen de kosmische oneindigheid en het individu stonden en het idee gaven dat je een plaats had in het geheel, zijn gerationaliseerd en hebben hun overredingskracht verloren. De samenle­ving wordt niet meer ervaren als een gezamenlijk pro­ject, maar als een raamwerk waarbinnen de mensen slechts individuen zijn en voor de rest aan hun lot worden overgelaten.

Het zijn waarnemingen die weliswaar iets met de feiten gemeen hebben maar dan ongeveer zoals de werkelijkheid wordt gepercipieerd door slachtoffers van grauwe staar.

Inderdaad heeft de modernisering oude sociale verbanden uit elkaar gerukt, vroegere ze­delijke schutspatronen van hun sokkels geduwd en de moraal bij het individu thuisbezorgd. De moraal ligt op straat, zeggen de pessimisten. Maar daar hoort ze ook thuis, althans voor wie gelooft in de autonomie van de mens. Tijdens het feest van de vrijheid werd de moraal niet afgeschaft. Dat kon ook niet. Moraal is een fenomeen zoals zwaartekracht, het laat zich niet afschaffen. Het begrip kreeg wel een nieuwe inhoud. Moraal werd maatwerk, een waarheid voor de eenling, een individu­eel ‘nee’, zoals Alexander Solsjenitsin het formuleerde: ,,De simpele stap van een eenvoudig, moedig mens is niet deel te nemen aan de leugen, geen leugenachtige handelingen te ondersteunen. Laat de leugen in de wereld komen, laat ze zelfs over de wereld heersen, maar niet dank zij mij.” De erkenning van mondigheid leidde weer tot een nieuwe collectieve norm: tolerantie. Tradities zijn nu niet meer vanzelfsprekend en dwingend. Wie ervan wil afwijken, heeft de ruimte. Maar daarmee heeft de wes­terse samenleving de traditionele normen en waarden nog niet van zich afgeschud.

Ook in 1991 staan eerlijkheid, huwelijk, gezin, trouw en arbeidsethos nog steeds hoog aangeschreven, zegt de Tilburgse socioloog R. de Moor. Hij leidt in­ternationaal onderzoek naar normen en waarden. Ont­kerkelijking en individualisering, aldus De Moor, heb­ben de moraal gepersonaliseerd, bevrijd en verruimd. De burger duldt nu niet meer dat autoriteiten zich met zijn priveleven bemoeien. Maar ‘dit betekent niet per se dat de meerderheid in een permissive society in haar gedrag van traditionele normen afwijkt; het betekent dat het vrijwel algemeen aanvaard is dat mensen naar hun eigen, verschillende normen handelen’.

Met de moraal op straat is de moraal dus niet verdwenen, maar gedemocratiseerd. Dat heeft wel een nieuw probleem opgeroepen. Want als ieder recht heeft op zijn eigen norm, wie bepaalt dan nog waar de ene norm de andere geweld aandoet? Die vraag zette de grote maatstaf van de tolerantie onder druk. De vrijheid van het individu kan het belang van de ge­meenschap schaden, en de zeden van de ene bevol­kingsgroep kunnen de waarden van een andere groep doorkruisen.

Het ligt voor de hand dat de overheid de rol van scheidsrechter vervult. Maar dat wordt lang niet altijd geaccepteerd. Met het toestaan van abortus en euthanasie komt de overheid tegemoet aan libertaire nor­men, maar provoceert ze conservatieve mensen. Bij een kraakrel handhaaft de ME een collectieve norm ten koste van die van een subcultuur. Reageert de politiek op het overschrijden van wettelijke normen met intensieve controle en het invoeren van een identificatie­plicht, dan komt er kritiek van burgers die hun privacy bedreigd zien. Verkeersregels of fiscale normen die als rigide en onnodig beperkend worden ervaren, worden genegeerd.

Het zijn voorbeelden van argwaan tegen het voor­schrijven van een moraal die niet als de eigen norm wordt herkend. In die zin bezorgde de individualise­ring de moraal een dubieuze bijklank van zedenmees­terij. In progressieve kring bestond het woord jaren­lang niet eens. Het taboe is echter aan het verdampen. Toen premier Van Agt in 1977 zijn ‘ethisch reveil’ lanceerde, werd hij weggehoond. Negen jaar later kreeg Elco Brinkman ook nog ironisch commentaar op zijn ‘verantwoordelijke samenleving’. Niet veel later kwam de PVDA onder de noemer ‘burgerzin’ met haar versie van de verantwoordelijke samenleving. Het Binnenhof sprak de burgerij weer aan op haar moraal en wees haar op zoiets ongehoords als plichten.

De politieke belangstelling voor de moraal kwam het duidelijkst aan het licht in een serie voorlichtings­campagnes tegen uiteenlopende ontsporingen zoals drankmisbruik, vandalisme, te hard rijden, onveilig ge­slachtsverkeer, racisme en seksueel geweld. De over­heid penetreerde ongekend ver in het priveleven van het individu. Het ministerie van Volksgezondheid schreef ons per advertentie voor dat we eerst van ons zelf moeten houden voordat we een ander mogen be­minnen. ‘Uit hartstocht? Of uit eenzaamheid?’ vroeg een tekst bij een bruiloftsplaatje even cynisch als streng. Een andere campagne drong zelfs de slaapka­mer binnen: ,,Als zij al 12 1/2 jaar om je geeft, bete­kent dat niet automatisch dat jij haar naar hartelust kunt nemen. Seks is natuurlijk. Maar nooit vanzelf­sprekend.”

,,De overheidscampagnes brengen niet zozeer nieuwe normen aan de man, maar bevestigen normen die al onder het publiek leven,” meent Bert Barends, een reclame-adviseur die in trendgolven is gespeciali­seerd. ,,In die zin is de overheid geen trendsetter, maar een trendverbreder. Ze treedt in de rol van oude instituties als het gaat om kwesties van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Die rol wordt niet meer geac­cepteerd als mensen het gevoel krijgen dat ze in hun eigen verantwoordelijkheid worden gepasseerd.”

De aandacht voor de moraal herleeft, vindt ook Ba­rends. ,,Vroeger vonden we in de zuilen steun en stut. Toen dat gezag verdween, leek de omkering van oude waarden een houvast. In de jaren tachtig hadden we het geld als de maat van alle dingen. Ook die geldcultuur is ingestort. Nu komt het op echte mondigheid aan en moet je je normen zelf ontwikkelen. Dat lijkt me een historische omslag. Golfoorlog, seksualiteit, milieu, racisme, biotechnologie... de dilemma’s drin­gen zich op en niemand levert je nog het antwoord op je vragen naar goed en kwaad. Her is jouw verant­woordelijkheid.”

Diverse trendwatchers hebben de jaren negentig als het decennium van de bezinning bestempeld. Een paar weken geleden zei de Parijse mode-expert Sebas­tien de Diesbach op een congres in Amsterdam dat ethiek, moraal en ecologie het gedrag sterk gaan bepa­len. ,,De show is voorbij,” riep de Amerikaanse onder­zoekster Faith Popcorn onlangs nog in deze kolom­men. ,,Nu tonen we wie we zijn door te onderstrepen welke waarden we omhelzen.”

Maar welke waarden zullen we eens omhelzen? De eenduidige adviezen zijn op. De kerken spelen geen grote rol meer in de moraal, en zijn bovendien adem­benemend verdeeld. Voor de socialistische zuil geldt hetzelfde. Tekenend is dat de FNV vorige week besloot tot verzakelijking. De vakcentrale zal zich concentreren op arbeidsvoorwaarden en niet meer functioneren als opinieleverancier voor alle grote maatschappelijke vraagstukken. Een slotakkoord bij de ontzuiling.

Tien, twintig jaar geleden wezen de wereldse kerken van links en rechts de moraal nog de weg. Links was voor abortus en tegen het kapitaal, rechts was tegen het minimumloon en voor de politie, en zo hadden het progressieve en het conservatieve kamp elk wel voorraadje ronde antwoorden op levensvragen. Dit stereo-denken is niet meer toereikend. Een beetje krant houdt er een forumpagina op na, die een vige­rend dilemma van liefst vijf uiteenlopende visies voor­ziet. Links en rechts, voor zover die begrippen nog bestaan, zijn waaiers van waarden en standpunten. De burger kan kiezen: de waarheid. is vermultiple-choised.

,,We hebben geen grote tegenstander meet,” zegt fi­losoof Bram Moerland. ,,Vroeger kon je je gelijk nog slijpen aan het ongelijk van je vijand. Zelfs het Rijk van het Kwaad is weg. God waren we al kwijt, maar nu is ook de duivel verdwenen. Je laatste tegenstanders zijn je buurman en jezelf.”

Van kanselonderwerp is de moraal tot een vraagstuk van het publiek discours geworden. In dit discours kristalliseren zich langzaam opinies uit over Hoe Het Tegenwoordig Hoort. Daar groeit de overtuiging dat de burger behalve rechten ook plichten heeft. Dat hard hout niet meer ‘kan’. Dat de vrije opvoeding ettertjes van kinderen baart zodat de ouder normen moet stellen. Dat je bij nader inzien meer hebt aan een goede relatie dan aan een pak van Armani. Dat een bedrijf behalve winstgevend ook in­teger moet zijn. Dat onveiligheid niet alleen een pro­bleem van De Telegraaf is.

De roep om ongezond gedrag af te straffen wordt sterker en sterker, schrijft R. Muijs aan de Geachte Re­dactie van de Volkskrant. Rokers, drinkers en autorij­ders ‘worden beschimpt door een stelletje slijmjurken’. Her levert hem een reactie van M. van der Voort op, die afgemeten stelt dat de samenleving niet lang meer zo gek zal zijn de ‘verfoeilijke en domme bezigheden’ van Muijs ‘en consorten’, die ‘rokende bloedhoesters’ door wie de natie wordt ‘getiranniseerd’, met de man­tel der liefde te bedekken.

Het is een briefwisseling die tien jaar geleden on­denkbaar was geweest. Toen was er ook nog amper sprake van de bedachtzaamheid die nu de seksuele mo­res kenmerkt. Onlangs is in dit blad nog uit de doeken gedaan hoe incest, seksueel geweld en AIDS twijfels zaaiden rond de vrije zeden. De vrijheid bleek slacht­offers te eisen. Dat bracht een schrikachtige, nieuw­preutse overreactie teweeg. Anderzijds is de bijstelling van de seksuele moraal een gevolg van de individuali­sering die aan de vrijheid ten grondslag ligt: want de vrijheid van het ene individu mag de vrijheid van het andere niet schaden.

Het milieu is een enorme bron van nieuwe waarden. Her schrijft de samenleving een moreel doordesemde le­vensstijl van soberte en verantwoordelijkheid voor. ,,Ik denk dat de milieukwestie een echte bindende factor wordt,” zei milieudeskundige Wouter van Dieren al in 1988 tegen De Tijd. Het milieu krijgt als het ware een religieuze functie.

In het bedrijfsleven is ethiek een groot thema aan het worden. Vorig jaar kwam er hier een handboek over bedrijfsethiek uit. Regelmatig zijn er congressen over de moraal van de manager. Het bedrijfsleven ziet zich geconfronteerd met een groeiend aantal ethische vragen (milieu-eisen, ongewenste intimiteiten, privacy, sociaal fatsoen) en probeert die voor te zijn met ethi­sche spelregels. In Amerika werkt al driekwart van de grotere bedrijven met enigerlei ethische code. De al eerder aangehaalde Faith Popcorn voorspelt zelfs een nieuw soort consumentengids: de Good Guy Scanner, een naslagwerkje dat van elke fabrikant weet of deze de mensenrechten, het milieu en de morele vaandels hooghoudt

In de wetenschap dienen zich permanent en steeds dringender vragen naar grenzen aan. De atoomweten­schap stelde de mens in staat de wereld te vernietigen en de gen-technologie belooft de mogelijkheid de schepping over te doen. Medici kunnen ongeboren le­ven manipuleren en eindigend leven zinloos rekken. En steeds weer doemt het dilemma op of we ook wil­len wat we kunnen. Het antwoord staat nergens ge­schreven

De tijd van de grote verhalen mag dan voorbij zijn, zoals de postmodernisten hebben uitgelegd, de vraag naar verhalen over goed en kwaad is er niet min­der om. Het reclamevakblad Nieuwstribune vestigde onlangs de aandacht op de vernieuwde reclamecam­pagne van LEE Jeans. De commercial toont beelden die aan een oude socialistische propagandafilm doen denken: een arbeiderscollectief dat zich in het zweet werkt voor ‘de goede zaak’ (een spijkerbroek van LEE dus). De associatie met het socialisme is door de makers ook bedoeld, zei een woordvoerder. LEE had 35 000 jongeren ondervraagd naar de normen en waarden van de jaren negentig. Her antwoord luidde: ,,Met z’n allen werken aan een betere maatschappij.” Zo’n ethos moet je dan ook adequaat verfilmen, vond de jeansfabrikant.

Misschien kan hij het filmpje eens opsturen naar de minister van Normverval.