Bas van Stokkom: Emotionele democratie. Over morele vooruitgang. Van Gennep, Amsterdam; 246 blz. - ¨Y 44,90.
Trouw Datum: 06-02-1998
HANS DIJKHUIS
Het is in bepaalde kringen bon ton om zich nogal misprijzend over de jaren '60 uit te laten. Ze zouden alleen maar het verval van morele en culturele waarden in gang hebben gezet en ons tot egoïstische, narcistische of cynische individuen hebben gemaakt. De socioloog Bas van Stokkom hoorde ook bij die critici maar hij heeft zijn oordeel nu herzien.
De belangrijkste verworvenheid van de jaren '60 is volgens hem dat 'het gevoelsleven zich heeft geopend'. Daardoor zijn we laatste decennia al met al wat milder, opener en meedogender geworden, vertrouwen we elkaar meer, kunnen we ons beter in elkaar verplaatsen, en tonen we meer respect. In die zin mogen we volgens Van Stokkom zelfs van een 'morele vooruitgang' spreken, zoals de ondertitel van zijn nieuwste boek aangeeft.
De eigenlijk titel van het boek, 'Emotionele democratie', deed me aanvankelijk denken aan journaalbeelden van heftige ruzies in Britse of Italiaanse parlementen. Maar dat is dus niet wat de schrijver bedoelt. Hij denkt bij de opmars van wat hij 'emotionele democratie' noemt zelfs niet in eerste plaats aan het politieke bedrijf, maar aan gezinnen, scholen en bedrijven, waar botte en autoritaire machtsverhoudingen steeds meer zijn vervangen door omgang op basis van redelijke argumentatie en wederzijds respect. Kinderen, scholieren en werknemers zijn mondiger en worden meer serieus genomen.
In een emotionele democratie verschuilt men zich niet achter maskers van maatschappelijke status of positie, maar durft men zich bloot te geven: "mensen verwoorden hun opvattingen, belangen en wensen op authentieke wijze. Op die manier kunnen ze zich gemakkelijker met elkaar identificeren en kan vertrouwen worden gegenereerd."
Van Stokkom wil niet zeggen dat de jaren '60 met deze mentaliteitsverandering iets heel nieuws hebben voortgebracht. Hij beschouwt ze eerder als een herleving van wat hij de 'romantische gevoelshuishouding' noemt. De Romantiek heeft volgens hem een immense invloed in onze tijd. Dat blijkt uit de alomtegenwoordigheid van het romantische liefdesideaal, de aandacht voor het eigen lichaam, de 'muzikalisering' van het leven ("jong en oud worden in beslag genomen door klanken die rechtstreeks aan het gevoel appelleren en tot dans en beweging aanzetten"), het verlangen naar het 'volle leven', de verlokking van de 'onrust van de verte'. "Er heeft zich", schrijft Van Stokkom, "een naar buiten gekeerd zelf ontwikkeld dat in het verzuilde tijdperk ondenkbaar zou zijn geweest."
Dat mag zo zijn, maar wat hebben deze voorbeelden te maken hebben met morele vooruitgang? Ze zouden evengoed kunnen wijzen op de neiging van individuen zich van de maatschappij af te keren en hun heil te zoeken in intense persoonlijke ervaringen en zelfontplooiing, een neiging die als kenmerkend werd beschouwd voor het in de jaren '80 uitgeroepen 'ik-tijdperk'.
Van Stokkom beschouwt de Romantiek als een "civiliserende beweging die mensen ontvankelijker maakt". Maar respect, mededogen en vertrouwen - de 'zachte krachten', zoals Van Stokkom ze noemt - hebben een veel oudere oorsprong dan de Romantiek. Ze lagen al besloten in de christelijke moraal die, zoals Nietzsche al opmerkte, ook na de 'dood van God' van kracht is gebleven, en die in de Renaissance door humanisten en in de 18de eeuw door Verlichtingsdenkers werd geseculariseerd.
Van Stokkom doet het Verlichtingsdenken af met de opmerking dat "die denkwijze geen recht doet aan de emotionele aspecten van het menselijk handelen". Dat is zeker niet waar. Juist in de 18de eeuw werd, in denken en doen, het gevoelsleven geëxploreerd en opgewaardeerd. De kritiek op de autoriteit van Kerk en Staat maakte de weg vrij voor de gedachte van gelijkheid en broederschap, zoals de ontmaskering van de uiterlijke schijn van de standensamenleving het streven naar authenticiteit voortbracht.
In dit klimaat kon ook de gedachte van individuele waardigheid postvatten, die Van Stokkom terecht als kern van de moraal beschouwt (en die hij zelf toeschrijft aan Kant, toch een uitgesproken Verlichtingsdenker). De jaren '60, waarin opnieuw tegen zoveel heilige huisjes werd geschopt, zijn wat dat betreft eerder de erfgenaam van de Verlichting dan van de Romantiek. En misschien is Van Stokkom dat zelf ook wel, want was de morele vooruitgang van de mensheid niet juist het grote project van de Verlichting?
Overigens is Van Stokkom veel genuanceerder in zijn oordeel over onze tijd dan tot nog toe is gebleken: behalve de zachte krachten zijn sinds de jaren '60 ook harde krachten (zoals gewelddadigheid, onverschilligheid, cynisme) in een stroomversnelling geraakt, mede door de commercialisering van het leven. We hebben dus te maken met tal van tegenstrijdige tendensen, het kenmerk voor de postmoderne tijd waarin we volgens Van Stokkom leven, een tijd geen dominante waarden en dogmatische waarheden meer bestaan, omdat religie en ideologie aan kracht hebben ingeboet.
Zo'n tijd bergt gevaren in zich maar schept ook nieuwe mogelijkheden. Als alternatief voor cynisme en onverschilligheid oppert Van Stokkom de sceptische levenshouding, waardoor je wordt aangezet tot toetsing en relativering van principes en gedwongen "je te verplaatsen in het standpunt van anderen en na te gaan wat de praktische gevolgen zijn van bepaalde keuzes". Mij dunkt dat deze mentaliteit wel belangrijker kan zijn voor morele vooruitgang dan de romantische 'opening van het gevoelsleven'.
Bas van Stokkom schrijft in zijn voorwoord dat hij in zijn boek, waarin veel meer ter sprake komt dan ik hier heb kunnen noemen, op essayistische wijze verslag heeft willen doen van een 'weinig afgerond zoekproces'. Die bescheidenheid siert hem, maar mag niet verhelen dat hij een belangwekkende, van politiek en sociaal engagement getuigende poging heeft gedaan om onze eigen tijd in kaart te brengen.
Bas van Stokkom: Emotionele democratie. Over morele vooruitgang. Van Gennep, Amsterdam; 246 blz. - ¨Y 44,90.