Emotie: de wetenschap van het gevoel (2002)

Uit de inleiding van zijn boek

Achtergrond informatie


Evans,Dylan
Rotterdam 2002, Lemniscaat

Voorwoord

Het woord ‘sentiment' maakt zware tijden door. Tegenwoor­dig wordt het nauwelijks meer gebruikt en zijn naaste ver­want ‘sentimenteel' heeft een ongunstige bijklank. Tweeën­halve eeuw geleden, toen de Verlichting op zijn einde liep, stonden de zaken er heel anders voor. Toen had het woord ‘sentiment' min of meer dezelfde betekenis als onze huidige term ‘emotie'.

De filosofen van de Verlichting waren gefascineerd door de emoties. David Hume, Adam Smith en Thomas Reid hebben alle drie uitvoerig geschreven over de sentimenten en de harts­tochten. Deze denkers geloofden dat emoties van vitaal belang waren, zowel in het leven van het individu als in het maat­schappelijk leven. Smith is niet alleen de grondlegger van de ‘sombere wetenschap' (de economie), maar hij heeft ook mee­geholpen bij de eerste verkenningen van de ‘sentimentele we­tenschap' (de psychologie van de emotie). In zijn eerste boek, The Theory of Moral Sentiments (1759), stelde hij dat emoties het garen vormen waarvan het weefsel van de maatschappij gemaakt is. Evenals Hume en Reid beschouwde Smith rede en emotie niet als onverzoenlijke vijanden. Al deze denkers be­schouwden het als rationeel om emotioneel te zijn en waren van mening dat de wetenschappelijke studie van de geest nooit compleet zou kunnen zijn als zij zich niet ook zou bezighou­den met het hart.

De romantici verwierpen deze zienswijze en wekten een ouder beeld van de emoties weer tot leven. In hun optiek wa­ren de emoties in wezen altijd gekant tegen de rede. De mens stond voor een grimmige keuze tussen gevoel en verstand, en de wijze besloot zich niet op zijn hoofd te verlaten maar de stem van zijn hart te volgen. Rousseau betoogde dat de rede de mens uit zijn onschuldige ‘natuurstaat' had weggerukt en hem tot een ontaard schepsel had gemaakt. Om terug te keren naar de onschuld diende de mens te vertrouwen op zijn gevoel en niet op de logica. De verborgen schatten van het sentiment zouden niet worden onthuld door de wetenschap, maar door de poëzie.

Ik gebruik het woord ‘sentiment' om blijk te geven van mijn sympathie voor het verlichte beeld van de emoties. An­ders dan de romantici ben ik niet van mening dat de emoties fundamenteel tegengesteld zijn aan de rede, noch dat het al­tijd beter is om op onze gevoelens te vertrouwen in plaats van op ons verstand. In plaats daarvan sluit ik mij aan bij Adam Smith en ben ik van mening dat intelligent handelen voort­komt uit een harmonieus samengaan van rede en emotie. Ik denk dat een wezen zonder emoties niet rationeler zou zijn dan wij, maar juist minder rationeel, maar ik ben ook van mening dat het soms beter kan zijn om op je verstand te ver­trouwen dan op je gevoel. Weten wanneer je je gevoel moet volgen en wanneer je dat beter kunt negeren, is een waardevol talent dat tegenwoordig wel wordt aangeduid als ‘emotionele intelligentie.

In dit boek bepleit ik een terugkeer naar het beeld van het gevoel als bondgenoot van het verstand en niet als de vijand daarvan. Evenals Smith en Hume ben ik van mening dat we­tenschappelijk onderzoek naar de emoties niet alleen mogelijk is, maar ook waardevol. Niet omdat ik denk dat we emotionele ervaringen ooit tot een droge formule zullen kunnen reduce­ren, maar wel omdat ik van mening ben dat helder denken over emoties ons niet hoeft te hinderen bij het verdiepen van onze emotionele ervaring. Ik hoop dat grotere kennis over de werking van de emoties ons leven niet zal verarmen, maar juist zal verrijken. En als dat wat te hoog gegrepen is, dan kan het toch op zijn minst heel opwindend zijn om meer te weten te komen over de recente wetenschappelijke vorderingen in het onderzoek naar deze raadselachtige verschijnselen.

In de jaren negentig heeft de wetenschappelijke belangstel­ling voor de emoties een soort renaissance doorgemaakt. Ge­durende een groot deel van de twintigste eeuw waren er slechts weinig psychologen en zelfs nog minder antropologen die zich bezighielden met onderzoek naar de emoties, maar aan het be­gin van de eenentwintigste eeuw staan de zaken er heel anders voor. De emoties staan in het brandpunt van de belangstelling. De antropologie begint terug te komen van haar denkbeelden over de culturele bepaaldheid van emotionele ervaringen. De cognitieve psychologie houdt zich niet langer uitsluitend bezig met redeneervermogen, waarneming en geheugen en is bezig met een herontdekking van het belang van affectieve proces­sen. Neurologen en onderzoekers op het gebied van artificiële intelligentie hebben zich ook in het debat gemengd en dragen nieuwe stukjes van de legpuzzel aan. Dit boek probeert de ont­wikkelingen in een breed perspectief te plaatsen en een aantal van die stukjes aan elkaar te passen.

Het spreekt vanzelf dat binnen het bestek van een kort boek als dit niet alle aspecten van een complex vakgebied aan bod kunnen komen. Ik heb dan ook een aantal heel interessante terreinen van het emotie-onderzoek buiten beschouwing moeten laten. Zo zal de lezer hier bijvoorbeeld niets aantreffen over de wijze waarop de emoties bij kinderen tot ontwikkeling komen, al is ook dit een onderwerp waaraan steeds meer aan­dacht wordt besteed. Al evenmin wordt melding gemaakt van de gestaag groeiende hoeveelheid literatuur over individuele verschillen in emotionele beleving. De keuze van de onder­werpen die hier wél aan bod komen, vormt een weerspiegeling van mijn eigen idiosyncratische interessen en mijn vermoe­dens over wat u het interessantst zult vinden.

Ik begin met een bespreking van de diversiteit van de emo­tionele beleving in verschillende culturen. Elke cultuur heeft haar eigen emotionele klimaat en ik baseer me hierbij op antropologisch onderzoek dat enkele van deze variaties in kaart heeft gebracht. Vele antropologen zijn tegenwoordig ech­ter van mening dat de verschillen in emotionele beleving tus­sen verschillende culturen veel kleiner zijn dan de overeen­komsten. In hoofdstuk i verdedig ik de stelling dat emoties een soort ‘universele taal' vormen die de mensheid tot één enkele familie maakt. Het gemeenschappelijke emotionele erfgoed dat ons bindt, gaat dieper dan de culturele verschillen die ons scheiden.

We hebben dit gedeelde emotionele repertoire te danken aan onze gemeenschappelijke voorouders. We stammen alle­maal af van een paar duizend hominiden die honderdduizend jaar geleden op de Afrikaanse vlakten hebben geleefd. Een groot deel van onze emoties is in die lang vervlogen tijd ge­vormd. De oorsprong van een nog groter deel ligt echter nog veel verder in het verleden, in een tijdperk waarin onze voor­ouders nog niet menselijk waren. In hoofdstuk a verken ik de evolutionaire geschiedenis van de emotie en stel ik dat emo­ties niet alleen in het verleden van vitaal belang zijn geweest voor ons overleven, maar dat ze dat ook tegenwoordig nog zijn. Emoties zijn niet alleen maar franje en het zijn al hele­maal geen verschijnselen die, zoals Plato dacht, een belem­mering vormen voor intelligent handelen. De makers van Star Trek hadden het mis toen ze ervan uitgingen dat de Vulca­niërs, een denkbeeldig buitenaards ras dat geen emoties kent, intelligenter zouden zijn dan de mensen. In weerwil van Mr. Spock zou een intelligent wezen dat niet over emoties be­schikt, niet via een proces van natuurlijke selectie kunnen ontstaan.

Het spreekt vanzelf dat de omstandigheden waaronder we nu leven heel anders zijn dan die waaronder onze evolutionaire voorouders zich tot mensen hebben ontwikkeld, en het belangrijkste verschil is wel dat we tegenwoordig beschikken over vele middelen om onszelf gelukkig te maken waarvan onze voorouders zelfs nog niet konden dromen. In hoofdstuk 3 bespreek ik deze ‘stemmingstechnologieën; die ons een kor­tere weg naar het geluk lijken te bieden: van psychotherapie en kunst tot drugs en meditatie. Ik kijk of ze wel of niet werken en bespreek de gevaren van sommige pogingen om bochten af te snijden in de lange en kronkelige route naar het geluk die de evolutie voor ons heeft uitgezet.

In hoofdstuk 4 leg ik uit hoe de emoties van invloed zijn op zulke ‘cognitieve' vermogens als geheugen, aandacht en waar­neming. Het vermogen van de emoties om dergelijke vermo­gens te beïnvloeden, maakt emotionele technologieën heel aantrekkelijk voor adverteerders en politici. Een appèl doen op de gevoelens van het publiek, biedt de mogelijkheid om dat van mening te laten veranderen zonder daar goede argumen­ten voor te geven of sluitend bewijs te overleggen. Aan het eind van dit hoofdstuk bespreek ik verschillende emotionele over­redingstechnieken, zoals bijvoorbeeld subliminale reclame­technieken.

Het meest recente vakgebied dat zich heeft gemengd in het debat over de emoties, is dat van de artificiële intelligentie. Sinds het begin van de jaren negentig hebben computer­wetenschappers steeds meer belangstelling gekregen voor het bouwen van emotionele machines, en in de robotica is op dit terrein al het een en ander bereikt. In het laatste hoofdstuk be­handel ik deze recente ontwikkelingen en speculeer ik over waartoe deze zouden kunnen leiden. Zullen we erin slagen om robots te bouwen die net als wij over gevoel beschikken? En wat zouden de gevolgen daarvan zijn?

Ik wil niet pretenderen dat in dit boek het laatste woord ge­sproken wordt over de emoties. Een echt goede theorie van de emoties zou wel eens voor altijd onhaalbaar kunnen blijken.

Basisemoties

Basisemoties zijn aangeboren en universeel. Ze komen snel tot expressie en die expressie houdt telkens enige se­conden aan. Onderzoekers zijn het niet met elkaar eens over het precieze aantal basisemoties, maar de meesten zijn het erover eens dat het in ieder geval om gaat de vol­gende emoties:

  • vreugde
  • verdriet
  • woede
  • angst
  • verbazing
  • walging

Niet alle onderzoekers gebruiken dezelfde termen. Op dit soort lijstjes komen vaak ook `geluk' en `droefheid' voor. Maar volgens mij zijn deze termen beter geschikt om stemmingen te beschrijven, en daarom maak ik in dit boek gebruik van de woorden `vreugde' en `verdriet' om basisemoties aan te duiden, en van de ter­men `geluk' en `droefheid' voor goede en slechte stem­mingen.

Fanatieke tegenstanders van deze theorie van de emotie kunnen daar natuurlijk altijd nog tegen inbrengen dat Ekmans onderzoek alleen maar aantoont dat de gelaatsuitdrukkingen die met basisemoties in verband worden gebracht, aangeboren en universeel zijn. Het onderzoek zelf zegt niets over de sub­jectieve emoties die achter die gelaatsuitdrukkingen schuil­gaan. Dat is zonder meer waar, maar hetzelfde geldt voor alles wat subjectief en privé is. Zo kan ik er bijvoorbeeld nooit ze­ker van zijn of jouw ervaring van de kleur rood of de zoete smaak van suiker werkelijk dezelfde is als de mijne. Als onze subjectieve ervaringen werkelijk zo sterk van elkaar zouden verschillen, dan valt het echter moeilijk te begrijpen hoe we ooit zouden leren communiceren. We zouden dan misschien wel in staat zijn om dezelfde woorden te gebruiken in dezelfde grammaticale context, maar als we ze zouden gebruiken om wezenlijk andere concepten mee aan te duiden, dan zouden we ongetwijfeld vastlopen in een eindeloze reeks misverstanden. We zouden het nooit over iets eens kunnen worden.

Meningsverschillen en misverstanden zijn natuurlijk aan de orde van de dag, maar ze komen toch niet zo vaak voor dat alle effectieve communicatie onmogelijk is. De meesten van ons lijken anderen het grootste deel van de tijd toch tamelijk dui­delijk te kunnen maken wat we bedoelen. Als iedere cul­tuur haar eigen emoties zou hebben geconstrueerd, dan zou­den die net zo snel veranderen als de taal en zouden deze tek­sten ook in vertaalde vorm nog volstrekt onbegrijpelijk voor ons zijn.

Communicatie is ook mogelijk zonder woorden en dat is grotendeels te danken aan de basisemoties die alle mensen met elkaar gemeen hebben. Wanneer antropologen voor het eerst in contact komen met een volk dat tot dan toe geen contact met de buitenwereld heeft gehad, zijn gelaatsuitdrukkingen en gebaren de enige communicatiemiddelen waarover ze be­schikken. Gelukkig is een groot deel daarvan speciaal bedoeld om emoties te uiten. Als de antropologen glimlachen, dan zal die gelaatsuitdrukking onmiddellijk worden herkend door de leden van de geïsoleerde stam, en het is mogelijk dat de stam­leden zullen teruglachen om de antropologen te laten merken dat ze hetzelfde gevoel hebben over deze ontmoeting.

hogere cognitieve emoties

zijn sterker cultureel bepaald dan de basisemoties. Ondanks hun grotere diversiteit zijn de hogere cognitieve emoties echter nog steeds universeel menselijk. Net als basisemoties, maar anders dan cultureel bepaalde emoties, maken de hogere cognitieve emo­ties deel uit van de door iedereen gedeelde menselijke natuur. Ze zijn gevormd in de loop van ons gemeenschappelijke evo­lutionaire verleden.

Hogere cognitieve emoties zijn universeel, net als basise­moties, maar ze vertonen een grotere culturele variatie. Ze hebben ook meer tijd nodig om te ontstaan en weg te sterven. Hogere cognitieve emoties zijn onder meer:

• liefde

• schuld

• schaamte

• verlegenheid

• trots

• afgunst

• jaloezie

Sommige basisemoties kunnen ook worden ingezet voor de maatschappelijke functies die typerend zijn voor de hogere cognitieve emoties. Als je weerzin voelt bij de aan­bik van uitwerpselen, is dat een basisemotie. Als je wal­ging voelt omdat je ziet dat iemand iets doet dat gemeen of oneerlijk is, wordt de basale emotionele respons, ont­worpen om te zorgen dat je uit de buurt blijft van gif­stoffen en bronnen van infectie, ingezet ten behoeve van de maatschappelijke functie van zorgen dat je uit de buurt blijft van onbetrouwbare types.

Wat is er naast de liefde verder nog voorhanden aan hogere cognitieve emoties? Onder de mogelijke kandidaten bevinden zich schuld, schaamte, verlegenheid, trots, afgunst en jaloezie (zie kader). Uit dit lijstje blijkt ook een andere eigenschap van de hogere cognitieve emoties, na­melijk dat al deze emoties, anders dan de basisemoties, in we­zen een maatschappelijke functie hebben. Je kunt bang zijn voor of walgen van levenloze voorwerpen en dieren, maar voor liefde en schuldgevoel heb je andere mensen nodig. Het is mogelijk om je schuldig te voelen omdat je een dier pijn hebt gedaan, en er zijn mensen die beweren een diepe liefde te voe­len voor hun kat of hond, maar het is onwaarschijnlijk dat schuld en liefde met dit doel zijn ontstaan. De hogere cogni­tieve emoties lijken door het proces van natuurlijke selectie te zijn ontworpen om onze voorouders bij te staan bij de omgang met hun steeds complexer wordende sociale omgeving. Zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien, is het goed mogelijk dat dit de emoties zijn die het bindende element vormen in elke samenleving.