De gezonde persoonlijkheid (1977)

Wat is een gezonde persoonlijkheid? Wat zijn de kenmerken van de persoon die een gezonde persoonlijkheid heeft? Hoe gedraagt deze persoon zich en hoe denkt en voelt hij? Kunnen u en ik een gezonde persoonlijkheid worden?


Fragment uit: Duane Schultz, Growth psychology. Models of the healthy personality (New York 1977)
Groeipsychologie. De mensbeelden van Gordon Allport, Carl Rogers, Erich Fromm, Abraham Maslow, Carl Jung, Viktor Frankl, Fritz Perls
Haarlem 1979 De Toorts p.9‑11

Deze vragen worden met toenemende frequentie gesteld, niet alleen door psychologen, maar evengoed door miljoenen anderen. Zoals te voorzien was, verscheen er, spoedig volgend op deze vragen, een verscheidenheid aan antwoorden ‑ een golf van zelfhulpboeken, leidende credo's, beloften van nieuwe levensstijlen ‑ sommige al te simpel en oppervlakkig (en waardeloos), andere mogelijk van waarde door ons te helpen onszelf beter te begrijpen.

Grote aantallen mensen in onze westerse samenleving gaan tastend rond in groepen, terwijl ze hun innerlijke zelf (en hun lichaam) onderzoeken en blootgeven in sensitivity‑trainingen, T‑groepen en een massa andere vormen van ontmoetingstherapie. Criminelen en verslaafden aan drugs, studenten en leraren, arbeiders en leidinggevenden, jong en oud, dik en dun, vinden in zulke ervaringen blijkbaar dimensies en vermogens in hun persoonlijkheid waarvan zij zich nooit gerealiseerd hadden dat zij ze bezaten.

Het thema van deze zeer populaire beweging is het vinden en definiëren van een gezondere persoonlijkheid. De nadruk ligt niet zozeer op het genezen van met de kindertijd verbonden conflicten en voorbije emotionele wonden als wel op het vrijmaken van verborgen reservoirs aan talent, creativiteit, energie en motivatie. Het brandpunt ligt in de richting van wat een persoon kan worden, niet wat hij of zij is geweest of op het moment is.

Het bestuderen van het menselijke vermogen tot groei werd lange tijd genegeerd in de psychologie, die voornamelijk geestelijke ziekte, niet geestelijke gezondheid, onderzocht. De laatste jaren begint echter een groeiend aantal psychologen het vermogen tot groei en verandering in de menselijke persoonlijkheid te erkennen.

Deze 'groeipsychologen' (de meesten van hen beschouwen zich als humanistische psychologen) zijn de menselijke natuur opnieuw gaan bekijken. Wat zij zien is een ander soort persoon dan die, afgeschilderd door behaviorisme en psychoanalyse, de traditionele vormen van psychologie.

Humanistische psychologen zijn steeds kritisch geweest ten aanzien van deze tradities, omdat zij geloven, dat behaviorisme en psychoanalyse beperkte visies op de menselijke natuur bieden, terwijl ze de hoogten tot welke personen potentieel kunnen stijgen negeren. Het behaviorisme, zo beschuldigen deze critici, behandelt de mens als een machine ‑'een complex systeem, dat zich volgens bepaalde wetmatigheden gedraagt'. Het individu wordt beschreven als een goed geordend, gereguleerd, vooraf bepaald organisme met evenveel spontaniteit, levendigheid en creativiteit als een thermostaat. De psychoanalyse heeft ons alleen de zieke of gebrekkige kant van de menselijke natuur gegeven, omdat zij zich richt op neurotisch en psychotisch gedrag. Freud en degenen die zijn leringen volgden, bestudeerden de emotioneel gestoorde, niet de gezonde persoonlijkheid ‑ het slechtste van de menselijke natuur, niet het beste.

Noch het behaviorisme, noch de psychoanalyse heeft zich beziggehouden met ons vermogen tot groei, met ons verlangen beter of meer te zijn dan we zijn. In werkelijkheid bieden deze gezichtspunten een pessimistisch beeld van de menselijke natuur. Door de behavioristen worden we gezien als wezens die passief reageren op uiterlijke prikkels en door de psychoanalytici als slachtoffers van biologische krachten en jeugdconflicten.

Voor de groeipsychologen zijn mensen veel meer dan dat. Terwijl de meeste groeipsychologen niet ontkennen dat uiterlijke prikkels, instincten en jeugdconflicten de persoonlijkheid bèinvloeden, geloven zij niet, dat mensen onveranderlijke slachtoffers van deze krachten zijn. We kunnen en moeten boven ons verleden, onze biologische natuur en de kenmerken van onze omgeving uitstijgen. We moeten ons boven deze potentieel remmende krachten uit ontwikkelen en groeien. Het beeld dat de groeipsychologen hebben van de menselijke natuur is optimistisch en hoopvol. Zij geloven in ons vermogen onszelf te verruimen, te verrijken, te ontwikkelen en te vervullen, alles te worden wat we kunnen worden.

Aanhangers van de groeibeweging suggereren dat er een wenselijk niveau van groei en ontwikkeling is dat verder gaat dan 'normaliteit', en zij argumenteren dat het noodzakelijk is dat mensen streven naar dat geavanceerde niveau van groei om al hun mogelijkheden te realiseren of verwerkelijken. Met andere woorden, het is niet genoeg om alleen maar vrij te zijn van emotionele ziekte; de afwezigheid van neurotisch of psychotisch gedrag is niet voldoende om iemand als gezonde persoonlijkheid te kwalificeren. De afwezigheid van emotionele ziekte is niet meer dan een noodzakelijke eerste stap naar groei en vervulling. Het individu moet verder reiken.

Deze positie kan diegenen misschien teleurstellen die menen dat zij al genoeg moeite hebben om alleen maar te trachten vrij te blijven van geestesziekte. Nu wordt hun verteld dat normaal zijn niet goed genoeg, is, dat zij een of ander hoger niveau van menselijke groei, een bepaalde supernormaliteit' missen. Maar wat is er verkeerd aan om gewoon normaal te zijn? Is het niet mogelijk een rijk, betekenisvol leven te hebben (zolang men vrij is van neurosen of psychosen) zonder verder te moeten gaan naar een hoger niveau van ontwikkeling? Misschien weet u de antwoorden al op deze vragen vanuit uw eigen ervaring. Het is mogelijk volkomen normaal te zijn (in de zin dat men geen emotionele ziekte heeft en dat men zijn behoeften en driften goed bevredigd ziet) en zich toch tegelijkertijd ongelukkig te voelen.

Als we de groeipsychologen mogen geloven (en misschien onze eigen ervaring), zijn we het ermee eens dat het mogelijk is, dat alle facetten van ons leven bevredigend functioneren en dat we toch lijden aan een kwellende verveling, stagnatie, hopeloosheid en zinloosheid. Zelfs te midden van schijnbaar ideale omstandigheden kunnen we een gapende leegte voelen in ons leven, alsof iets essentieels ontbreekt, zonder te kunnen identificeren wat er mis is. We kunnen misschien geriefelijk leven, een zekere betrekking hebben en een warm en liefhebbend gezin, vrij zijn van zorgen, en toch geen enkele grote vreugde kennen, niet het minste overweldigende enthousiasme, geen enkel intens gevoel van toewijding of betrokkenheid. Klaarblijkelijk gaat alles niet goed ‑ ons leven is niet zo volledig als het zou kunnen zijn, ondanks de oppervlakkige schijn.

De Russische romanschrijver Leo Tolstoj gaf een fascinerende beschrijving van een man voor wie aan de oppervlakte alles ideaal was. Toch was de man gegrepen door zo'n overweldigend gevoel van zinloosheid, dat hij zich bevend op de rand van zelfmoord bevond. 'Waarom zou ik leven?', vroeg hij zich af. Tolstoj kende de pijn die hij beschreef goed, want hij schreef over zichzelf:

"Ik voelde, dat iets in me waarop mijn leven altijd gerust had gebroken was, dat ik niets over had om me aan vast te houden en dat moreel mijn leven ten einde gekomen was ...

Zie me dan aan, een man, gelukkig en in goede gezondheid, het touw verbergend om mezelf niet te verhangen aan de balken van de kamer waar ik elke nacht alleen ging slapen; zie, dat ik niet langer ga jagen, opdat ik niet zou toegeven aan de al te gemakkelijke verleiding om met mijn geweer een einde aan mijn leven te maken.

Ik wist niet wat ik wilde. Ik was bang van het leven; ik werd ertoe gedreven het te verlaten; en ondanks dat hoopte ik er nog steeds iets van.

Dit vond allemaal plaats in een tijd toen ik wat al mijn uiterlijke omstandigheden aanging volkomen gelukkig behoorde te zijn geweest. Ik had een goede vrouw die van me hield en van wie ik hield; goede kinderen en een groot landgoed dat zich uitbreidde zonder dat ik er ook maar iets voor hoefde te doen. Ik werd meer gerespecteerd door mijn familie en kennissen dan ooit tevoren; ik werd door vreemdelingen met lof overladen; en zonder overdrijving kon ik mijn naam al als beroemd zien. Bovendien was ik noch krankzinnig, noch ziek. Integendeel, ik bezat een lichamelijke en geestelijke kracht die ik zelden heb gezien bij personen van mijn leeftijd. Ik kon even goed maaien als de boeren, ik kon acht uur ononderbroken met mijn hersenen werken en geen ongunstige effecten voelen ... Wat zal het resultaat zijn vanat ik vandaag doe? Of wat zal ik morgen doen? Waarom zou ik iets doen? Is er enig doel in het leven dat niet ongedaan gemaakt en vernietigd wordt door de onvermijdelijke dood die op me wacht?

Dit zijn de eenvoudigste vragen van de wereld. Ze bevinden zich in de ziel van elk mens, van het domme kind tot de meest wijze oude man. Zonder een antwoord hierop kan, zoals ik ervoer, het leven onmogelijk doorgaan."

Tolstoj, vijftig jaar oud toen hij deze ontroerende beschrijving gaf van zijn eigen innerlijke onrust, zou niet kunnen worden beschouwd als een gezonde persoonlijkheid. En dat brengt ons weer terug naar onze oorspronkelijke vraag: wat is een gezonde persoonlijkheid? Tot dusver hebben we slechts beschreven wat het niet is. Hier is een goede reden voor; we weten niet met zekerheid waarin de gezonde persoonlijkheid bestaat, omdat er weinig overeenstemming is onder de psychologen die op dit gebied werkzaam zijn. Er bestaan genoeg definities van de gezonde persoonlijkheid om een klein boek te vullen. Het beste dat we in dit stadium van onze kennis kunnen bereiken, is het onderzoeken van die denkbeelden over positieve psychologische gezondheid die het meest volledig schijnen, om te zien wat zij ons over onszelf vertellen.