Het begin van de jaren tachtig doordrong ons van de werkelijkheid van de economische crisis.
Voor het tweede deel van HP’s serie over de veranderende publieke moraal analyseert Herman Vuijsje de toekomst van het Ik-Tijdperk en de opmars van de onderhandelingshuishouding.
prof. Abram de Swaan. De ‘onderhandelingshuishouding’ die in allerlei relaties de vroegere ‘bevelshuishouding’ vervangt
HAAGSE POST 8 JANUARI 1983
Kan het door de psychotherapie zo gepredikte opkomen voor jezelf nog wel functioneren in de karige crisistijd? Of kan de ik-filosofie juist wonderwel worden aangewend voor het najagen van het naakte eigenbelang? Voor het tweede deel van HP’s serie over de veranderende publieke moraal analyseert Herman Vuijsje de toekomst van het Ik-Tijdperk en de opmars van de onderhandelingshuishouding.
ZOALS IN ELKE REACTIE op een vorig tijdperk ligt de overdrijving op de loer,” schreef John Jansen van Galen in de laatste alinea van zijn "Ik-Tijdperk". "Het ‘zelf' wordt tot de nieuwe God verheven, men preekt het egoisme als beginsel. Het gevaar dat in de jaren zeventig begon te dreigen is het best onder woorden gebracht door de feministe Joke Smit, toen ze de vraag stelde: ‘Als iedereen voor zichzelf opkomt, wie komt er dan voor ons allen op?’”
Het was eind 1979 toen dit geschreven werd, en sindsdien is er in ons leven één ding ingrijpend veranderd. Het begin van de jaren tachtig doordrong ons van de werkelijkheid van de economische crisis. Binnen twee jaar kwam bijna heel Nederland op de ‘minlijn’ te zitten en we realiseerden ons dat het wel even kan duren voor de zaken weer een leukere wending nemen. Wat zal onder deze omstandigheden het lot zijn van de me-first outlook die tijdens het Ik-Tijdperk opkwam? Zal die verder op-gang maken, of doodlopen op de nieuwe karigheid, die in de levens van steeds meer mensen de keuzemogelijkheden beperkt? Vrij algemeen wordt immers de toegenomen ruimte voor zelfontplooiing en bewustwording in verband gebracht met de grote welvaart die nu achter ons ligt. Die maakte dat steeds minder mensen uit angst voor ‘sociale deklassering’ vasthielden aan de bescheiden zekerheden van vroeger (aldus Christien Brinkgreve en Michel Korzec in hun boek over "Margriet weet Raad")
Steeds meer mensen gingen het leven zien als een smørgasbord, waar je niet hoeft te kiezen maar álles kunt proeven.
De angst voor sociale deklassering is op het ogenblik ongetwijfeld aan het toenemen, maar zoals al bleek uit het eerste deel van deze serie is er nog weinig sprake van een verminderd ‘opkomen voor jezelf'. Eerder lijkt het tegendeel het geval. Bestanddelen van de ik-filosofie, die in een groeiperiode tot bloei kon komen en van een ideologische rechtvaardiging werd voorzien, kunnen wonderwel worden aangewend voor het najagen van het naakte eigenbelang in een karige tijd.
Van alle verworvenheden uit de jaren zestig en zeventig lijkt de toegenomen ‘mondigheid’ van de mensen nog het meest te beklijven — of zelfs verder toe te nemen. In privé-relaties emancipeerden vrouwen zich tegenover mannen en kinderen tegenover ouders. Als burgers leerden we hoe we de overheid onder druk kunnen zetten, zodat ze in Den Haag meer rekening met ‘de mensen’ gaan houden. Het zijn ontwikkelingen die we zelf gewild hebben en waar de meeste Nederlanders nog steeds achter staan. Niemand hoeft te accepteren dat hij minder kansen krijgt dan een ander — wordt dat ideaal van gelijkwaarheid toch aangetast, dan mag je een grote bek opzetten. Maar het opzetten van een grote bek is altijd handig, evenals het je niets aantrekken van een ander, of van het ‘algemeen belang’. Qok mensen die zich helemaal niet hoeven te emanciperen, maar wel graag de kop boven water willen houden in crisistijd, krijgen in de gaten dat je tegenwoordig best naar puur eigenbelang kunt handelen, zonder dat daar een morele sanctie op volgt. Wat dat betreft kunnen de directeur van een bank vol zwart geld, de kraker en zijn ‘sympathisanten’, de zwartrijder, de foutparkeerder, de belastingontduiker, de zwartwerker en de paar Nederlanders die er dan nog over zijn, elkaar een handje geven.
HET IS MET EEN BEzwaard gemoed dat ik bij de eerste psychotherapeut aanbel. De beroepsgroep heeft de laatste tijd waarachtig al wat financiele en andere slagen moeten doorstaan, en nu komt er ook nog iemand vragen of ze eigenlijk niet als een soort tovenaarsleerlingen medeverantwoordelijk zijn voor het morele verval dat wij om ons heen zien. Waren het niet vooral psychotherapeuten die het opkomen voor jezelf tijdens de rijke jaren met kracht predikten? En heeft de ‘psychologische’ aanpak van allerlei problemen zich niet via cursussen en boekjes verbreid over flinke delen van de bevolking?
Psychotherapeut dr Van Dantzig constateert dat er een 'geloof' is gegroeid: ,,Echte psychotherapie heeft met kwalen te maken; daarnaast is er een volkscultuur ontstaan, afgeleid van vage en onuitgewerkte psychotherapeutische beginselen, uitgaande van de gedachte dat je kunt lijden als je onvoldoende assertief bent.” Zelf houdt hij zich als psycho-analyticus verre van dit soort populair gedoe. Hij heeft altijd geweten: ‘goed kunnen troosten is leren berusten’.
Soortgelijke antwoorden krijg ik te horen bij de meeste psychotherapeuten die ik bezoek. Freud heeft het immers al gezegd: psychotherapeuten kunnen hoogstens helpen, het lijden draaglijk te maken. ‘Instant’ geluk is alleen aangeboden door de ‘knoeigroepen’, de rafelrand van de psychotherapeutische wereld.
,,Ik heb me altijd verre gehouden van de gedachte dat psychotherapie geluk zou kunnen brengen,” zegt prof. H. Wijngaarden, die in 1951 als psycholoog psychotherapie ging doceren. Toen lag het accent nog niet zo op ‘van je afbijten’, maar hij heeft het zien ontstaan. Hij herinnert zich ‘een vakbondscursus in de jaren vijftig, waar aan zelfontplooiing werd gedaan’. ,,Op een gegeven moment stond er een man op, en die zei: ‘Moeten al die mensen nou echt omhoog? Mogen ze dan niet tevreden zijn met wat ze hebben?’ Het was een schok voor me, want ik vond het een rechtmatig verzet. In een gilde kan toch ook niet iedereen meester wezen? Als gezel had je ook een heel bevredigend bestaan.” Het ‘kop op, wees flink’ lijkt ook onder de ‘gevestigde’ psychotherapeuten een aarzelende come back te maken, getuige bijvoorbeeld de conferentie over ‘psychotherapie en het onvermijdelijke’ die het Nationaal Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NCGV) twee jaar geleden organiseerde. Een van de inleiders stelde vast dat ‘het klimaat van de psychotherapie geen geschikte bodem is voor het omgaan met het onvermijdelijke’. Dat klimaat wordt immers beheerst door waarden als veranderen, vooruit komen, groeien, je niet ‘schikken’? In de conferentiebundel staat niet-malse kritiek op het wetenschappelijk ‘almachtsdenken’, dat ook in de psychotherapie dreigde wortel te schieten. Therapeuten moeten zich in het belang van de clienten ook afvragen: ‘Wat voor toekomst hebben wij aan te bieden?’
,,Wellicht,” zo eindigde een van de bijdragen, ,,heeft ook de leeftijd te maken met de capaciteit tot accepteren. Steeds meer worden dan de onvermijdelijkheden duidelijk.. De acceptatie ervan kan iets activerends inhouden, een doorbraak naar nieuwe mogelijkheden. Voor de therapeut kan deze ontdekking een nieuwe springplank betekenen bij de opvang van zijn clienten.”
Niet meteen duidelijk is of hier de leeftijd van de clienten bedoeld wordt, of ook die van de psychotherapeuten zelf: de dertigers en veertigers die hun beroepsidentiteit grotendeels hebben opgedaan tijdens de jaren zestig en zeventig, en nu een houding proberen te ontdekken waarmee ze ook in crisisjaren serieus genomen zullen worden. Op de een of andere manier immers is de ‘geboortengolf-generatie waartoe velen van hen behoren, net in dezelfde periode ‘oud’ geworden waarin de ‘tijden oud werden’ door de oprukkende karigheid.
Naarmate de keuzemogelijkheden door de crisis afnemen, zullen meer mensen met ‘onvermijdelijkheden’ op allerlei gebied worden geconfronteerd. Ook hier zijn de ‘grenzen aan de groei’ in zicht gekomen, en dat geldt veer zowel therapeuten als clienten. "Inzichtgevende psychotherapie is niet altijd het beste,” zegt bijvoorbeeld groepstherapeut G. Hellinga. Hij doet ‘psychagogische groepen’ met oudere, langdurig werklozen of arbeidsongeschikte mannen. ,,Wat heeft zo iemand eraan als hij op weg is naar het totale inzicht in zichzelf, maar intussen ziek werdt vanwege een gevoel van overbodigheid? Ik ben al lang blij als ik hem kan helpen, zich een beetje meer senang te voelen, als zijn draagkracht wat meer in overeenstemming komt met zijn draaglast.”
N DE JAREN ZESTIG EN -ZEVENTIG kreeg je wat voor zieligheid,” zegt sociaal-psycholoog Onno van der Hart. ,,Het sein was als het ware op groen gezet: het was goed om je geheel te uiten. Nu is de competitie forser geworden. Mensen laten zich niet meer zo gauw op een schuldgevoel aanspreken.”
Moeten psychotherapeuten hun clienten leren ‘meehuilen met de wolven in het bos’? ,,De aardige mensen van vroeger zijn de sukkels van tegenwoordig,” constateerden Brinkgreve & Korzec in hun boek, en dat zal door de crisis alleen maar toepasselijker zijn geworden. Hard en gestaag werken, keurig op je beurt wachten, een zachte en bedeesde opstelling tegenover de sociale ambtenaar, dat hele brave gedrag van weleer wordt steeds minder beloond. Om met succes mee te dingen naar de schaarse baantjes, zo nodig een woninkje te kraken en in het algemeen een grote bek op te zetten wanneer dat dienstig lijkt, zijn heel andere dingen nodig.
,,Omdat aangenomen wordt dat iedereen wordt geleid door belangsteling voor macht en invloed, moet men de technieken van manipulatie leren beheersen, opdat men geen slachtoffer zal worden van de rest,” schreef de socioloog Derek Phillips vorig jaar in een ode aan de ‘schuld’. Hij bracht progressief en intellectueel Nederland de verpletterende boodschap dat geen enkele samenleving kan functioneren zonder dat de mensen zich aan bepaalde normen houden. Phillips verwijt de psychotherapeuten dat zij met het badwater van het overmatige schuldbesef ook het meest elementaire verantwoordelijkheidsbesef hebben weggegooid. De mensen moeten zich weer verantwoordelijk gaan voelen — niet alleen voor hun eigen ontplooiing, maar ook voor hun gedrag jegens anderen.
Krachtige taal, dat moest maar eens gezegd worden. Maar evenmin als andere geestelijk leiders als Den Uyl (‘Een beroep doen op de solidariteit van de mensen’) en Van Agt (‘Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij’) vertelt Phillips er bij hoe dit nu eens aan te vatten.
Een stap in die richting wordt wel genomen door de pedagoog Rita Kohnstamm, in het boekje Ik zei de gek dat begin februari bij Ambo verschijnt. ,,Er zijn mensen die denken dat kinderen van nature het goede in zich hebben,” schrijft zij. Maar aangezien er ‘in de verste verte niets is wat daarop wijst’, houdt ze het er maar op dat ze zonder de opvoeding door haar ouders ‘een onmogelijk egocentrisch wezen zou zijn gebleven’. En ze besluit: ,,We bewijzen moeder en kind een dienst door de ontwikkeling van opvoeding tot geweten en ideaal-ik weer in ere te herstellen.”
VOLGENS DE AMERIkaanse socioloog en opinieonderzoeker Daniel Yankelovich hoeven we ons trouwens helemaal niet zo veel zorgen te maken. In zijn boek New Rules (1981) schetst hij ons een ethic of commitment, een ethiek waarbij men elkaar weer meer is toegewijd, die hij in de Verenigde Staten ziet opkomen. Uit zijn onderzoeken is gebleken dat mensen een schreeuwende behoefte hebben aan diepere, persoonlijke relaties, en weer sterk gaan verlangen naar gemeenschapsbesef en geborgenheid.
New Rules verscheen een paar jaar na het van onheil zwangere boek The culture of narcissism van Christopher Lasch. Deze laatste voorzag min of meer de teloorgang van de westerse beschaving in een baaierd van narcistisch egocentrisme. Maar Yankelovich ziet lichtpuntjes: ,,Amerikanen leren van de experimenten die ze ondernemen.” Dat narcisme van Christopher Lasch is misschien alleen maar een voorbijgaande fase, onderdeel van een veel groter proces, waarbij de mensen uiteindelijk zelfontplooiing en commitment zullen combineren.
Dat is iets anders dan een ‘terugkeer naar het verleden’, benadrukt Yankelovich. ,,Het streven naar zelfontplooiing is geen jojo, die omhoog en omlaag springt met de economie. Het is een krachtige ontwikkeling, die zich nog steeds verder een weg baant naar de basis van onze maatschappij.” En vervolgens geeft hij een indringende beschrijving van het ‘zinkend cultuurgoed’: veranderingen in de cultuur zijn als aardbevingen. Wie dicht bij de breuklijn woont, ondervindt de schok het sterkst, maar ‘zelfs degenen die op verre afstand wonen, voelen de trillingen’.
Het zijn vooral de breuklijnbewoners, door Yankelovich strongformers genoemd, die door de me first-outlook zijn bevangen. Zij zijn degenen die zich als gevolg van de veranderde economische omstandigheden het sterkst moeten aanpassen. Maar zelfs zij zijn al begonnen, de tering naar de nering te zetten. Eind 1981 berichtte Yankelovich in het blad Psychology Today dat veel progressieve ouders zich zo bezorgd maken over hun kinderen, dat ze de charme beginnen in te zien van Moral Majority-ideeen. Strongformers bleken niet voor ‘traditionalistische ouders’ onder te doen waar het erom gaat, hun kinderen plichtsbesef en vaderlandsliefde bij te brengen.
In zijn boek denkt hij er liever niet aan wat er zou gebeuren als een synthese van plichtsbesef en zelfontpbooiing zou uitblijven. Dan zullen we eindigen met the worst of two worlds: ,,Een gefragmenteerde, stuurloze maatschappij, de familie aan barrels, de arbeidsmoraal ingezakt. We zullen dan een periode van bittere sociale conflicten binnengaan, die ons uit elkaar zal scheuren, onze samenleving zal ruineren en onze geesten zal vernietigen.”
Zodat Yankelovich er in slaagde, nog pessimistischer te zijn dan Lasch, maar tegelijk eigenlijk veel optimistischer. Goed voor de verkoop: de keuze voor een optimistisch of een pessimistisch toekomstbeeld is immers een van de weinige manieren waarop contemporaine historici zich van elkaar kunnen onderscheiden.
ALS ER EEN SOCIALE wetenschapper is die zich nadrukkelijk en vasthoudend op de ‘optimistische’ vleugel beweegt, dan is dat wel prof. Abram de Swaan. De ‘onderhandelingshuishouding’ die in allerlei relaties de vroegere ‘bevelshuishouding’ vervangt, is geen chaotische jungle, maar stelt zijn eigen grenzen aan het gedrag van mensen tegenover elkaar. De vrijheid om je eigen gedrag te kiezen is toegenomen, de sociale controle is afgenomen, en uit het feit dat de maatschappij niettemin nog redelijk doordraait, kunnen we opmaken dat mensen zich meer dan vroeger uit zichzelf ‘inhouden’.
Volgens De Swaans theorie zullen mensen zich wel twee keer bedenken voordat ze brokken maken door in een relatie ijskoud het onderste uit de pan te eisen. Mensen worden in toenemende mate afhankelijk van elkaar, en zullen dus ook in toenemende mate rekening moeten houden met elkaar, is zijn devies. Dat het respect voor allerlei wetten en regeltjes afneemt is op zich niet zo erg — Iaat de mensen zelf maar rustig uitdokteren hoe ze hun onderlinge contacten het liefst reguleren. Dan zal het sociaal-emotionele marktgebeuren dank zij de werking van een soort invisible hand vanzelf in de juiste banen worden geleid.
Mag dit rieken naar een oud-liberale ‘vrije markt’-opstelling, De Swaans rechtvaardiging ervan is geheel van deze tijd. De overgang naar een ‘onderhandelingshuishouding’ is immers ook een ontwikkeling naar meer gelijkheid? De machthebbers van weleer — de mannen, de ouders, de gezagsdragers — moeten meer rekening houden met hun vrouwen, kinderen en ondergeschikten. Eigenlijk is er dus sprake van een soort nivellering — wat willen we nog meer?
Zeker, De Swaan geeft toe (in zijn oratie Uitgaansbeperking en uitgaansangst, 1979) dat de overgang naar zo’n onderhandelingshuishouding voor sommige mensen ‘moeilijk en bedreigend’ is. Verstoken van de leidraad van maatschappelijk gebod en gewetenseis ontwikkelen zij soms angsten en onlusten, ‘omdat die onderhandelingshuishouding hen te moeizaam is, te riskant, en te eenzaam’. Psychotherapeuten zijn er vervolgens goed voor om hen te helpen, aanpassingsmoeilijkheden te over winnen.
Maar met geen woord rept De Swaan van de mogelijkheid dat dit nieuwe onderhandelen voor sommige mensen frustrerend is, niet omdat ze er nog aan moeten wennen, maar omdat zij die onderhandelingen in de meeste gevallen verliezen. Mensen die om een of andere reden ‘zwak’ in het leven staan kunnen nu keer op keer glashard geconfronteerd worden met het feit dat ze ‘weinig hebben te bieden’. Waren zij vroeger verzekerd van zorg en aandacht van familie, buurtgenoten en andere naasten, tegenwoordig worden ze linea recta naar professionele hulpverleners gestuurd. Of misschien mogen ze nog wel een beetje met de mensen in hun omgeving omgaan, maar dan wel op voorwaarde dat ze zich neerleggen bij het soort en de hoeveelheid aandacht die de ander belieft te investeren.. Zo niet — ‘bekijk het maar’.
Deze nieuwe onderhandelingshuishouding kent zijn eigen regels, stelt De Swaan. lnderdaad, en één van die — onuitgesproken — regels is dat je minder duidelijk zult zeggen wat je wilt als je met je rug tegen de muur staat. Dan zul je eerder dingen van een ander ‘pikken’ die je eigenlijk niet zou willen pikken. De ander weet dit, en aangezien tijd en aandacht schaarse goederen zijn geworden op de sociaal-emotionele markt, zal hij hard onderhandelen.
Natuurlijk, het werkt — de vrije markteconomie werkt in zekere zin ook prima. Maar het Iijkt me de vraag of we daarover moeten juichen, wanneer we onze gedachten terug laten gaan naar een tijd toen mensen ook aan ‘zwakke’ broeders aandacht besteedden — niet als resultaat van een belangenafweging, maar als iets dat vanzelfsprekend bij het leven hoorde.
- KAN MEN ZEGGEN DAT IN persoonlijke relaties altijd nog een mate van wederkerigheid en belangverstrengeling aanwezig is, anders ligt dat in ons handelen jegens vreemden of jegens ‘de gemeenschap’. De Swaan mag hier graag wijzen op het verkeersgedrag: afnemend respect voor de verkeersregels, maar tegelijkertijd elk jaar minder verkeersdoden. Logisch: wie door een rood stoplicht rijdt, zal meestal goed uitkijken, anders is hij zelf ook de sigaar. Waarmee overigens nog geenszins is gezegd dat het leven er voor bijvoorbeeld oude mensen of anderen die slecht ter been zijn leuker op is geworden, nu de voorspelbaarheid van het verkeersgedrag bij rode stoplichten en richtingstraten zoveel minder is geworden. Maar door welke afweging wordt het handelen van de foutparkeerder, de kraker, de zwartrijder, de vandaal of de fietsendief ‘in toom gehouden’? Door geen enkele andere dan de ‘pakkans’, en aangezien die bij dit soort delicten gering is, valt er van een heilzaam besef van wederzijdse afhankelijkheid weinig te bespeuren. Van een toenemende ‘gewetensvorming’ evenmin. De onderhandelingshuishouding werkt kortom ‘beter’ naarmate de betrokkenen een besef hebben van wederzijdse afhankelijkheid. Het beste voorbeeld is de door De Swaan veelvuldig genoemde seksuele relatie tussen twee mensen, Ook daar zijn oude normen afgebroken, maar in dit geval hebben beide partijen er alle belang bij dat er in goed overleg iets nieuws voor in de plaats komt. Het andere extreem is de man die de grotestadsbewoner in een portiek ziet liggen, en passeert. Het stemmetje dat in ons achterhoofd ‘Doe iets’ fluistert, is in een paar jaar tijds bijna onhoorbaar geworden, en daar is helemaal niets voor in de plaats gekomen.
Het oprukken van de onderhandelingshuishouding stelt ons in staat, met elkaar om te gaan nadat de oude morele regels zijn verzwakt, maar dat betekent nog niet dat daarmee is voorzien in alle functies die vroeger werden uitgeoefend door moraal en sociale controle. De Swaans analyse gaat uit van een puur instrumentele regulering van het wederzijdse eigenbelang:
Zo lang dit soort gedrag gelegitimeerd wordt — en De Swaan werkt daaraan mee —neemt iedereen inderdaad een ‘rationeel’ besluit door even ik-achtig op te treden als de rest. Maar voor de maatschappij als geheel is zo’n houding van ‘ieder voor zich en de staat moet maar zien’ uiterst inefficient. De overheid ziet zich genoodzaakt, de naleving van gedragsregels af te dwingen door een steeds uitdijend en uiterst kostbaar apparaat. Juist in crisistijd zijn die kosten nauwelijks meer op te brengen, waardoor de problemen zich nog verergeren.
‘Afwentelen’ is het sleutelwoord van het amorele ‘opkomen voor jezelf — of het nu gaat om verantwoordelijkheidsbesef in persoonlijke relaties of om burgerfatsoen en bekommernis om het algemeen belang tegenover de overheid. Hoe we daarvan af komen is de vraag, maar we zouden kunnen beginnen, de rechtvaardiging van zulk gedrag te staken. Die rechtvaardiging wortelt in de rijke tijd die achter ons ligt, en brengt in crisistijd meer dan ooit het risico met zich mee dat de rekening die we met z’n allen moeten betalen, ons nog raar zal doen opkijken.
Herman Vuijsje