Luisteren naar deskundigen (2004)

Historische terugblik op opvoeding in de jaren 50 e.v.

Invloed van de psychologie in de jaren zeventig.


Opvoedingsadvies aan Nederlandse ouders 1945-1999

Janneke Wubs

Assen 2004 van Gorcum

De omslag van 1970 (p.214 uit slothoofdstuk)

Vanaf de late jaren vijftig werden veranderingen zichtbaar in de opvoedingsboe­ken. Er was geringe maar toenemende aandacht voor individueel gerichte opvoedingsdoelstellingen als ontplooiing en persoonlijk geluk. Een enkele auteur probeerde oplossingen te vinden voor het gezin waarvan de moeder bui­tenshuis wilde werken of besteedde aandacht aan wat opvoeden voor ouders zou kunnen betekenen aan emotionele belasting. Nieuwe opvattingen over de omgang met kinderen kregen, hoewel ze niet ronduit aanvaard werden, van ver­scheidene zijden aandacht. Paradoxaal genoeg zorgden juist deze inhoudelijke veranderingen in opvoedingsboeken voor een extra stabiel beeld over de periode 1945 tot 1970. Het weinige dat er veranderde in het opvoedingsadvies bestond grotendeels uit verzet tegen of aanpassing van nieuwe inzichten, om tot dan toe vigerende opvattingen te kunnen handhaven. Veranderingen in de maat­schappij, zoals toenemend autobezit of toename van uitgaansmogelijkheden, vormden soms voor een schrijver aanleiding om in een herdruk van een opvoe­dingsboek een nieuw stuk tekst hierover op te nemen. De strekking daarvan was dan een waarschuwende. De goede opvoeding mocht niet door de veranderin­gen in gevaar komen. De enkele auteur die een verandering als het buitenshuis werken door moeders positief benaderde, zocht naar manieren om deze veran­deringen in de tot dan toe geldende opvattingen over het ideale gezin zo goed mogelijk in te passen. Meestal echter wekten ‘moderne' ontwikkelingen en inzichten de neiging om met des te meer klem de bestaande opvattingen over het gezin en de rol van moeders en vaders in de opvoeding naar voren te bren­gen. Ontplooiing als opvoedingsideaal werd vooral gebruikt ten dienste van de karaktervorming. Aandacht voor de contactbehoeften van baby's resulteerde in hernieuwde nadruk op de manier van omgaan die in het advies reeds gangbaar was. Het vele dat er in hun tijd in beweging was wilden deze schrijvers in over­eenstemming of in evenwicht brengen met hun altijd gekoesterde en gepropa­geerde opvoedingsdoel=en en gezinsidealen.

Rond 1970 werd vrijwel het hele assortiment van de onderzochte populaire opvoedingsboeken vernieuwd; er waren binnen de selectie al geen nieuwe Nederlandse boeken meer verschenen sinds 1964. Het laatste nieuwe boek dat voor 1970 verscheen was hoe verzorg ik mijn kind van de Franse kinderarts Lauren­ce Pernoud in 1967. Het eerste boek uit 1970 was de bundel ABC der opvoeding van Yvonne Mathon, geschreven voor Libelle. De adviezen van deze schrijfsters over de omgang met kinderen pasten bij de voorlichting van voor 1970. Hun opmerkingen over de opvoedingscapaciteiten van ouders en de waarde van des­kundige adviezen weerspiegelden al de geest van de jaren zeventig.

Onmiddellijk na 1970 trad een hele nieuwe generatie deskundigen aan. Dit bracht inhoudelijk een omslag teweeg. Belangrijk in die omslag was het grote aandeel van schrijvers van methodeboeken. Hun prioriteit lag bij praktische handelingsadviezen, gebaseerd op psychotherapeutische principes. Ze boden ouders methoden om de relatie met kinderen vorm te geven. De gerichtheid op probleem oplossen verdreef het ontwikkelingspsychologisch kindbeeld, de dui­delijke opvoedingsdoelen en de persoonlijkheid van de ouders zelf als elemen­ten uit dit advies. Opvoeden was in deze boeken een onder de knie te krijgen techniek. De plotselinge hausse aan methodeboeken kon ontstaan door de opkomst van het psychotherapeutisch bedrijf in de jaren zestig. De toenemen­de populariteit van vooral de gedragstherapieën en de Rogeriaanse therapievor­men strekte zich ook uit tot het terrein van opvoeding en opvoedingsvoorlich­ting. Werk van Amerikaanse psychologen en psychotherapeuten werd vertaald, Nederlandse psychologen en GGZ-werkers begonnen ook opvoedingsboeken volgens hun therapeutische inzichten te schrijven.

In de boeken uit de jaren zeventig die naar leeftijdsgroep of onderwerp waren opgezet kwam het kind centraler te staan dan voorheen. In de opvoedingsboeken waren ontplooiing en welbevinden van het kind en de ple­zierige relatie tussen ouders en kinderen niet langer voornamelijk dienstbaar aan de opvoeding tot het gestelde doel, maar waardevol op zich.' Voorlichters gin­gen ervan uit dat ouders kinderen kregen omdat ze die wilden en dat daarom genieten van hun kind voor ouders belangrijk was. Zo kon de individuele rela­tie tussen kind en ouder een centraal aspect van de advisering worden, terwijl raadgevingen over de functie van het gezin in de maatschappij en over de inrich­ting van het gezin niet langer voorkwamen. Dat de deskundigen het belang van deskundig opvoedingsadvies voor het eerst relativeerden hangt hiermee samen. Immers, de kwestie of ouders en kinderen zich samen goed voelden werd een belangrijk criterium. Daardoor kwamen gevoelens centraal te staan in plaats van rationele overwegingen inzake de juistheid van gekozen opvoedingsstrategieën met het oog op doelen van opvoeding. Authenticiteit van opvoeders gold als belangrijke factor in het gelukkig samenleven. De eisen die deskundigen voor­heen aan de persoonlijkheid van opvoeders stelden vervielen daarmee. Opvoe­ding mocht naar het idee van deze schrijvers ‘natuurlijker' gebeuren. Deze ver­anderende opvattingen sloten naadloos aan bij de steeds invloedrijker wordende psychologische inzichten rond hechting tussen ouders en kinderen en het belang daarvan voor de ontwikkeling.

De nieuwe generatie schrijvers wilde met dit alles afstand nemen van de voor­gaande generatie deskundigen. De jaren zestig waren voorbij; uit de opvoe­dingsboeken sprak het gevoel dat men in een nieuwe tijd leefde. Het nieuwe tijd­schrift Ouders van Nu wilde voor moderne opvattingen garant staan en ook in Margriet werd verslag gedaan van recente psychologische opvattingen over opvoeding. Programmamakers schakelden wetenschappers in om in televisiese­ries kijkers kennis te laten maken met ontwikkelingspsychologische opvattin­gen over kinderen. De voor het einde van de jaren zestig zo kenmerkende radi­caal veranderingsgezinde ideeën uit feministische en anti-autoritaire hoek zijn sporadisch in de voorlichting vertegenwoordigd…..' Wel was er in boeken uit de jaren zeventig sprake van enige opluchting dat ‘alles' veranderd was, en soms van kritiek op wie nog con­ventioneel en traditioneel was.

In plaats van opvoedingsdoelen en goede opvoeders stelden de voorlichters het kind zelf en liefde voor het kind voorop. Bovendien wilden de schrijvers af van de kloof tussen wetende deskundigen en onwetende ouders. Enerzijds hield dit in dat ze de opvattingen van ouders evenveel waard noemden als die van des­kundigen, anderzijds dat ze vonden dat wetenschappelijke kennis met leken moest worden gedeeld. Men vond dat ook ouders moesten kunnen beschikken over het instrumentarium om in voorkomende gevallen opvoedingsproblemen op te lossen. Dat instrumentarium kwam in de loop der jaren meer centraal te staan, en daardoor verloor de gelijkwaardige verhouding met ouders haar glans.

De roep om authentieke, ‘natuurlijk' opvoedende ouders werd overstemd door de aanprijzing van de adequate opvoedingsstijl. Op de losmaking van de oude pedagogische idealen, die zo kenmerkend was voor de voorlichting uit de jaren zeventig, volgde in de jaren tachtig binding aan psychologische inzichten.

Opvoedingsboeken en cultureel-maatschappelijke veranderingen

In de jaren zeventig stonden voor het eerst de idealen van gelukkige en volledig ontplooide ouders en kinderen centraal. In de jaren die volgden raakten deze idealen steeds meer verbonden met ontwikkelingspsychologische argumenta­ties. Kinderlijke ontwikkeling ging in de loop van de jaren tachtig de sturende rol spelen die voorheen door opvoedingsdoelen werd gespeeld. Adequate hech­ting tussen vooral moeder en baby en het opbouwen van een positief zelfbeeld van grotere kinderen vormden de belangrijkste onderdelen van een goede emo­tionele relatie tussen ouders en kind, omdat ze volgens psychologen voorwaar­de waren voor een goede ontwikkeling. De schrijvers van de opvoedingsboeken profileerden zich hierin duidelijk als beroepsdeskundigen, professionele specia­listen met verstand van kinderen. Niet alleen de psychologen onder de schrij­vers maar ook de pedagogen en andere professionals lieten professionele psy­chologische inzichten over het kind en de kinderlijke ontwikkeling de richting bepalen die zij opvoeders wezen. Deze psychologische oriëntatie had haar weer­slag op de rol die schrijvers van opvoedingsboeken speelden of wilden spelen in maatschappelijk-culturele veranderingsprocessen. Tot 1970 zagen opvoedings­deskundigen veranderingen in de maatschappij en in leefgewoonten van gezin­nen met lede ogen aan. Na 1970 leken zulke kwesties niet meer relevant voor opvoedingsadvies. De verhouding van het gezin met de maatschappij waarin dat gezin leefde kreeg nog maar zeer zelden aandacht. Therapeutische principes voor de omgang met kinderen werden als universeel geldig gepresenteerd, ze stonden in principe los van de persoon van de opvoeder en van maatschappe­lijke omstandigheden. Hetzelfde gold voor de ontwikkelingsbehoeften van kin­deren. Van belang voor een ongestoord verloop van de verschillende ontwikke­lingsfasen was alleen de directe relatie van de ouders met het kind.

In concrete onderwerpskeuzen reageerden deskundigen ook na 1970 wel op maatschappelijke ontwikkelingen. Ze maakten melding van de vrijheid die ze ouders wilden gunnen om zorg- en opvoedingstaken in hun gezin naar eigen inzichten te verdelen. In enkele boeken was er discussie over wat daarin de beste manier van doen zou zijn. Speelzaalbezoek door driejarigen en bezoek aan kin­derdagverblijven door nog kleinere kinderen kwamen aan de orde vanaf respec­tievelijk de jaren zeventig en tachtig, de perioden waarin beide zaken in opkomst waren. Maar in tegenstelling tot wat er gebeurde in de boeken van voor 1970, vond er geen integratie plaats van kwesties als deze in de adviezen over de omgang met de betreffende kinderen. In de adviezen ging het over het kind, de kinderlijke ontwikkeling en de relatie tussen dat kind en de ouders. De des­kundigen wilden na 1970 niet langer normerend spreken over de inrichting van het gezinsleven. De opstelling van de voorlichter was die van de professional die verstand heeft van kinderen en die zich buiten de persoonlijke levenssfeer van ouders houdt. De schrijvers sloten aan bij wat in hun ogen de gangbare opvoe­dingspraktijk was. Daarbij gingen ze er kennelijk van uit dat aansluiting bij wat ouders nu eenmaal doen, die ouders de ruimte geeft hun eigen keuzen te maken. Het was professionele opvoedingsvoorlichters na 1970 er niet om te doen cul­tureel-maatschappelijke veranderingsprocessen in gang te zetten of tendensen om te buigen. De minderheid van auteurs die dit streven wel koesterde, nam afstand van psychologische kinderkennis om prioriteit te kunnen geven aan maatschappelijke revolutie, aan een spirituele omgang met kinderen of aan reli­gieus bepaalde opvoedingsdoelen. Dominant in het onderzochte materiaal bleef echter de psychologische kijk op kinderen en opvoeding. Ook toen in de loop van de jaren negentig enkele deskundigen aansluiting zochten bij enigszins ang­stige retoriek van doorgeslagen individualisme met alle gevolgen van dien, waar­voor het adagium ‘als we nou weer eens gewoon gingen opvoeden' de oplossing zou moeten bieden, bleef in de adviezen de ontwikkeling van het kind de stu­rende rol spelen."

Die psychologische benadering bracht toch een bepaalde visie met zich mee op wat hoort en wat niet, ondanks het ogenschijnlijk neutrale standpunt van de mees­te voorlichters. In methodeboeken bleek de loskoppeling van psychologische technieken enerzijds en waarden in de opvoeding anderzijds niet helemaal te luk­ken. In de adviezen in de boeken die naar leeftijd of onderwerp waren opgezet, schetsten de schrijvers al doende een duidelijk beeld van wat ‘normaal gesproken' moeders en vaders doen in de opvoeding. Beschikbaarheid voor baby's en geduld met lastige peuters waren opgaven waarvoor in de adviesboeken moeders ston­den. Het enige dat echt duidelijk werd over de rol van vaders was dat ze bij de opvoeding van hun kinderen betrokken moesten worden. Zo ontstond een beeld van hoe ‘normale' gezinnen eruit zien en ‘normale' opvoedingsgewoonten, die van belang zijn voor de ‘normale' ontwikkeling van het kind.

Nu is door wetenschapsonderzoekers betoogd dat ook wetenschap en pro­fessie waarop de opvoedingsdeskundigen zich baseerden, aansloten bij de cul­tuur en maatschappij van dat moment. Psychologische praktijken en weten schappelijk onderzoek spelen zich af in dezelfde historische maatschappelijke context als de opvoedingsvoorlichting van dat moment, met alle problemen, dis­cussies, modes en preoccupaties van dien. Zo wordt de hechtingstheorie nogal eens onder vuur genomen vanwege de centrale rol die erin aan moeders zou wor­den toegekend bij de ontwikkeling van gehechtheid bij jonge kinderen……. Voor uitspraken over de wenselijkheid van andere opvoedingssituaties, zoals kinderopvang of door ouders gedeelde zorg, levert de hechtingstheorie in wezen geen geschikte basis, aldus Singer." De Wolff en Van IJzendoorn stelden in 1998 dat onderzoek naar hechting weliswaar meestal over moeders met kinderen gaat, maar dat de theorie ook voor vaders en kinderopvang genoeg ruimte laat. Onderzoek naar de rol van andere opvoeders dan moeder laat zien dat kinderen ook met hen gehechtheidsrelaties opbouwen…..Uit zo'n debat wordt in ieder geval duidelijk dat opvoedingsvoor­lichters die zich wilden beperken tot hun professionele deskundigheid en zich wilden onthouden van uitspraken over levenskeuzen van ouders en daarom in hun advies aansluiting zochten bij de gangbare opvoedingspraktijk en bij gang­bare psychologische opvattingen, in die aansluiting wel degelijk oordelen impli­ceerden over normaal en niet normaal, adequaat en niet adequaat. Meer dan ze zelf misschien wilden of beseften. Kinderlijke ontwikkeling werd een grond voor oordelen van ‘goed' en ‘fout' in de opvoeding, en de levenskeuzen van ouders konden daar niet helemaal los van blijven staan.

Spock leek dit effect in enige mate onderkend te hebben, toen hij, daartoe gemaand door critici, in de jaren zeventig paragrafen aan zijn boek toevoegde over de consequenties die zijn psychologisch georiënteerde opvoedingsadviezen zouden kunnen hebben voor gezinnen. Hij stelde de taakverdeling tussen vader en moeder in de zorg voor de kinderen expliciet en in normatieve zin aan de orde en besprak de belemmerende gevolgen van een seksespecifieke opvoeding voor de maatschappelijke kansen van meisjes. De normen van gedeelde verantwoor­delijkheid tussen vader en moeder en van gelijke kansen voor jongens en meis­jes probeerde hij met zijn psychologische standpunten in overeenstemming te brengen. Al in 1970 had hij, terwijl zijn psychologisch georiënteerde adviezen voor de omgang met kinderen onveranderd bleven, ouders opgeroepen die psy­chologische inzichten met de rol van ultiem criterium voor een goed leven toe te kennen. Zo combineerde hij zijn rol als opvoedingsdeskundige met het mora­liseren over waar het naar toe moet met de wereld, een combinatie die Neder­landse deskundigen nu juist achter zich hadden gelaten.

De onderzochte opvoedingsvoorlichting kan in grote lijnen gezien worden als een genre dat veranderingen in de inrichting en organisatie van het gezinsle­ven, in opvoedingsgewoonten en in de publieke opinie daaromtrent dikwijls met enige vertraging weerspiegelt. Tussen 1945 en 1970 gingen schrijvers in op ontwikkelingen die zij om zich heen constateerden en vraagstukken die in hun ogen voor opvoeding relevant waren. Deze schrijvers beoogden wel sturing te geven, maar uit het feit dat de veranderingen waar ze het over hadden eerder in de maatschappij optraden dan in hun boeken blijkt dat ze geen leidende rol in zulke veranderingen speelden. Ze leken zich zelfs geen illusies te maken over de mate waarin ze hun publiek konden beïnvloeden in de wijze waarop dat met de veranderingen omging. Na 1970 was het de exclusief professionele oriëntatie van de opvoedingsvoorlichters die ervoor zorgde dat cultureel-maatschappelijke veranderingen naijlden in hun werk.

Luisteren naar deskundigen

De omslag van 1970 was in veel opzichten niet alleen een breuk met de vooraf­gaande hier onderzochte periode van vijfentwintig jaar, maar ook met een lange­re traditie. De opvoedingsboeken van tussen 1945 en 1970 sloten inhoudelijk grotendeels aan bij opvoedingsadvies van na 1930 en op veel punten ook bij opvoedingsadvies van het begin van de twintigste eeuw en nog eerder. Karaktervorming van het kind stond tot aan 1970 in de onderzochte boeken centraal. Over wat een goed mens was en wat het doel van opvoeding dus moest zijn, lieten de schrijvers geen twijfel bestaan.

Toen na 1970 de nieuwe generatie deskundigen aan ontplooiing en welbevin­den een op zichzelf staand belang toekende, leek dat te wijzen op individualise­ring ten aanzien van de opvoedelingen. Kinderen mochten in de loop van hun opgroeien zichzelf worden en hun eigen waardensysteem kiezen. Naarmate ech­ter de normale psychologische ontwikkeling steeds meer als criterium voor goede opvoeding ging gelden werden de op te voeden kinderen weer meer aan een specifieke ideale volwassene afgemeten. Om te beginnen wordt in zo'n pro­ces ‘normaal' een normatief begrip en worden afwijkingen van het ‘normale' als probleem beschouwd. ‘Normale' ontwikkeling wordt iets dat ouders met hun kind moeten zien te bereiken in de opvoeding. Aanpassing als opvoedingsdoel kwam in de boeken na 1970 weliswaar niet langer voor, maar kon via de ach­terdeur van de cognitieve en sociale ontwikkeling weer binnen sluipen als voor­waarde voor een normale ontwikkeling op deze punten.’ Verder is het beteke­nisvol dat juist succes op deze twee ontwikkelingsgebieden bij de adviezen over schoolkinderen een grote plaats innam. Onder anderen Breeuwsma heeft er op gewezen dat vigerende ontwikkelingspsychologische theorieën specifieke domeinen van ontwikkeling marginaliseren die niet passen in het gestelde eind­doel van ontwikkeling. Hij noemt bijvoorbeeld magisch denken, dromen of artisticiteit, zogeheten fenomenen van ‘verbeelding'.' Wanneer opvoedings­voorlichters zich voornamelijk richten op gangbare psychologische inzichten over ontwikkeling, kennen zij daarmee de ontwikkelingspsychologie de bevoegdheid toe te bepalen welke levensterreinen in de opvoeding van belang zijn.'- In de recent verschenen opvoedingsboeken bleken dat vooral de sociale en cognitieve ontwikkeling te zijn. Dat deskundigen een lans braken voor ‘geluk' als prioriteit boven rijkdom of geleerdheid, klinkt dan ook veeleer als een zoet­houdertje voor in de intellectuele mogelijkheden van hun kind teleurgestelde ouders dan als een serieus standpunt inzake opvoedings- en ontwikkelingsdoe­len. Als de betreffende schrijvers deze prioriteitsstelling concretiseren komen ze tenminste niet verder dan dat ouders van een mavo-kind genoegen moeten nemen met de mavo en het kind niet naar de havo sturen, ‘ook al zou het dit met veel moeite, ondersteuning en aanmoediging kunnen halen'.’ Acceptatie van wat kennelijk geldt als minder dan goed is het enige dat de ouders rest. Een schrijfster uit 1951 kon nog veel onbekommerder pleiten voor waardering voor andere kunsten dan het schoolse leren. Als de zevenjarige jan veel beter leert dan zijn tweelingbroer Bertje, prijst de auteur hun creatieve ouders die manieren zoeken om beide zoons evenveel gevoel van eigenwaarde te geven en beider talenten tot ontwikkeling te laten komen: voor de dag dat de grootouders van het stel veertig jaar getrouwd zijn laten ze jan een lange gelukwens instuderen en oefenen ze met Bert een stuk op de handen lopen.

Begrip voor het kind en luisteren naar het kind bleken in hun concretisering in de opvoedingsboeken in toenemende mate het kind als psychologisch te interpreteren exemplaar van de menselijke soort op het oog te hebben en niet het kind als persoon, zoals een vriend of collega, met alle hebbelijkheden en onhebbelijkheden van dien. Het centraal stellen van de kinderlijke ontwikke­ling heeft zowel voor ouders als voor kinderen prioriteitsstellingen inzake opvoeding en levenskeuzen met zich mee gebracht waarvan professionals zich dachten te onthouden. Recent heerst binnen het werkveld van opvoedingson­dersteuning de opvatting dat de opvoedingsdeskundigheid van professionals niet in de eerste plaats uit standaardkennis over gezonde ontwikkeling en daar­bij passende opvoeding moet bestaan, maar dat er vraaggericht gewerkt moet worden: het zijn uiteindelijk de ouders die bepalen aan welke problematiek gewerkt gaat worden. De betrokkenen uit het werkveld die hiervan melding maken, merken echter op dat hoewel dit gedachtegoed breed gedragen wordt, de realisatie ervan problematisch blijkt