Passies zijn als de winden' (2000)

Natuur en cultuur in de emotietheorieën van de Verlichting


Door Dorothee Sturkenboom

Psychologie & maatschappij 91,2000, p.122-136

Les Passions sont chez les hommes des Vents, qui sont nécessaires pour mettre tout en mouvement, quoiqu 'ils causent souvent des orages.’

Fontenelle, Frans wijsgeer (1657-1757)

Hoewel de achttiende eeuw bekend is geworden als de Eeuw van de verlichte Rede, was het tegelijkertijd een periode, waarin schrijvers en intellectuelen zich intensief met het menselijke gevoelsleven bezig­hielden. De tijdgeest stond in het teken van de vooruitgang, de ver­spreiding van kennis en de bevordering van het algemeen levensge­Iuk. Voor velen vooronderstelde dat ook een beter begrip van hoe de menselijke psyche in elkaar stak. Men moest eerst de ware aanleg, de 'natuur' van de mens leren kennen voordat mens en maatschappij met succes hervormd konden worden.

In 1772 bracht de Nederlandse filosoof-predikant en verlichtings­auteur Johannes Petsch het als volgt onder woorden:

Myn inzigt met myn schryven was (...) zulken, die minder kundigheden en onderscheiden denkbeelden hadden dan ik, te onderwyzen (...) Met dit oogmerk wilde of konde ik niet oppervlakkig schryven. Ik moest tot in den grond der za­ken door dringen; ik moest de eerste beweegveren onzer ziel, de algemene gronden onzer handelingen naspeuren en aanwyzen, wilde ik de aard onzer be­geertens en driften Ieren kennen, en de middelen aan de hand geven om ze te regelen en te bedwingen'.

Al had de psychologie zich in de achttiende eeuw nog niet als weten­schappelijke discipline van de filosofie losgemaakt, zij vormde een kennisgebied-in-ontwikkeling dat in brede kring belangstelling ge­noot. Filosofen, artsen, predikanten en priesters, journalisten, peda­gogen, toneel- en romanschrijvers verdiepten zich beroepsmatig in de menselijke emoties en schreven regelmatig over het onderwerp.

Emoties door een verlichte bril: een nuttig natuurverschijnsel

In hun zoektocht naar het geluk van de mens, kenden veel verlichtings­auteurs dus niet alleen een belangrijke plaats toe aan de rede maar ook aan de emoties. Hartstochten, passies of driften zoals emoties toen nog genoemd werden, behoorden onmiskenbaar tot de (door God ge­schapen) menselijke natuur. God had de mens naast het verstand ook gevoelens geschonken en daar had hij zijn redenen voor gehad. Het zou daarom ook verkeerd zijn te proberen de emoties geheel uit te ban­nen: de mens had ze nodig. Het was zoals de vroege verlichtingsfilosoof Fontenelle het met een in die tijd zeer populair geworden beeldspraak verwoordde: passies zijn als de winden die nodig zijn om een schip te laten varen, al veroorzaken ze vaak verschrikkelijke stormen. Meer nog dan deze stormen vrezen zee­lui echter de stille zeeën waar het gebrek aan wind hen tot stilliggen veroordeelt.

Zo zou ook de verlichte mens moeten vrezen voor een leven zonder hartstocht, een leven zon­der passie. Godsdienst, kunst en wetenschap zou­den zich niet ontwikkelen, wanneer de mens niet door religieuze gemoedsaandoeningen, eerzucht of de hartstocht van nieuwsgierigheid gedreven zou worden. Emoties zetten niet alleen aan tot handelen maar ook tot denken, ze waren prikkels om het traag op gang komende verstand tot acti­viteit aan te sporen.

Andere emoties zoals angst, toorn, wraak­zucht en haat hadden een duidelijke functie in het zelfbehoud van de mens. Wanneer bedreigd door het kwaad, gaven zij het individu de nood­zakelijke impuls zichzelf te verdedigen. Ofschoon deze emoties onaangenaam waren en zeker be­heerst dienden te worden, waren ze wel nodig in de strijd om het bestaan. Daar tegenover ston­den dan de meer sociale gevoelens als vriend­schap, mensenliefde en medelijden die niet alleen het individuele geluk bevorderden maar ook een positief effect hadden op het algemeen welzijn in de samenleving.'

In het verlichtingsdenken vormden emoties dus - net als de winden -- een natuur-verschijnsel: functioneel en 'in zig zelven niet kwaad; integen deel, zy behooren tot 's Menschen natuur en zyn ten hoogste noodig voor zyne behoudenis en geluk'

Maar wat hield deze opvatting over de emotionele 'natuur' van de mens nog meer in? Geloofden achttiende-eeuwers dat alle mensen overal op de wereld dezelfde universele emoties kenden of dachten zij dat de aard van de emoties zoals die van de winden kon variëren af­hankelijk van de plaats op de aardbol of de omstandigheden waarin men zich bevond? Impliceerde de vergelijking met de winden voor hen dat de hartstochten een natuurkracht vormden die losstond van de beschaving of signaleerden zij misschien ook een wisselwerking tussen beide elementen? Voelden zij zich machteloos tegenover de soms stormachtige krachten van de emoties of zagen zij ook mogelijkheden om deze te beheersen en in bepaalde richtingen aan te wenden? Het lijken veel verschillende vragen die ik hier opwerp maar feite­lijk hangen ze als deelvragen samen met één grotere hoofdvraag:

hoe zagen verlichtingsauteurs de verhouding tussen natuur en cultuur in de wijze waarop emoties zich manifesteerden?

Nederlandse verlichtingsteksten

In dit artikel wil ik bovenstaande vraag proberen te beantwoorden aan de hand van een specifiek genre verlichtingsteksten uit de acht­tiende eeuw: de zogeheten spectatoriale tijdschriften die als een soort opinieweekbladen avant la lettre in heel West-Europa de ideeën van de grote verlichtingsdenkers onder een breder publiek verspreidden. Deze tijdschriften waaruit ik hierboven al enkele malen geciteerd heb, kwamen tegemoet aan de behoefte aan educatie en culturele vorming die zich in die tijd onder de volwassen burgerij manifesteerde. Allerlei onderwerpen kwamen aan bod, doorgaans voorzien van een stevig moraliserend commentaar . Ook de 'hartstochten' vormden een regelmatig weerkerend thema.

In zekere zin functioneerden deze spectatoriale geschriften, ook wel kortweg spectators genoemd, als een soort graadmeter voor de verlichte publieke opinie in die dagen. De burgerlijke opinie wel te verstaan, want de spectators werden hoofdzakelijk geschreven voor en door de burger die al enige opleiding genoten had en openstond voor het gedachtegoed van de Verlichting. Nadrukkelijk werden ook vrouwen als potentiële lezers aangesproken: het werd een goede zaak geacht wanneer echtgenotes en moeders zich - ondanks hun geringe scholing -- door middel van de lectuur van de spectators verder wil­den ontwikkelen tot intelligente gesprekspartners en deskundige op­voedsters. De inhoud van de wekelijkse tijdschriftafleveringen werd dus afgestemd op een enigszins ontwikkeld publiek, dat op zijn beurt ook zelf bijdragen opstuurde naar de uitgever in de hoop de eigen brief, vertelling of betoog in een volgende aflevering gepubliceerd te zien.

(…………)

Terug naar de hoofdvraag. Wat hadden de Nederlandse spectator­schrijvers als plaatselijke popularisatoren van het verlichtingsdenken te melden over de verhouding tussen natuur en cultuur in de wijze waarop emoties zich manifesteerden?

Het palet van achttiende-eeuwse emoties

Wie deze vraag wil onderzoeken, zal eerst moeten weten welke emo­ties de spectatorschrijvers precies voor ogen stonden wanneer ze schreven over de 'hartstochten' - het woord dat Nederlanders in de achttiende-eeuw het meest gebruikten om emotionele verschijnselen aan te duiden.

Een tekst uit een van de Nederlandse spectators helpt om daar een indruk van te krijgen. In De Menschenvriend van 1788 wordt in een poging tot classificatie een uitgebreide opsomming gegeven van de hartstochten die zich zoal bij de mens kunnen voordoen. De au­teur (die in het tijdschrift overigens anoniem blijft) maakt daarbij een onderscheid tussen 'aangename en 'onaangename hartstochten'." Als aangename hartstochten noemt hij achtereenvolgens blijdschap, te­vredenheid, vrolijkheid, hoop, vertrouwen, verlangen, moed, koen­heid, eerzucht, boosaardigheid, bespotting, liefde, dankbaarheid en barmhartigheid. Het is een bont palet van emotionele verschijnselen, maar wat ze verenigt is dat het volgens de auteur allemaal manifesta­tievormen zijn van vreugde.

Tot de onaangename hartstochten rekent de auteur alle gemoed­saandoeningen die berusten op droefheid. In achttiende-eeuws Neder­lands waren dat achtereenvolgens treurigheid, weedom, rouw, kom­mer, vrees, siddering, wanhoop, razernij, schrik, moedeloosheid, walging, schaamte, medelijden, haat, nijd en toorn. Alleen de ver­wondering en nieuwsgierigheid onttrokken zich volgens de schrijver aan deze indeling omdat zij 'schoon Hartstochtelyk zynde (...) veelal aan een gemengelde aandoening ten gevolge hebben:

Het blijkt dat Nederlandse verlichtingsauteurs een bijzonder brede waren maar weinig gedifferentieerde kijk hadden op wat emoties waren. Feitelijk benoemde men in die tijd met het verzamelwoord 'hartstocht' alle mogelijke emotionele ver­schijnselen: niet alleen emoties in de enge zin van het woord maar.` ook gevoelens, stemmingen, sentimenten en hartstochten die wij in het tegenwoordig taalgebruik eerder van elkaar onderscheiden.

Het universele karakter van de hartstochten

Maar deden al deze verschillende soorten emoties -- vrolijkheid, boosaardigheid, vrees, nijd, etcetera - zich volgens deze auteurs nu ook universeel bij alle mensen voor? Mogelijk met Locke's idee van tabula rasa in het achterhoofd, spreken enkele spectatorschrijvers in ieder geval met scepsis over het denkbeeld dat bepaalde emoties zoals eerzucht of liefde voor kinderen door Gods hand al vanaf de geboorte in iedere mens aanwezig zijn. Zij hechten weinig geloof aan het idee dat deze emoties zich altijd in ieder mens zouden manifesteren onafhankelijk van wat hij of zij aan ervaringen in het leven op­doet. Liever vragen deze auteurs aandacht voor de culturele denk­beelden en praktijken die in de loop van een leven de ontwikkeling van dit soort 'natuurlijke emoties stimuleren: de betekenis die men aan de relatie met andere personen hecht, de waarde die men aan een bepaalde levenswijze of prestatie toekent, de wijze waarop mensen bij voorkeur met elkaar omgaan...

Niet iedereen denkt er zo over. In een andere spectator komt een schrijver aan het woord die verdedigt dat er drie emoties zijn die 'met ons gebooren zyn': haat, liefde en eerzucht. Alle andere emotionele verschijnselen beschouwt hij als onnatuurlijk en noemt hij 'ziekte der Ziel". Woede, vrees, droefheid, jaloezie en medelijden zijn niet reeds door God bij de geboorte in de mens ingeplant maar ontstaan pas door de waarneming van bepaalde objecten of gebeurtenissen. Deze 'ondeugden' kunnen (en moeten!) dus uitgebannen worden wanneer we het ideaal nastreven van een ziel die niet door emoties uit haar evenwicht wordt gebracht. Hoewel de hierin herkenbare ne­gatieve visie op emoties (afkomstig van de klassieke Stoïci) in de loop van de achttiende eeuw aan populariteit zal inboeten, beziet deze vroegachttiende-eeuwse auteur het merendeel van de emoties nog met een groot wantrouwen. Naarmate het verlichtingsdenken verder verspreid raakt en meer mensen van de functionele werking van allerlei emoties overtuigd raken, wordt een dergelijke negatieve visie steeds uitzonderlijker.

In de teksten van deze spectatoriale auteurs lijken twee thesen over de universaliteit van emoties een rol te spelen.

  • Ten eerste dat be­paalde emotionele verschijnselen door Goddelijke hand al bij de geboorte in ieder individu aanwezig zijn en dat de ontwikkeling daar­van niet afhankelijk is van ervaringen die een persoon in zijn of haar leven opdoet. 
  • Ten tweede dat er een beperkt aantal - al dan niet aan­geboren - basisemoties bestaat, dat bij mensen verspreid over de hele wereld en levend in verschillende culturen herkenbaar is.

Terwijl de discussie over de eerste these in de Nederlandse specta­tors onbeslist blijft, blijkt de tweede these op minder weerstand te stuiten. Men mag misschien van mening verschillen over het aantal en de benoeming van deze natuurlijke kerndriften - zijn het alleen vreugde en droefheid? haat, liefde en eerzucht? of horen er ook nog andere bij? - maar het achterliggende idee van de universele basis­emoties is een constante in de emotietheorieën die vanaf de Oudheid ontwikkeld zijn. Ook in de Nederlandse verlichtingsteksten wordt in dat opzicht uitgegaan van een zekere universaliteit in het menselijk gevoelsleven. Net als de grote filosofen van de Verlichting vertrou­wen de spectatorschrijvers op het idee dat 'de natuuren of de weezens der dingen` onveranderlijk zijn en dat hun kennis over de werking van de menselijke geest een universele basis heeft. Verschillen doen zich mogelijk voor in de uitingsvorm van de emotie, maar niet in haar essentie:

Ondertusschen kan de zelfde aanmerking insgelyks tot de driften uitgestrekt worden: haar invloed is algemeen, en haare uitwerkzelen byna dezelfde in yder menschelyk gemoed; een yder bemint en haat, begeert en mydt, eveneens als zyn buurman; toorn en eerzucht, gierigheid en onverschilligheid, ontdekken [manifesteren, D.S] zich door dezelfde toevallen in gemoederen, die duizend jaaren met elkander- in leeftyd verschillen,'

Invloed van civilisatie, levenswijze en aanleg

Toch betekende het voorgaande volgens de toenmalige inzichten niet dat culturele factoren in het geheel geen invloed hadden op het menselijk gemoed. Hoewel bepaalde emoties over de hele wereld en in de hele geschiedenis te herkennen waren, kon behalve de uitings­vorm ook de hevigheid en frequentie waarmee zij zich voordeden wel verschillen. Net zoals de kracht van de winden en de dominante windrichting kon variëren afhankelijk van plaats en tijd, zo konden ook de kracht en dominante richting van de emoties variëren naar plaatselijke en historische omstandigheden.

In dit opzicht zijn de grote beschavingstheorieën die in de acht­tiende eeuw ontwikkeld werden, erg interessant. In deze theorieën werden de verschillende culturen waar de West-Europese mens sinds de grote ontdekkingsreizen mee geconfronteerd was, voor het eerst vanuit een historisch-antropologisch perspectief benaderd. Ze wer­den beschouwd als de verschillende fasen die de mensheid in haar ontwikkeling van 'wild' naar 'beschaafd' had doorgemaakt. Vooral fi­losofen uit de Franse en Schotse Verlichting publiceerden doorwroch­te werken die de verschillende ontwikkelingsfasen van de mens en de samenleving als thema hadden. Zij oordeelden daarbij niet onver­deeld gunstig over die ontwikkeling want ondanks de in de Verlich­ting zo centrale idee van de vooruitgang, stonden zij ook uiterst kri­tisch tegenover de wereld waarin zij leefden: ze waren zich maar al te zeer bewust dat ook de beschaafde wereld haar gebreken kende.

Deze ideeën zijn ook bij Nederlandse verlichtingsauteurs als de spectatorschrijvers terug te vinden. In hun beweringen over de oorspronkelijke 'natuurstaat' van de wilde en de latere beschaving van de geciviliseerde mens is een soort collectieve ontwikkelingspsycholo­gie te herkennen waarin de emoties en drijfveren van de vroege mens werden vergeleken met die van de latere mens. Hun terminolo­gie en uitspraken waren daarbij minder consistent dan die van de grote' filosofen maar er zijn desondanks wel twee duidelijke lijnen in te ontdekken.

Bij een aantal auteurs overheerste een beeld van de wilde als wezen dat dicht bij het dier staat en wiens emotionele drijfveren nog even ongetemd zijn: de wilde was wreed, kende geen medelijden of andere edele gevoelens maar werd vooral geleid door onbe­heerste, wellustige en soms zelfs kannibalistische nei­gingen. Daarnaast stond dan de beschaafde mens, die in ieder geval liet potentiële (maar niet altijd gereali­seerde) vermogen bezat zijn of haar driften te beheersen, de rede te gebruiken en het geluk te vinden in het wel­zijn van medemensen of in de ontwikkeling van lette­ren, kunsten en wetenschappen.

Dat was het ene beeld. Maar er was ook nog een andere interpretatie moge­lijk, namelijk die van de wilde als edele, onbedorven en gelukkige natuurmens. De edele wilde is ons vooral overgeleverd als een creatie van Rousseau, maar hij had al een voorganger in Oroonoko, or the royal slave (1678) van de Engelse schrijfster Aphra Behn - een ro­man waarvan de invloed met zijn ontelbare herdrukken en vertaalde edities in verschillende landen moeilijk te onderschatten valt. Ook het verhaal van Yariko en Inckle dat in het begin van de achttiende eeuw in een Engelse spectator gepubliceerd werd, droeg bij aan het ontstaan van de tegenstelling tussen de edele wilde en de mens die door een overmaat aan beschaving zijn natuurlijke moraal was kwijt­geraakt. Yariko, een inheemse vrouw, werd door haar westerse min­naar Inkle zwanger en wel aan een slavenhandelaar verkocht nadat zij hem eerder het leven had gered. Desondanks bleef zij hem liefhebben en vergaf hem zijn wandaden. Net als Oroonoko werd dit verhaal enorm populair en telkens weer in verschillende varianten op papier gezet.

Yariko verscheen ook in de Nederlandse spectators. Ze vertegen­woordigde in deze teksten de edele gevoelens van de mens die nog in een natuurstaat leeft. De slavenhandel representeerde in deze, zij het nog niet erg talrijke, spectatoriale betogen de egocentrische keer­zijde van de geciviliseerde wereld die vaak slechts in schijn maar niet in werkelijkheid beschaafd was: de praktijk van de slavenhandel was inhumaan, wreed en uitsluitend gericht op eigen belangen. De 'inner­lijke beschaving van een Amerikaanse indiaan stak daar positief bij af. Hobbes' uitspraak dat de mens van nature geneigd is tot geweld waardoor de oorspronkelijke natuurstaat in theorie 'een oorlog van allen tegen allen' moest zijn geweest, werd in een van de spectators dan ook nadrukkelijk afgewezen: de wilde was wel degelijk een deugdzaam mens.

De wilde was in deze visie niet alleen in het gelukkige bezit van al­lerlei deugden, maar ook van een nauwelijks te verstoren gemoeds­rust:

Zonder Wenschen, zonder Driften, zonder Zorgen, brengt hy zyn leven door in eene ongestoorde Rust. De Kalmte zyner Ziel is getuige van zyn geluk.

Eene Vrouw te vinden, Kinderen te telen, en zyn Huisgezin met jagen of Vischen de Kost te bezorgen; Zie, daar alles wat hy begeert, en wat by zich gemaklyk be­zorgt. Is hy verzadigd, zo gaat hy liggen, en geniet eene volkomene rust. Geene woeste driften ontrusten zyne vernoegde Ziel; Geene onverkrygbare wenschen vergiftigen zyn genoegen (..-); Hoe zou het mogelyk zyn, dat zy de Martelaars hunner driften werden, zo lang zy in den natuurstaat zonder aanprikkeling, zonder verzoeking, en zonder de voorwerpen leven, die zelve ontzwagtelen, en gelyk by ons voedzel geven?""

Het gemoed van de geciviliseerde mens daarentegen werd door de luxe en rijkdom om hem heen door allerlei artificiële verlangens gekweld:

De kwaalen van eene beschaafde saamenleving hebben hunnen oorsprong in de niet natuurlyke Instelling en ongelyke verdeeling der eigendommen (_.) Het Menschdom wordt dan geleerd, de denkbeelden van geluk, met die van opschik. De kwaalen van eene beschaafde saamenleving hebben hunnen oorsprong in het houden van staat, overvloed, en alle de verscheidene tydverdryven, die de Weelde heeft uitgevonden, saamen te knoopen. Hierdoor worden zy de Slaa­ven van duizend ingebeelde behoeften, welken de bron van nyd, overgenoegdheid, list, onregtvaardigheid, meineed en geweld worden, door het aanzetten van ongeregelde lusten, en het voortbrengen van onnatuurlyke verleidingen tot Ondeugd al te sterk, om door de heerschappy der Reden in toom gehouden te worden.'

Hoewel achttiende-eeuwers dus verschillend konden denken over de waarde van de ontwikkeling, waren ze eensgezind over het idee dat de dominante drijfveren van de mens in de loop van de geschie­denis onder invloed van de beschaving veranderd waren. Niet alleen de natuur maar ook de cultuur bepaalde zo welke emoties zich het duidelijkst bij de mensen zouden manifesteren.

Zo kon ook de staatsvorm waaronder men leefde, effect hebben op de collectieve psyche van een volk. Bevond een volk zich in de greep van een alleenheerser, dan verloor het al snel zijn zelfrespect, werd angstig en wantrouwend- Men viel terug op de lagere driften en ontwikkelde een extreem gevoel voor uiterlijkheden. Leefde men daarentegen in een republiek waarin de bewoners veel vrijheden ge­noten (zoals op dat moment naar het idee van de auteurs in de Repu­bliek der Verenigde Nederlanden het geval was), dan werden interesse en liefde voor de medemens veel eerder opgewekt. Vormde de staat een monarchie, dan neigden de onderdanen in navolging van het hof juist naar eerzucht, heerszucht en weeldezucht.

Op een individueler niveau bepaalden ook de aard van de opvoe­ding, favoriete bezigheden, gekozen lectuur en dagelijks gezelschap voor een deel of bepaalde gemoedsbewegingen gemakkelijker opge­roepen werden dan andere. Had men spilzuchtíge ouders, dan was men zelf ook sterker geneigd naar materiële goederen te verlangen. Leidde men een  zittend, bespiegelend leven gewijd aan wetenschap en kunsten, dan was men extra ontvankelijk voor melancholische buien. Las men veel sentimentele romans, dan ontwikkelde men eerder verhe­ven liefdesgevoelens maar liep ook het risico dat deze zouden ontaar­den in een overdreven sensibiliteit. En had men vooral losbollen als vrienden, dan zou iemands leven hoofdzakelijk gericht zijn op het zoe­ken van genot.

Overigens speelden volgens Nederlandse spectatorschrijvers ook klasse en sekse een rol bij dat alles. Burgerlijk als zij waren, verkondig­den zij dat vooral de aristocratie en het lagere volk door hun opvoe­ding en leefwijze het slachtoffer zouden worden van allerlei onge­wenste driften. Verder werden ook vrouwen in het algemeen emotioneler geacht dan mannen. Aan het begin van de Verlichting dacht men heel optimistisch dat dit vooral een kwestie van opvoe­ding was. Pas later begon men de emotionele verschillen tussen beide seksen meer en meer aan 'de natuur' toe te schrijven.

Toen dat gebeurde, kreeg het begrip 'natuur' ook een beperktere be­tekenis dan het voorheen had. Lange tijd kon het woord 'natuur' bij mensen zowel betrekking hebben op een oorspronkelijke eerste (fy­sieke) aanleg als op iets dat door gewoonte, opvoeding of beschaving was ontstaan. Maar aan het einde van de achttiende eeuw verloor het begrip geleidelijk die tweede betekenis en werd het steeds meer als een onveranderlijke biologische kracht tegenover de cultuur geplaatst. Fysieke aanleg kreeg steeds meer gewicht als doorslaggevende factor voor psychologische verschillen tussen de mensen. In de laatste decennia van de achttiende eeuw werd een aantal wetenschappelijke theorieën ontwikkeld ter verklaring van de 'aangeboren' verschillen die men tussen de seksen maar ook tussen verschillende mensenrassen meende waar te nemen.

Met deze theorieën werden de beloften van het progressieve en egalitaristische gedachtegoed van de vroege Verlichting grotendeels in de kiem gesmoord. Deze laatachttiende-eeuwse ontwikkeling kan dan ook in verband worden gebracht met de politiek-maatschappelij­ke situatie van die tijd: het was een conservatieve reactie op de geva­ren die naar de mening van sommigen door het gelijkheidsdenken van de achttiende eeuw werden opgeroepen. Met het beroep op de 'natuurlijke -- en nu ook wetenschappelijk onderbouwde -- fysieke en psychologische verschillen kon in ieder geval een extra hindernis worden opgeworpen voor vrouwen en andere achtergestelde groe­pen die aan de vooravond van de Franse Revolutie en op basis van eerdere verlichtingideeën over gelijke rechten voor iedere mens, meer inspraak en een volwaardiger positie in de samenleving begonnen te claimen

Beheersingstechnieken:de winden gestuurd, het juiste zeil gehesen

Maar of het nu door lichamelijke aanleg of door de culturele omge­ving kwam dat zekere personen in andermans ogen ontvankelijker le­ken voor bepaalde emotionele neigingen, mensen konden zich daar altijd tegen te weer stellen. Hoewel in principe het nut van alle voor­komende emoties erkend werd, vonden verlichtingsauteurs het van belang per situatie te wegen of de desbetreffende emotie terecht en of de intensiteit en expressie daarvan passend was of niet. Sommige gemoedsbewegingen werden daarbij als gevaarlijker beschouwd dan andere. In het verlichtingsdenken was het individu echter niet wil­loos overgeleverd aan de 'winden', er bestond ook nog zoiets als een stuurmanskunst voor emoties.

Het belangrijkste principe daarvan was uiteraard het gebruik van de rede, die God aan ieder mens had gegeven om de kracht van die emoties te beheersen en te leiden:

Onze Groote, Schepper heeft ons wyslyk hartstochten gegeeven om ons in be­weeging te brengen, en onze dankbaarheid te hemwaards gaander te maaken door de vermaaken, die zy ons geeven; doch tezelfder tyd heeft Hy ons goed­gunstelyk eene genoegzaame Reden geschonken, zowvy dezelve maar haare vryheid willen laaten, om die Hartstochten te beteugelen.

'Wanneer ongewenste emoties een persoon te zeer in hun greep dreig­den te krijgen, was het zaak het verstand in te schakelen en afleiding te gaan zoeken. Zware lichamelijke of geestelijke arbeid en het gezel­schap van gespreksgenoten die met andere dingen bezig waren, vormden beproefde middelen om het verstoorde evenwicht te her­stellen en het schip op koers te houden. In andere gevallen kon men beter enkele zeilen strijken en het gebruik van opwindende lec­tuur, prikkelende spijzen en dranken achter zich laten.

Een enkele spectatorschrijver was bovendien op de hoogte van het inzicht dat niet alleen de rede maar ook emoties de gemoedsbe­wegingen in de juiste richting konden bijsturen. Emoties konden met emoties bestreden worden. Deze beheersingstechniek berustte op het idee dat mensen in staat waren bepaalde emoties kunstmatig bij zichzelf op te roepen door hun gedachten in de juiste richting te stu­ren. Weliswaar ging het bij emoties om een aandoening van iemands zinnen, maar in het ontstaan van emoties speelden denkbeelden ook een rol. In essentie waren emoties volgens Locke niets anders dan 'modes of ideas of pleasure and pain' of zoals een Nederlandse spectatorschrijver het ver­taalde: 'levendige voorstellen van enig goed of kwaad, vergezeld van eene ongerustheid der ziele om dat goed te verkrygen of dat kwaad te ontgaan' Wanneer men door een hevige emotie overmand dreigde te worden, dan kon men zichzelf dwingen aan iets anders te denken en met dat andere denkbeeld een andere, tegengestelde emo­tie oproepen die de oorspronkelijke aandoening kon afzwakken. De eerste principes van deze zelfbeheersingstechniek waren ontwikkeld door de klassieke Stoïci en veel zeventiende- en achttiende-eeuwse fi­losofen als Descartes, Spinoza, Hobbes, Hume en Leibniz propageer­den deze manier van omgaan met emoties. Of dit kunstmatig oproepen van te­genwinden voor hen ook betekende dat deze emoties niet 'natuurlijk' zouden zijn, is een vraag die opkomt maar die de Nederlandse specta­torschrijvers niet beantwoorden.

Conclusie

In het achttiende-eeuwse verlichtingsdenken werden emoties net als de rede gewaardeerd als een belangrijk en nuttig deel van de menselij­ke aard. Zonder de sturende macht van de rede waren kennis, vooruit­gang en geluk weliswaar ondenkbaar, maar zonder de stuwende kracht van emotionele drijfveren zouden deze doelen evenzeer buiten het be­reik van de mensheid blijven. God had dan ook het beste met de men­sen voor toen hij hen naast de rede bepaalde basisemoties schonk. Voor een onderzoekende geest waren deze basisemoties overal op de wereld en in elke periode herkenbaar. Ze vormden de basis van de menselijke 'natuur' die in principe als universeel werd begrepen.

Toch was het niet zo dat deze natuur zich volgens Nederlandse ver­lichtingsauteurs altijd op dezelfde manier manifesteerde en dat haar verschijningsvorm onveranderlijk was. Culturele factoren hadden een belangrijk effect op de specifieke uitingsvormen van de basisemoties én op de hevigheid en frequentie waarmee verschillende emoties zich bij mensen voordeden. Mét de voortschrijdende beschaving wa­ren andere gemoedsbewegingen het gevoelsleven van de mens gaan domineren dan toen hij nog in een natuurstaat leefde. Mét de veran­dering van staatsvormen bleek de ontwikkeling van bepaalde emoti­onele drijfveren gestimuleerd te worden en van andere onderdrukt. En met het verschil in dagelijkse leefwijze kon ook een verschil wor­den waargenomen in de emoties die zich het meest frequent voorde­den.

Die invloed van cultuur werd in de Verlichting niet per definitie positief gewaardeerd. Zij kon zowel positief als negatief uitpakken, afhankelijk van de situatie en de status van de emoties in kwestie. In geval van twijfel over de intensiteit, richting en gevolgen van de zich voordoende gemoedsbewegingen, moest een mens deze in ieder ge­val kunnen beheersen en eventueel in een andere richting bijsturen.

In de teksten van de Nederlandse spectatorschrijvers kwamen zo twee centrale tendensen van het verlichtingsdenken samen.

  • Enerzijds geloofden verlichtingsauteurs in de waarde van de menselijke natuur en presenteerden zij theorieën over de werking van de menselijke psyche die aanspraak maakten op een universele geldigheid.
  • Ander­zijds signaleerden zij grote culturele verschillen en veronderstelde het geloof in de maakbaarheid van mens en samenleving ook dat zij de natuur van de mens in bepaalde opzichten vormbaar achtten. Natuur en cultuur werden daarbij soms al wel maar nog niet altijd als tegen­gestelde invloeden gepresenteerd. Veel emotietheorieën uit de Verlich­ting veronderstelden een samenwerking tussen beide krachten. De grens tussen natuur en cultuur was nog niet zo precies vastgelegd.

Pas aan het einde van de achttiende eeuw zou de politiek-maatschap­pelijke behoefte aan een dergelijke grensbepaling toenemen en een sterke invloed gaan uitoefenen op de onderzoeksvragen van de latere menswetenschappen