Emotie eerst (2004)

Het begrip emotionalisering en kritiek op de therapie-cultuur


Waarom we voor alles een therapeut nodig hebben

Riaggs hebben wachtlijsten, gezinstherapeuten maken overuren: onze gevoelswereld is een porseleinkast geworden of, zo u wilt, een mijnenveld. En de emotiemarkt vaart er wel bij.

Door Malou van Hintum

Vrij Nederland 14 februari 2004

Een beetje depri opgestaan vanochtend, vanwege de stress thuis en op het werk? Het valt ook allemaal niet mee voor u. Een hele trits sociologen kan u vertellen dat u slachtoffer bent van een gefragmenteerde, geïndividualiseerde maatschappij, vol onzekerhe­den, wantrouwen en angst - het is eigenlijk nog een wonder dat u uw bed uit durft te komen. Een nog groter aantal therapeuten wil u graag onder­steunen in uw gevecht het dagelijks bestaan te overleven. Van gezinstherapeut tot lifestylegoe­roe, voor elk aspect van uw innerlijk en uiterlijk le­ven hebben zij een training, advies of oplossing. Hun bezweringsformule: toon uw emoties, blijf uzelf, accepteer wie u bent, beter: hou van uzelf! En lever u met huid en haar uit aan hen, de nieuwe priesterkaste, die de leegte die achterbleef na het verdwijnen van de grote verhalen heeft opgevuld met uw kwetsbaarheid. Met de maakbare samenleving is het idee ten grave gedragen dat mensen hun leefomgeving kunnen veranderen. Ze kunnen hoogstens leren zich te handhaven, menen de therapeuten, die zich impli­ciet van de slogan ‘geen socialisme, maar emotio­nalisme' bedienen. Zij verdienen hun geld op de markt van emoties, een markt die de afgelopen ja­ren een razendsnelle groei doormaakte en die ons -al beloven de handelaren het tegendeel -verder van elkaar vervreemdt dan ooit.

De Riaggs hebben wachtlijsten, gezinstherapeuten maken overuren, traumateams snellen van de ene ramp naar de andere fatale gebeurtenis, kortom: therapeutische hulpverleners vind je overal. Er is haast geen Nederlander die nooit een beroep heeft gedaan op een psycholoog, of die zulke hulp niet opgedrongen krijgt.

‘Opvoeden is een vak,' roept het ‘vakblad voor ou­ders' J/M vanaf de abri's in de stad. Psychologie Ma­gazine overtreft elke maand weer de verkoopcijfers van de vorige. Psychologen melden zich bij de poort van scholen waar drama's hebben plaatsge­vonden. De klas van de vermoorde Joegoslavische scholiere Maja Bradaric kreeg therapeutische ondersteuning. Ook de leerlingen van het Terra College, waar conrector Hans van Wieren werd vermoord, kregen onmiddellijk op grote schaal psychologische hulp. Nodig? Of onzin?

‘Onzin,' zegt Frank Furedi, hoogleraar sociologie aan de universiteit van Canterbury en auteur van het onlangs verschenen boek Therapy Culture. ‘Als zoiets ergs gebeurt, worden we ons bewust van onze sociale kant. We ontdekken dat we empa­thisch kunnen zijn en altruïstisch. In zulke om­standigheden vinden mensen hun eigen manier om ermee om te gaan, dikwijls een manier die ze dichterbij elkaar brengt. Vaak zorgen juist derge­lijke verschrikkelijke gebeurtenissen ervoor dat we ons deel van een en dezelfde gemeenschap voe­len. Als psychologen zich daarmee gaan bemoeien, nemen zij dat mensen af.'

Furedi's standpunt krijgt bijval -in de Volkskrant (28-1-2004) stelt klinisch psycholoog Huub Buijs­sen dat traumateams in de regel meer schade aan­richten dan goed doen.

‘Als ouder zou het me niet verbazen als mijn kind slapeloze nachten had, zou huilen en misschien wel in bed zou plassen na een nare ervaring,' zegt Furedi, zelf vader van een zoon van acht. 'je ver­wacht allerlei soorten ongewoon gedrag, want dat is de normale reactie op zo'n gebeurtenis. Wat je nu ziet, is dat normale menselijke reacties worden gemedicaliseerd, er moet meteen een professional aan te pas komen. Maar ik vind dat je die er pas bij moet halen als na een maand blijkt dat een kind er nog steeds last van heeft.'

Het is de centrale boodschap van Furedi's boek: geef je leven niet uit handen aan therapeuten. Wat, voor de goede orde, iets anders is dan te zeg­gen dat we ons moeten afsluiten voor onze emo­ties. ‘We moeten naar elkaar luisteren en gevoelig, open en begrijpend zijn,' zegt Furedi. ‘Maar dat heeft meer te maken met intelligentie en met een open mind dan met emotionalisering.'

Furedi wil verdriet of pijn niet bagatelliseren, maar constateert dat allerlei ervaringen die een normaal onderdeel zijn van het dagelijks leven, als traumatisch worden voorgesteld en daarom onderwerp worden van professionele bemoei­zucht. Hij signaleert de oprukkende gewoonte - 'we staan pas aan het begin van deze ontwikke­ling, het wordt allemaal nog veel erger'- om ons hele leven door een emotionele bril te bekijken. Alle dagelijkse teleurstellingen, opvoedings- en re­lationele problemen en tegenvallers op het werk worden stuk voor stuk gepsychologiseerd en van een therapeutisch label voorzien. Geboorte, ruzie, scheiding, dood - ervaringen die iedereen mee­maakt en die dus niet uitzonderlijk zijn -zouden zorgen voor trauma's die alleen professionals in goede banen kunnen leiden.

'We hebben te veel zelfmedelijden, en dat wordt ons ook aangepraat' Jolande Withuis

Maar ook kleinere kwesties als dwarse pubers en vervelende collega's zijn een reden om ‘in de stress' te raken. Aan het einde van de dag zien we dan een kwetsbaar mens - tegenwoordig een aanbeveling van jewelste, want wie wil er nog als lompe boer te boek staan - die alleen met de grootste omzichtig­heid het moderne leven aandurft. Als die het al durft -het is vast niet toevallig dat twee derde van de WAO-instromers psychische klachten heeft, en wee degene die daar vraagtekens bij durft te plaat­sen. Een op de tien werkenden heeft depressie­klachten, aldus het Centraal Bureau voor de Sta­tistiek in een recent persbericht over depressiviteit en stress op het werk. Bij nadere lezing blijkt ‘de­pressief gedefinieerd te worden als ‘minstens twee weken achter elkaar somber'. Het begrip ‘stress' wordt ueberhaupt niet toegelicht, wat veel zegt over de inburgering van dit therapeutische begrip in ons dagelijkse vocabulaire en de begripsinflatie die daarmee gepaard is gegaan. Met alle gevolgen van dien. ‘The more we're lectured that stress makes us ill, the more likely we are to feel sick,' schrijft Fure­di. Een droge constatering die de uitbaters van de markt van emoties geen windeieren legt.

Waar geen problemen zijn, kunnen ze komen. En wat is er nou mooier dan voorkomen dat ze komen? Zo zou René Diekstra, lector jeugd en opvoeding aan de Haagse Hogeschool, het liefst zien dat alle ouders naar een opvoedcursus gaan voordat ze een kind krijgen. In Rotterdam is het al zover, daar wordt alle aankomende ouders ‘pre­ventieve opvoedingsondersteuning' geboden. ‘Bij het tweede bezoek aan het consultatiebureau wordt de ouders van de baby gevraagd: wat vindt u ervan dat wij eens kijken met wat voor emotionele of andere zaken u mogelijk zit. En als we daarover gesproken hebben, kunnen we u eventueel hulp aanbieden,' zegt hij in het Leidsch Dagblad. Laat Furedi, tevens auteur van Paranoid Parenting, een boek waarin hij ouders aanspoort de opvoeding niet uit handen te geven aan hulpverleners, het niet horen.

De markt van emoties is eindeloos. Zo rekenden therapeuten in New York erop dat hun winkeltje zou vollopen na de aanslagen van 11 september. Toen de verwachte grote vraag naar hulp uitbleef, hadden ze daar een passende verklaring voor: het gaf alleen maar aan dat velen er zó mee worstelden dat hulp vragen nog een brug te ver was. Zo heb je altijd gelijk, en zo kan het ook gebeuren dat men­sen die hechten aan zelfbeheersing en controle over hun emoties, machismo of kilheid wordt ver­weten of, erger nog, wordt aangeraden in therapie te gaan om zich van hun ‘blokkades' te ontdoen. Was zelfbeheersing vroeger een kwaliteit, tegen­woordig getuigt het juist van emotionele rijpheid om je gevoelens vrijelijk te uiten. Met dank aan de vrouwenbeweging, wier credo ‘het persoonlijke is politiek' als een soort kurkentrekker fungeerde. Toen de geest eenmaal uit de fles was, was ie niet meer te houden.

De huidige therapeutische cultuur heeft haar wortels in de jaren zeventig. Toen was het nog zo dat hulpverleners mensen bijstonden in hun zucht naar zelfontplooiing. Christopher Lasch keerde zich daartegen in zijn bestseller De cultuur van het narcisme (1979). Daarin hekelt hij de exponenten van de ‘bewustzijnsbeweging' die ‘zichzelf hebben wijsgemaakt dat het alleen nog zin heeft zichzelf psychisch te verbeteren', iets wat hij beschouwt als een vlucht uit de politiek en een verloochening van de gepolitiseerde en cultuur­kritische-jaren zestig.

De intensieve belangstelling voor het eigen ik leid­de al snel tot een vraag om erkenning daarvan in de vorm van medelijden: het slachtoffer werd ge­boren. ‘Het zelfgevoel gaat boven alles,' constateert Robert Hughes in De klaagcultuur(1994), en deze nieuw-ontdekte gevoeligheid bepaalt dat ‘alleen het slachtoffer de held kan zijn'. En zo, beschrijft Hughes niet zonder gevoel voor humor, ‘is het sca­la slachtoffers dat tien jaar geleden beschikbaar was, nu uitgebreid met iedere mogelijke variatie van kreupelen, blinden, lammen en dwergen, of, correct uitgedrukt, de anders validen, de verschil­lend zienden en de verticaal achtergestelden'. Het is, schrijft hij, ‘alsof ieder menselijk contact bestaat uit één grote zere plek'.

Het politieke correcte taalgebruik is inmiddels naar de achtergrond verdwenen, maar ‘de zere plek' is alleen maar groter geworden. ‘In de jaren vijftig wilden mensen niet ziek en zielig zijn,' zegt Jolan­de Withuis, auteur van Erkenning. Van oorlogstrauma naar klaagcultuur (2002). ‘Toen was het een nederlaag als je angstig of depressief was. Nu mag je je wel zo voelen, en dat vind ik een goe­de zaak. Psychische schade door trauma bestaat, en dat er allerhande behandelmethoden voor zijn, is winst. Ook juich ik het toe dat patiënten zich niet meer hoeven te schamen voor hun klachten en kwalen. Maar het is zo vreemd doorgeslagen. Het wonderlijke enthousiasme waarmee het slachtof­ferschap wordt omarmd, de gretigheid waarmee groepen publieke erkenning eisen voor hun klachten... Een begrip als trauma, oorspronkelijk alleen een term voor ernstig fysiek letsel, daarna ook gebruikt voor zware psychische schokken, wordt nu al bij een kleine tegenslag gebruikt. Vaak wordt de oorlog er vergelijkenderwijs bijgesleept.' Ze diept een krantenknipsel op uit haar tas: ‘Hier, moet je kijken, mensen die hun recreatiebunga­low in Harderwijk moeten verlaten. De gemeente gedoogt permanente bewoning daar niet langer. Een geïnterviewde vergelijkt de controleurs van de gemeente met de Gestapo! Een ander heeft een bordje met de tekst "Vernietigingskamp" opge­hangen.'

Dankzij de verzorgingsstaat, zegt Withuis, is er een premie gezet op zwakheid. ‘De combinatie van vakbondsdenken - de maatschappij is schuldig en daarom heb jij recht op steun - en de therapeutise­ring - je hoeft niet ongelukkig te zijn - heeft een calculerend, hebberig slachtofferschap geprodu­ceerd, waarbij elke eigen verantwoordelijkheid is verdwenen. Alsof geluk een recht is.'

Vervolgens heeft de inflatie van serieuze psycho­logische begrippen als trauma, stress en syndroom ertoe geleid dat iedereen in al zijn ‘kwetsbaarheid' een potentieel slachtoffer is. Withuis: ‘In de jaren zeventig was het, in reactie op de moralistische flinkheid van daarvoor, emancipatoir om gevoe­lens serieus te nemen, maar nu spreken mensen al van een trauma na een verloren voetbalwedstrijd. Dat heeft bar weinig met diepere gevoelens te ma­ken. We verliezen de proporties uit het oog. We hebben te veel zelfmedelijden, en dat wordt ons ook aangepraat.'

Wat is er aan de hand dat we ons massaal over­leveren aan professionals terwijl we heel goed in staat zijn elkaar door postnatale depressies, scheidingen en verlies van familie en vrienden heen te helpen? Zijn we egoïstischer dan ooit? Werken we te hard? Zijn we afgestompt?

Henri Beunders, hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit en auteur van het boek Publieke tra­nen, heeft wel een verklaring voor het feit dat we én gevoeliger lijken dan ooit én tegelijk die gevoe­lens nauwelijks echt met anderen delen. Beunders: ‘Die emotionalisering is de andere kant van de ver­killing en verzakelijking van de maatschappij. De werkelijkheid is keihard geworden. De intermen­selijke verhoudingen op het werk zijn verhard; de interesse in elkaar is nul. Het ontketende, teugello­ze turbokapitalisme van de jaren negentig heeft veel verliezers opgeleverd. Nuttelozen worden ter­zijde geschoven, er is een "not in my backyard"­mentaliteit ontstaan, kortom: we leven in een samenleving waarin van solidariteit en empathie nauwelijks iets is overgebleven.'

De enige plek waar mensen nog vrijuit hun emo­ties kunnen uiten en meeleven met anderen, is voor de televisie. En dus kijken we naar De wed­dingplanner, Love letters, Reli ruil, jouw vrouw, mijn vrouw, De bevalling, Het incassobureau, lam­bers magazine, Je ouders dichtbij, Opsporing ver­zocht, Spoorloos, Taxi, De verloskundigenpraktijk Beschuit met muisjes, De perfecte partner, Ik mis je - van geboorte tot aan dood en alle vrolijkheid en narigheid daartussenin wordt emo-tv gemaakt. We lachen, raken ontroerd, storten hete tranen.

We leven mee met al die Bekende Nederlanders die hun slechte gewoonten, verdriet en andere be­sognes graag met een groot publiek willen delen. De adoptieperikelen van Paul de Leeuw, de depres­sies van Emma Brunt, het seksueel misbruik van Karin Bloemen, het dode kind van Monique van de Ven, de eetverslaving van Hanneke Groenteman ­wat al die mensen gemeen hebben, is dat we niet aan hun lippen hangen vanwege hun vale, maar vanwege de drama's in hun persoonlijke leven. Geen enkele Bekende Nederlander ontsnapt aan die emotionalisering, ook politici niet. Het beste bewijs daarvan is misschien wel de - postume - uitverkiezing van oud-burgemeester van Tilburg Johan Stekelenburg tot politicus van het jaar. Om­dat hij in Tilburg een beleid voerde dat op waarde­ring loon rekenen? Nee, niet echt. Maar wel omdat de Volkskrant-lezers, die hem deze eer verleenden, vonden dat hij zo open over zijn ongeneeslijke ziekte sprak. Een ander voorbeeld van de emotio­nalisering die politici treft, is de opwinding over het feit dat minister van Sociale Zaken Aart jan de Geus zonder een spier te vertrekleen met het kabi­net meebezuinigt. Die ‘kilheid' wekt minstens zo­veel verontwaardiging op als de bezuinigingen zelf. ‘Liet hij maar wat meer warmte zien,' ver­zuchtte CDA-kamerlid Gerda Verburg na afloop van een kamerdebat. En ook menig journalist ver­baasde zich erover dat de voormalige vakbonds­man getransformeerd is in een ‘harde bezuiniger'. Warmte willen we zien, en spijt als dat te pas komt. Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn, maakte zijn onvergeeflijke daad nog on­vergeeflijker door in eerste instantie te weigeren zijn spijt erover uit te spreken. Iets wat vanuit zijn optiek begrijpelijk is: hij had een man vermoord die Nederland in de afgrond zou storten - wat moest hem dat spijten? Toch bestond een deel van therapeutisch Nederland het Volkert om die reden te verdenken van het syndroom van Asperger en deze diagnose breeduit in de pers toe te lichten. Zonder de moordenaar in kwestie zelf ooit te heb­ben gesproken.

Het volle was woedend en eiste de doodstraf; van­wege de moord, maar toch vooral vanwege het feit dat hij geen spijt betoonde. De belangenvereniging van Asperger-patiënten was trouwens ook woe­dend, omdat zij naar hun gevoel als potentiële moordenaars werden afgeschilderd.

Onze gevoelswereld is een porseleinkast ge­worden of, zo u wilt, een mijnenveld. Een verkeerde uitspraak en we voelen ons gekwetst en ontploffen. Onze eigenwaarde is ons heilig, we vin­den individuele autonomie en onafhankelijkheid het hoogste goed. Het ergste wat ons kan overko­men, is afhankelijk worden van iemand. We gaan daarom op voorwaardelijke gronden met elkaar om, en de emotionele band die we hebben mag on­ze autonomie op geen enkel moment bedreigen. Omdat élke intieme relatie het gevaar van emotio­nele beschadiging in zich bergt, krijg je dan soms rare dingen. Werd, bijvoorbeeld, vroeger gepassio­neerde liefde hoog gewaardeerd, nu wordt een dol­verliefde gewaarschuwd voor ‘relatieverslaving'. Mensen die zich met hart en ziel inzetten voor an­deren, kunnen lijden aan ‘dwangmatig helpen'. Drie keer raden wie ze daar vanaf kan krijgen...juist, de therapeut! Dat we zodoende wel met han­den en voeten gebonden raken aan dié derde partij lijkt de emotioneel kwetsbaren niet te deren. Die partij is immers objectief? Wat kan die nou voor belang hebben?

Maar zoals vleesboeren willen dat u meer vlees eet en uitbaters van een bioscoop dat u vaker een film­pje pakt, zo willen therapeuten dat u vaker bij hen op de bank komt zitten. En zo dragen ze, vast onbe­doeld, eraan bij dat mensen elkaar gaan wantrou­wen. Want ja, u zit daar niet voor niets, u zit daar omdat anderen u het leven zuur maken. En die an­deren, dat zijn meestal mensen met wie u affectie­ve banden hebt. Zoals feministen vroeger vertel­den dat de meeste verkrachtingen binnen het hu­welijk voorkomen, kunnen hulpverleners aantonen dat mensen het diepst gekwetst worden door dege­nen die hen het meest nabij zijn. Het is daarom ver­standiger afstand te houden en je ziel en zaligheid niet te laten afhangen van vriend of partner.

Is al die therapie risicoloos? Bepaald niet. Denk maar eens aan de therapeuten die fictieve herinne­ringen aan seksueel misbruik oproepen, en zo jaar­lijks tientallen familierelaties onnodig in de pena­rie helpen. Het is een geperverteerde vorm van the­rapie, die juist helemaal niets overlaat van het ‘kwetsbare zelf' dat het zegt te beschermen.

Dit zijn natuurlijk extreme gevallen, maar de stel­regel dat geliefden en verwanten een potentieel ge­vaar vormen voor de eigen autonomie, slaat wél aan. En daarom zie je, zegt Furedi, ‘dat informele relaties in toenemende mate een contractueel ka­rakter krijgen'. Anders gezegd: we regelen de din­gen niet meer onderling in goed overleg, maar roe­pen er de rechter of de overheid bij om ons tegen el­kaar te beschermen.

In haar oratie Big Mother. Over de personalisering van de publieke sfeer constateert Dorien Pessers dat burgers de wetgever vragen om een erkenning van hun hyperpersoonlijke identiteit, levensstijl, ge­voelens en kwetsbaarheden. Ze willen dat de wet aan hun individuele behoeften en noden tegemoet komt. Dat klinkt mooi, behandeling op maat, maar de praktijk - iederéén een behandeling op maat -is afschrikwekkend. Niet alleen omdat je je daarbij een enorme bureaucratie leunt voorstellen, maar vooral omdat, schrijft Pessers, het de weg vrijmaakt voor de ‘tirannie van het persoonlijke'. Hoe desastreus die uiteindelijk uitpakt voor de re­alisering van juist dat persoonlijke, laat de uitge­breide wet- en regelgeving rondom geboorte en dood zien. De staat wordt gedwongen tegenstrijdi­ge individuele aanspraken tegen elkaar af te we­gen en heel precies te bepalen wie onder welke condities en volgens welke procedures een kind mag krijgen, en wie er hoe mag sterven. Het gevolg daarvan staat haaks op wat de individuele burger hoopte veilig te stellen: niet meer, maar minder re­gels, niet meer maar minder bevoogding, en vrij­heidsberoving in plaats van vrijheidsvergroting. De combinatie van kwetsbaarheid en individua­lisme brengt haar eigen valkuilen met zich mee: vervreemding van anderen, en uiteindelijk zelfs beperking van de eigen vrijheid. Het verbaast de Belgische hoogleraar sociologie Mark Elchardus, auteur van het boek De dramademocratie, niet. 

Hij noemt het geloof in het individualisme een ‘schijnopvatting', maar desalniettemin een schijn­opvatting die springlevend is. Elchardus: ‘Krijgt het individu contact met het ware ik dat het in zich draagt, daar gaat het nu om. Een echt ik, dat zich aan de ander kan openbaren via emoties. Het is een idee dat heel diep in onze westerse cultuur zit.' Maar, zegt hij, ‘juist de nadruk op emoties wijst op een nieuw soort manipuleerbaarheid van mensen en een nieuw mechanisme van sociale controle. Men stuurt het gedrag van mensen door in te spe­len op hun emoties. Dat lukt ook: als we allemaal echt individuen waren, zouden we niet allemaal reageren zoals bijvoorbeeld reclamemakers op grond van geslacht, opleiding en leeftijd mogen verwachten.'

H et lijkt er zo langzamerhand op dat we ver­blind zijn door onze emoties. En het ziet er­naar uit dat de emotionalisering alleen maar door­zet, zegt Furedi. Zo constateert hij dat emoties ook steeds meer onze visie op sociaal-maatschappe­lijke vraagstukken bepalen. Furedi: ‘Neem bijvoor­beeld de term "uitsluiting". Vroeger praatten we over armoede, nu zeggen we dat mensen "uitgeslo­ten" worden. Uitgesloten impliceert dat je zwak en kwetsbaar bent, jou ontbreekt het vertrouwen om een baan te zoeken, naar school te gaan. Vroeger was armoede te wijten aan een gebrek aan hulp­bronnen; nu ligt het aan je emotionele make-up, waardoor je niet in staat bent ergens je voordeel mee te doen. De maatschappij vindt het veel pret­tiger om armoede voor te stellen als een probleem van geestelijke gezondheid dan als een sociaal pro­bleem. Je ziet dan ook dat sociale problemen in toe­nemende mate worden gepsychologiseerd en voorgesteld als persoonlijke tekortkomingen.'

Het voorbeeld is zo gevonden: kort geleden is het voorstel gedaan om gezinnen van wie een van de leden crimineel gedrag vertoont, verplicht ge­zinstherapie te laten volgen. Geen woord over ar­moede, achterstand en racisme-factoren die even­eens een belangrijke rol kunnen spelen bij het ont­staan van zulk gedrag. De zaak wordt omgedraaid: emotionele problemen worden niet gezien als het resultáát van armoede, racisme of huiselijk ge­weld, maar als de oorzaak ervan. Zo kunnen ze ge­psychologiseerd worden en vraagt niemand meer om politiek handelen.

En dat is nu de stand van zaken: geïsoleerd van vrienden en familie en losgezongen van elk sociaal verband zit de hypersensitieve individualistische burger 's middags bij de hulpverlener vervuld van zelfmedelijden gekwetst te zijn, en 's avonds voor de televisie te snikken. Is die trend nog te keren?

Ja, zegt Henri Beunders. ‘Je ziet dat mensen initia­tieven nemen in de buurt, zich samen organiseren in lotgenotengroepen en in burgerlijke consumen­tenacties. Denk aan de boycot van Albert Heijn, aan de acties van ouders rondom de Kijkwijzer. En zie ook de populariteit van groepsreizen en de festi­valisering van het leven. Frans Bauer, Marco Bor­sato, de Uitmarkt, de KRO Detective-dagen. Men­sen willen het weer gezellig hebben met elkaar, er is een beweging naar nieuwe gezamenlijkheid.' Frank Furedi heeft er een hard hoofd in. ‘Ik wil geen groot pessimist lijken, maar de emotionalise­ring zal alleen maar verder doorzettten. De kinde­ren van nu worden in deze cultuur opgevoed, en zij zijn de beslissers van straks. Het enige wat we kun­nen doen, is overal discussies voeren, onze mond opentrekken. Een hoop mensen zijn de therapie­cultuur zat, maar ze missen het vocabulaire om er iets tegen te doen. Die mensen moeten we samen­brengen en het gevoel geven dat ze niet alleen zijn. Het is allemaal een kwestie van standing up.' Hoopvol: ‘Alles bij elkaar is het toch heel onbevre­digend om slachtoffer te zijn. De maatschappij zal je slachtofferschap bevestigen, het is een identiteit, maar je hoort in feite: jij bent machteloos, jij bent niets. Dat is niet iets wat je wilt worden als je jong bent.'