Wanneer de machtsverschillen tussen mensen afnemen en ze aan de manieren waarop ze met zichzelf en elkaar omgaan groter gewicht toekennen bij het vaststellen van hun onderlinge rangorde, dan komt daarmee het ambivalente karakter van menselijke relaties duidelijker en klemmender naar voren
Cas Wouters
Omgangsvormen rond sex en dood in de twintigste eeuw
Amsterdam 1995 Bert Bakker p.47 vv
Fragment uit Hoofdstuk 1 Is het civilisatieproces van richting veranderd?
De toename van variaties, de toegenomen zelfdwang, het vergrote individualiteitsbesef, zijn niet beperkt gebleven tot feesten en partijen, maar betroffen omgangsvormen in het algemeen. De omgangsvormen, deze ‘regels' voor het sociale verkeer, werden in de jaren zestig en zeventig op allerlei gebieden en in allerlei opzichten voor overbodig gehouden. Het nieuwe ideaal bestond eruit het gedrag geheel zelfstandig te sturen, op eigen kracht, door ‘zichzelf' te kennen en anderen ‘aan te voelen'. Dit nieuwe ideaal vooronderstelt een zeer hoge mate van zelfdwang; het vormde een verstrekkende en wijdverbreide uiting van onvrede en verzet tegen de dwang van anderen. Als zodanig was dit herkenbaar in het marxistisch geïnspireerde verzet tegen de burgerlijk-kapitalistische samenleving, zowel als in provo-, hippie- of 'encounter'bewegingen, geïnspireerd op mensen als Kerouac, Reich, Marcuse, Maslow en Rogers, en uitgedrukt in de in die tijd zeer populair geworden woorden als zelfactualisering, zelfontplooiïng, bewustwording en persoonlijkheidsgroei. Het verzet tegen dwang en onderdrukking vormde als het ware de voedingsbodem voor het nieuwe ideaal van zonder omgangsvormen toe te kunnen. Woorden als normen, regels en omgangsvormen kregen daarbij een wat ouderwetse klank omdat ze indruisten tegen het zo sterk gegroeide individualiteitsbesef. Wie dergelijke woorden gebruikte, stond bij degenen die het nieuwe ideaal uitdroegen al gauw onder verdenking van fatsoensrakkerij. Het woord fatsoensrakker is betrekkelijk recent. Het werd door Vestdijk in onze taal geïntroduceerd en de grote bekendheid van dit woord wijst op een snelle uitbreiding, niet van datgene waarnaar het verwijst, maar van de behoefte daartegen in opstand te komen. Fatsoensrakkers waren mensen die ervan werden verdacht bang te zijn hun zelfbeheersing te verliezen als zij zich zelf aan ‘dat gevaarlijke gedrag' zouden wagen, bang dat de gelegenheid een dief van hen zou maken, en te worden gedreven door het motief ‘wat zullen de buren ervan zeggen?' Deze treffende uitdrukking van ‘Fremdzwang' werd geleidelijk vervangen door even treffende uitdrukkingen van zelfdwang, bijvoorbeeld ‘Wij zullen zelf wel uitmaken hoe we ons leven inrichten.' Degenen die anderen van fatsoensrakkerij beschuldigden deden dat op grond van meer zelfvertrouwen en in naam van andere, hoger geachte waarden. Het ging hen om vrijheid, gelijke kansen en zelfbeschikking, om een anders gedefinieerd fatsoen, om een ‘echt' van binnen doorvoeld fatsoen dat ontdaan is van door statusoverwegingen ingegeven motieven. Zelfs het woord fatsoen werd door hen vermeden. Steeds meer mensen legden ook in hun omgang en in hun kleding een verfijnde achteloosheid, een bestudeerde nonchalance aan de dag. Dat wekte de indruk van grote vrijheid en onafhankelijkheid. Het suggereerde dat het allemaal niet zo nauw stak. Er klonk verzet in door.
7 TOENEMENDE IDENTIFICATIE VAN MENSEN MET ELKAAR
Het nieuwe fatsoen, het ‘echt' van binnen doorvoelde, viel vooral te constateren in de omgang tussen mensen die behoorden tot de groepen die relatief in macht waren gedaald. In het licht van het nieuwe fatsoen bleken allerlei gedragsrestricties onfatsoenlijk of simpelweg overbodig. Dit bleek onder andere uit het verdwijnen van een aantal uitspraken die ongelijkheid vooronderstellen: Spreek me niet tegen; Weet je wel tegen wie je het hebt; Als grote mensen praten, moeten kleine kinderen hun mond houden; Jij moet je plaats kennen; Jij moet niet denken, dat doe ik wel voor je, en dergelijke. Van grote ongelijkheid getuigende gebruiken, zoals ontgroeningen onder studenten, werden als te pijnlijk ervaren en verdwenen. Uit het nieuwe fatsoen sprak dus, vergeleken bij het oude, een geringer machtsverschil, ofwel een grotere gelijkheid tussen mensen - het vormde de uitdrukking van een emancipatie. De nieuwe manieren waarop mensen met elkaar omgingen gaven in overeenstemming daarmee blijk van meer solidariteit; we kunnen hierin een toegenomen identificatie van mensen met elkaar herkennen. Mensen hielden meer rekening met elkaar (solidariteit), maar ook met zichzelf (individualiteit). Ook in de beoordeling van elkaar, in de onderlinge prestigestrijd, won de mate waarin ze opkomen voor elkaar aan belang, tegelijk met de mate waarin ze opkomen voor zichzelf. Het vinden van een evenwichtige balans tussen gevoelens van solidariteit en individualiteit, gevoelens die al gauw in een gespannen verhouding tot elkaar staan, was daarmee problematischer geworden.
In de jaren vijftig en daarvoor leefde dit probleem nog niet zo sterk, omdat deze balans toen nog sterker werd bepaald door de toonaangevende, machtiger groepen; hun omgangsvormen en daarmee hun balans tussen solidariteit en individualiteit gold als voorbeeld voor mensen uit andere groepen. Wie zich er niet naar richtte liep het risico door de gevestigde opinie als ‘onfatsoenlijk', ‘van geringe komaf' of ‘beneden onze stand' te worden gebrandmerkt. Wie zich wel naar die omgangsvormen richtte, maakte daarmee aanspraak op de predikaten ‘keurig' en ‘fatsoenlijk'. Met het afnemen van de machtsverschillen tussen mensen kregen zij in hun onderlinge prestigestrijd meer oog voor de kwaliteiten van iemand als ‘individu', minder bepaald door beroep en inkomen en ook door de etiquette van de voormalige elite. Als iemand na de jaren zestig om zijn omgang met mensen werd geprezen, werd hij niet zo gauw meer ‘keurig' of ‘fatsoenlijk' genoemd, maar eerder ‘aardig', ‘eerlijk', ‘echt' of ‘warm'. Ook negatief gestelde waarderingen als ‘geen aansteller', ‘geen kapsones', ‘niet uit de hoogte, maar heel gewoon' kwamen steeds vaker voor.
Het probleem van de kwaliteit van het menselijk samenleven werd acuter naarmate de problemen van geweld en materieel gebrek minder op de voorgrond traden. Met de toename van de welvaart, het uitblijven van oorlog en de vermindering van machtsverschillen, kregen de manieren waarop mensen met zichzelf en met elkaar omgaan een groter gewicht toegekend. Deze omgangsvormen werden in toenemende mate beoordeeld en bepaald door overwegingen van maatschappelijk en individueel welzijn. De waarderingen waren nogal aan schommelingen onderhevig, zoals steeds wanneer de voorbeeldfunctie van de omgangsvormen van de gevestigde groepen vermindert en aan macht winnende middengroepen deze functie overnemen. Dan vermindert de vastheid van de omgangsvormen met voorbeeldfuncties en worden mensen in dit opzicht onzekerder: ‘De mensen worden minder zeker in de sturing van hun gedrag'. Met de toenemende zekerheid over het uitblijven van fysiek geweld en materiële nood, nam tegelijkertijd de onzekerheid toe omtrent de manieren waarop mensen met zichzelf en elkaar omgaan - een vorm van ‘statusonzekerheid'. Dit blijkt onder andere uit de sterk toegenomen hoeveelheid variaties in levensstijlen en uit de intensiteit waarmee deze levensstijlen ten opzichte van elkaar werden verdedigd. De manieren waarop mensen met zichzelf en met elkaar omgaan werden steeds belangrijker wapens in hun onderlinge wedijver om status en prestige.
Het toegenomen belang van omgangsvormen bleek mede uit de opkomst en de groei van het welzijnswerk en de andragologie. De vraag ‘Hoe hoort het eigenlijk?' werd in de jaren zeventig aan sociale academies en universiteiten vol ijver bestudeerd en onderwezen, maar wel onder heel andere benamingen. In plaats van de etiquetteboeken kwam een nieuw soort handleidingen in levenskunst, waaronder de ‘manierenboeken' van andragogen en welzijnswerkers een kleurrijke plaats innamen. Uit deze geschriften bleek niet alleen dat de manieren waarop mensen met zichzelf en met elkaar omgaan sterker dan voorheen als problematisch werden ervaren, maar tevens als sterker beheersbaar. In één opzicht weken de nieuwe 'manierenboeken' principieel af van de strekking die etiquetteboeken hadden: ging het in de etiquetteboeken vooral om voorschriften die bestaande statusverschillen bekrachtigden, in de nieuwe ‘manierenboeken' ging het om omgangsvoorschriften voor mensen die verondersteld werden elkaars gelijken te zijn of te worden. Voor zover het aan dit laatste mankeert, wordt de vraag gesteld hoe de samenleving zodanig kan worden ingericht dat men er ‘menselijker' met elkaar kan omgaan. Dat de literatuur op het gebied van de andragologie en het welzijnswerk zo moeilijk als ‘manierenboeken' herkenbaar is, komt omdat de meeste zo sterk de tot ideologie geworden zelfdwang weerspiegelen. Veel van deze literatuur komt tegemoet aan de ideologie van de onafhankelijke zelfbepaling, de mening dat mensen eigenlijk zonder regels van ‘buiten' toekunnen of moeten toekunnen. Juist hier vinden we de idealen van zelfverwerkelijking, zelfontplooiïng, e.d., die soms een nieuw soort liberalisme predikten: wanneer iedereen zichzelf nu maar zoveel mogelijk ontplooit, dan zal daaruit automatisch, als het ware door een onzichtbare hand geleid, de best denkbare samenleving voortvloeien.
8. AMBIVALENTIE EN DE KANSEN VOOR HET UITEN VAN EMOTIES
Wanneer de machtsverschillen tussen mensen afnemen en ze aan de manieren waarop ze met zichzelf en elkaar omgaan groter gewicht toekennen bij het vaststellen van hun onderlinge rangorde, dan komt daarmee het ambivalente karakter van menselijke relaties duidelijker en klemmender naar voren. Datgene wat zij als voordelig of gunstig in hun onderlinge bindingen ervaren, weegt, met het afnemen van machtsverschillen, steeds gelijker op tegen datgene wat zij als ongunstig of nadelig daarin ervaren, en omgekeerd. Deze ambivalentie komt bij een vrij groot machtsverschil minder als een psychisch probleem naar voren. Voor degenen die machtiger zijn, overwegen de voordelige of gunstige aspecten van de relatie en hun ambivalentie komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in gemopper over de luiheid of de domheid van hun ondergeschikten. Voor degenen die minder machtig zijn, overwegen de nadelige of ongunstige aspecten van de relatie, maar hun verzet blijft lijdzaam vanwege hun geringere macht. Zij zullen veel moeten ‘pikken' en ‘slikken'. Bij gelijker verdeelde macht ‘pikken' mensen minder van elkaar en komt het ambivalente karakter van hun relaties duidelijker én meer als een psychisch probleem naar voren..
De machtsverhoudingen werden minder ongelijk en daarmee is ook de verhouding tussen de mate waarin mensen rekening met elkaar houden en de mate waarin ze voor zichzelf opkomen minder stabiel geworden, hetgeen tot een grotere onzekerheid en een toename van psychische problemen in relaties heeft geleid. De stijging van het aantal echtscheidingen vormt een uiting hiervan. Een verschil tussen de echtgenoten (of partners) wat betreft hun balans tussen individualiteit en solidariteit is des te klemmender naarmate zij aan de balans die ze voor zichzelf hanteren groter gewicht toekennen. Ze geven dan verschillende antwoorden op vragen als: wanneer en hoeveel moet ik omwille van de ander laten waar ik zelf zin in heb en wanneer en hoeveel moet ik aan de wensen van de ander, die mijn wensen niet zijn, tegemoet komen. In de gelijkere verhoudingen werd een verschillend antwoord op deze vragen eerder onderwerp van onderhandelingen. Voorheen werden deze vragen als vanzelfsprekend in het voordeel van de machtiger partij, in dit geval de man, beantwoord. De Swaan heeft deze constatering uitgewerkt in de bekend geworden formulering ‘van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding'. De gegevens van Brinkgreve en Korzec tonen aan hoe dit machtsverschil ook in de moraal tot uitdrukking werd gebracht en hoe het ‘slikken' en ‘opzouten' (‘Wees de verstandigste') waartoe vrouwen werden gemaand, uit de moraal van de jaren zeventig vrijwel verdwenen is.
De spanningen tussen individualiteit en solidariteit in minder ongelijke machtsverhoudingen en de daarmee gepaard gaande spanningen tussen impulsen en impulsbeheersing bij individuen hebben de aandacht voor emoties en emotiereguleringen doen toenemen. De grote toeloop naar allerlei (sensitivity) trainingen en therapieën, waarin mensen leren meer toegang te krijgen tot hun eigen emoties en deze leren te uiten, kan in dit licht worden begrepen. Ook in de adviesrubriek ‘Margriet weet raad' groeide de aandacht voor emotionele problemen en voor gevoelens in het algemeen: het verschil in de adviezen van '54 en '74 (is): van het aangeven van regels en voorschriften wordt het een aanraden gevoelens te uiten.
Hoezeer de nadruk op het uiten van gevoelens (opnieuw) samenhangt met het afnemen van machtsverschillen kan eveneens verduidelijkt worden aan de hand van een voorbeeld uit dezelfde rubriek. Brinkgreve en Korzec constateren:
In 1954 moet men de emoties vooral beteugelen of in ieder geval afremmen. Zelfbeheersing en zich schikken: dat is het advies dat in 1954 wordt gegeven. Een kantoormeisje klaagt over haar werkgevers. Margriet: ‘Zij zijn de baas en kunnen je allerlei opdragen ... Als dat tegen jouw gevoel van rechtschapenheid en eerlijkheid indruist dan kun je twee dingen doen: je schikken naar hun wensen of weggaan'.
Wanneer nu vervolgens de machtsverschillen tussen werkgevers en werknemers afnemen dan kunnen meer emoties tot uiting worden gebracht, omdat het minder gevaarlijk wordt voor beider positie en prestige om dat te doen. De winst is het grootst aan de kant van de ondergeschikten. Zij kan vanaf de jaren zeventig haar baas laten weten, dat ze vindt dat hij iets van haar vraagt wat tegen haar gevoel indruist. Helpt dat niet, dan kan ze haar vakbond inschakelen. Vroeger moest ze haar gevoelens vaker onderdrukken, nu kan ze die beheerst uiten. De baas van zijn kant moet haar tegenwoordig meer serieus nemen; hij kan haar minder bevelen en afsnauwen. Hij kan zich niet meer ongestraft laten gaan tot het extreem van een woedeuitbarsting; dit contrast staan de machtsverhoudingen niet meer toe. Hij verzoekt ‘vriendelijk' en is meer beheerst in het uiten van zijn irritaties. Toch kan ook hij - binnen de door de machtsbalans gestelde grenzen - vrijer zijn emoties uiten; persoonlijke ontboezemingen tasten zijn gezag niet zo aan als vroeger. De onderlinge omgang op het werk is minder dan vroeger bepaald door het verschil in rang en kan meer gekleurd worden door de kwaliteiten van de betrokkenen als ‘individu', althans door datgene wat daarvoor wordt gehouden. Dat in de jaren zeventig in steeds meer personeelsadvertenties werd gevraagd naar mensen met ‘goede contactuele eigenschappen' vormt een aanwijzing in dezelfde richting, die duidelijk samenhangt met de toegenomen gewoonte van boven- en ondergeschikten om elkaar te tutoyeren.
9. VOORLOPIGE CONCLUSIES
Allerlei aspecten van het civilisatieproces zoals ‘afname van de contrasten, toename van de variaties', de omvorming van ‘Fremdzwange' in zelfdwangen, toenemende identificatie, psychologisering en individualisering, lijken zich in dezelfde richting te hebben ontwikkeld; tenminste in deze opzichten wijzen de veranderingen in het dominante patroon van affectbeheersingen erop dat het civilisatieproces in de jaren zestig en zeventig niet significant van richting was veranderd. Tegelijk waren sommige zelfdwangen in kracht afgenomen. In het proces van informalisering werden namelijk ook taboes doorbroken op gebieden waar vroeger regels golden die mensen voorheen vrijwel ‘automatisch' naleefden.
Een belangrijk voorbeeld hiervan is de vermindering van de vanzelfsprekendheid om gezag dat voortvloeit uit het bekleden van een positie in een hiërarchisch verband te accepteren. Vanaf het midden van de jaren zestig zagen gezagsdragers zich vaker voor de noodzaak gesteld hun gezag te moeten waarmaken. Wie iemand was volgde steeds minder uit zijn maatschappelijke positie en uit wat hij of zij uit hoofde daarvan deed, en meer uit de manier waarop hij het deed: ‘ De klakkeloze gezagsaanvaarding, deze vorm van zelfdwang, was sterk verminderd en haar oorsprong, ‘Fremdzwang', werd weer sterker als zodanig herkend. Ook hier blijkt dat ter bepaling van de richting van het civilisatieproces niet eenvoudig kan worden volstaan met het criterium van toe- of afname van zelfbeheersingen en dat het beeld van de veranderingen in het dominante patroon en het niveau van zelfregulering onvolledig blijft zonder criteria als de ‘afname van contrasten' en de gelijkmatigheid, de stabiliteit, flexibiliteit en uitgebreidheid of reikwijdte van zelfbeheersingen en hun verhouding tot sociale controle in de vorm van Fremdzwánge.
Wat betreft de reikwijdte van beheersingen kan nog worden opgemerkt dat met de toegenomen ‘gevoeligheid', de ‘toename van variaties', de zelfbeheersingen zich over meer situaties leken uit te strekken en gelijkmatiger waren geworden. Dit is onder meer af te lezen uit het verminderen van allerlei vormen van dubbele moraal, uit het aanstoot nemen hieraan, het herkennen van de ongelijke machtsbalans. Ook de vermindering van het aantal gevallen waarin sprake was van rolconflicten of van een vermindering in de intensiteit waarmee rolconflicten als ‘gewetensconflicten' werden ervaren, duidt erop dat de reikwijdte van de (zelf)beheersingen in vele opzichten was toegenomen.
Al met al lijken de eisen die krachtens de dominante omgangsvormen aan de affectregulering van mensen worden gesteld waarschijnlijk te zijn gestegen. Het voorlopig antwoord op de vraag of het civilisatieproces van richting is veranderd, moet daarom genuanceerd zijn.
- In sommige opzichten heeft zich inderdaad een verandering van richting voorgedaan, want de versoepeling van dominante omgangsvormen heeft zich, samen met democratiseringsprocessen, al vanaf het einde van de vorige eeuw doorgezet, terwijl de in wetten en omgangsvormen besloten geboden en verboden in de voorafgaande eeuwen juist steeds omvangrijker, gedetailleerder en strakker waren geworden.
- In sommige opzichten is de richting niet veranderd, want de terughoudendheid van de dwang van anderen die uit de versoepeling blijkt, is gepaard gegaan met een stijging van de eisen aan de zelfregulering van de betrokkenen in die soepeler omgang, een voortzetting van een eeuwenlange tendens.
Kort samengevat: naarmate de in ‘goede manieren' besloten geboden en verboden minder omvangrijk, gedetailleerd en strak werden, zijn de vanzelfsprekende verwachtingen die mensen ten aanzien van elkaars en de eigen zelfregulering koesteren juist omvangrijker, gedetailleerder en strakker geworden. Bij elkaar is dit het proces van informalisering.
Aldus opgevat, betekent informalisering inderdaad een ombuiging van het Westeuropese civilisatieproces in de zin van een uitbreiding van de toegestane gedragsalternatieven, maar tegelijk ook een voortgang in de richting van het krachtiger, stabieler, gelijkmatiger en meer omvattend worden van het dominante patroon van zelfbeheersing en emotieregulering, hetgeen door Elias als kenmerkend is beschouwd voor het Europese civilisatieproces.
In de volgende hoofdstukken zullen deze voorlopige conclusies nader worden onderzocht en uitgewerkt.