Back to normal (1995)



Opkomst en ondergang van de psy-kritiek
Ruud Abma

Uit: Het verlangen naar openheid.
Over de psychologisering van het allerdaagse

Amsterdam 1995 De Balie

Een jonge, hoogzwangere vrouw meldt zich bij een psychotherapeut met het volgende probleem. Ze heeft onlangs haar studie afgerond, ver­wacht haar tweede kind, en heeft met haar man afgesproken dat zij voor­taan thuis zal blijven om voor de kinderen te zorgen. De nieuwe situatie maakt echter dat ze zich beklemd en gebonden voelt: voorheen kon ze zich op haar zolderkamer terugtrekken uit de dagelijkse beslommeringen om aan haar scriptie te werken. Bovendien deelde ze met haar man de verantwoor­delijkheid voor kind en huishouden. Nu leven ze ieder in een eigen wereld: hij als kostwinner buitenshuis, zij als full-time huisvrouw en moeder. Het valt de therapeut op dat ze haar probleem nogal nuchter presenteert en dat haar emoties over de situatie onder de oppervlakte blijven. Stapje voor stap­je slaagt hij erin haar ervan te overtuigen dat haar werkelijke probleem zit in de kloof tussen haar emoties en de manier waarop ze die uit. Schoorvoetend gaat ze er ten slotte mee akkoord dat de verdere behandeling zich vooral hierop zal richten.

Deze casus, ontleend aan een artikel van Kathy Davis, kan gezien worden als een voorbeeld van psychologisering: de cliënte worstelt met een probleem dat raakt aan alle aspecten van haar bestaan, en vervolgens wordt één aspect - namelijk het psychische - eruit losgeweekt en centraal gesteld in de behan­deling. Sommigen zouden nog verder gaan: in het therapiegesprek wordt een psychisch probleem geconstrueerd. Door deze constructie wordt een meer algemeen politiek-cultureel probleem gemaskeerd, namelijk de wijze waarop de arbeid binnens- en buitenshuis is verdeeld tussen de seksen.

De therapeut zou deze interpretatie ongetwijfeld van de hand wijzen: de vrouw is uit vrije wil bij hem gekomen, wetend dat hij een specialist is in het behandelen van psychische problemen. Hij acht het niet zijn taak haar te vertellen hoe ze haar leven moet inrichten; hij wil haar slechts helpen haar emoties helder in beeld te krijgen en ze op. een adequate en produktieve manier te leren uiten. Zo zal ze straks in staat zijn datgene wat ze eigenlijk wil beter te verwoorden.

Vanaf het midden van de jaren zeventig werd de maatschappelijke rol van de geestelijke gezondheidszorg in toenemende mate bekritiseerd: deze zou politieke en sociale problemen `oplossen' door het hanteren van normalise­rende en psychologiserende strategieën, die wel neutraal leken maar het niet waren. Nu, in de jaren negentig, is de kritiek verstomd en lijkt er een brede consensus te bestaan over de waarde van psychotherapie en geestelijke gezondheidszorg. Tijd voor een terugblik op het tijdperk van do 'psy-kri­liek': zijn de critici van weleer inmiddels zelf genormaliseerd?

Vraag, aanbod en protoprofessionatisering

De clientèle van de ambulante geestelijke gezondheidszorg is na de Tweede Wereldoorlog met sprongen gegroeid. Zo vertienvoudigde het aantal aanmel­dingen bij het IMP-Amsterdam, van 234 in 1950 tot 2430 in 1976. Ook in de jaren tachtig bleef het aantal aanmeldingen stijgen: meldden zich in 1980 bij de instellingen van de ambulante geestelijke gezondheidszorg in totaal 88.000 cliënten voor een behandeling, in 1986 waren dat er bijna 217.000. Inmiddels is de groei wat afgevlakt: in 1993 bedroeg het aantal nieuwe cliënten bij de RIAGGs ruim 240.000. Ook het aantal hulpverleners groeide: bij het IMP-Amsterdam van 31 in 1950 tot 262 in 1970; en bij de RIAGGs van 3100 in 1982 tot 4500 in 1989; in 1993 werkten er bij de Riaggs bijna 5100 hulpverleners.

Voor de groei van deze sector zijn verschillende verklaringen in omloop. De professionals zelf gaan er doorgaans van uit dat het aantal psychische stoor­nissen daadwerkelijk is toegenomen. Door een reeks van maatschappelijke oorzaken - het losser worden van traditionele samenlevingsverbanden, de groeiende werkdruk etc. is de psychische draaglast groter geworden, terwijl de draagkracht. gelijk is gebleven of zelfs is afgenomen. De. bovenstaande casus illustreert dit: vijftig jaar geleden zou de vrouw, zich zonder veel mor­ren in de huisvrouw- en moederrol geschikt hebben - dat hoorde nu eenmaal zo. Nu heden ten dage de keuzemogelijkheden zijn verruimd, kan de psychi­sche spanning oplopen ('heb ik wel de juiste keuze gemaakt?'). De groeiende vraag om psychische hulp weerspiegelt dus een werkelijke toename van het aantal stoornissen, en hieruit valt ook het groeiende aanbod te verklaren.

In de jaren zeventig kwamen sociologen met een andere verklaring: psy­chotherapie was bezig een professie te worden en zoals iedere nieuwe beroepsgroep hebben zij zich ingespannen een eigen markt te creëren. Vanaf de jaren dertig is een groot aanbod aan verschillende soorten hulpver­lening opgebouwd, gericht op diverse potentiële categorieën cliënten: ouders met probleemkinderen, paren met seksuele en andere relatieproblemen, depressieve huisvrouwen, werknemers met spanningsklachten, en meer recent meisjes en, jonge vrouwen met eetstoornissen, soldaten met posttrau­matische stress-stoornissen en allochtonen met 'cultuurgebonden psychia­trische syndromen. De groeiende clientèle van de, geestelijke gezondheids­zorg komt dus niet voort uit meer problemen, maar uit een groeiend aanbod -dat vooral via de media zijn weg vindt naar de burgers.

Een interessante variant op deze professionaliseringstheorie werd gefor­muleerd door De Swaan.' In een onderzoek naar de cliëntèle van het IMI'­Amsterdam was het opgevallen dat verhoudingsgewijs veel cliënten een hogere opleiding hadden en afkomstig waren uit aan de psychotherapie verwante beroepsgroepen. Hun kennis van de mogelijkheden en hun houding ten aanzien van psychotherapie vergemakkelijkte kennelijk de stap naar de hulpverlening. Zij waren 'geschikt voor psychotherapie.' oftewel 'geprotopro­fessionaliseerd'. Opnieuw kan de vrouw uit de casus als voorbeeld dienen: zij ziet de gang naar de therapeut als een voor de hand liggende stap - de geestelijke gezondheidszorg is er voor dit soort problemen. Ook weet zij in het gesprek de therapeut voldoende aanknopingspunten te bieden voor het formuleren van een psychologisch behandelbaar probleem. Kortom: ze weet waar ze met haar probleem terecht kan en hoe ze het moet brengen. 

Hutschemaekers ging in Neurosen in Nederland, een omvangrijk dossieron­derzoek naar veranderende klachten en diagnoses in de geestelijke gezond­heidszorg, nog een stap verder: de geestelijke gezondheidszorg bestaat uit instellingen die er in gespecialiseerd zijn betekenissen te construeren wan­neer de normale, spontane betekenisgeving is gestagneerd. 'Neurose' is geen vaststaande psychiatrische categorie, maar een vorm van betekenisgeving aan gedrag en gevoelens die, voor de cliënt en zijn omgeving onbegrijpelijk zijn. De taak van de psychiater of psychotherapeut is dit onbegrijpelijk gedrag te benoemen (de diagnose) en de cliënt een herstelperiode aan te bie­den (de therapie) om de gestagneerde betekenisgeving te herstellen. Hutschemaekers' belangrijkste stelling is dat wij in vergelijking met vroeger het gedrag van onszelf of anderen eerder onbegrijpelijk vinden en ons min­der snel neerleggen bij het daaruit voortvloeiende onbehagen. Deze verschuiving in betekenisstructuren is echter niet alleen van invloed op de burger, maar ook op de hulpverlener. De bepaling wat een neurose of psychisch probleem is, geschiedt niet op grond van wetenschappelijke crite­ria, maar hangt af van de wijze waarop in de cultuur de scheiding tussen psychisch normaal en afwijkend betekenis krijgt.

De toenemende vraag naar psychische hulp is niet louter een kwestie van vraag en aanbod, maar weer­spiegelt een algemene mentaliteitsverandering die inhoudt dat mensen gevoeliger worden voor hun psychisch wel en wee, en ervan uitgaan dat aan hun 'onbehagen' iets te doen is door professionele hulp te zoeken. Psychologisering is dus een algemeen cultureel proces.

Deze stelling van Hutschemaekers vindt steun in het onderzoek van Zegers naar de wijze waarop Nederlanders in de periode 1947-1986 zich­zelf in contactadvertenties presenteerden. Een van zijn conclusies was dat mensen zich steeds minder profileerden in termen van formele statuskenmerken ('Nette zakenman zoekt beschaafde, ontwikkelde dame') en steeds meer in termen van emotionele eigenschappen en behoeften ('Jongen, nogal gevoelig, introvert, heeft naast leuk werk en kennissen behoefte aan intieme eerlijke relatie').

Uit deze en andere onderzoeken is onomstotelijk vast. komen te staan dat de Nederlandse burger in de loop van de naoorlogse periode meer aandacht hoeft gekregen voor de eigen emotiehuishouding, zichzelf meer ziet en presenteert als een autonome persoonlijkheid, en bij klachten eerder geneigd is deskundige hulp te zoeken. Het is echter niet eenvoudig voor deze cultuur­omslag een verklaring te geven zonder in tautologieën te vervallen. Zo is het vaak als oorzaak genoemde proces van individualisering niet los te zien van psychologisering: de individualisering wordt niet alleen psychologisch inge­vuld, maar ook door de psychologisering gestimuleerd. Hetzelfde geldt voor het vaak genoemde seculariseringsproces: het verval van religieuze normen en waarden gaat hand in hand met de opkomst van een psychologisch mens­beeld. En zo komen we onvermijdelijk uit bij de economische basis: het moet wel zo zijn dat de toegenomen welvaart de aandacht heeft afgeleid van de zorgen om het dagelijks brood, en aldus ruimte heeft geschapen voor do zorg om het dagelijks welzijn, om onze geestelijke en lichamelijke gezondheid. Maar ook hier grijpen de processen in elkaar: dat de geschapen ruimte op deze wijze werd opgevuld is voor een groot deel toe te schrijven aan het zen­dingswerk van de geestelijke gezondheidszorg zelf.

De zorg voor de geestelijke volksgezondheid

Tegenwoordig zijn we gewend de geestelijke gezondheidszorg als een veld of een geheel van hulpverleningsinstellingen te zien, maar zij is lange tijd minstens zozeer een beweging geweest ter bevordering van de geestelijke volksgezondheid.

De beweging had twee uitgangspunten.

  • De eerste had betrekking op preventie: wie ernstige (psychiatrische) stoornissen wil voor­komen, moet zorgen dat lichtere stoornissen en problemen op tijd gesigna­leerd worden, en in het algemeen zorg dragen voor een klimaat waarin gees­telijke gezondheid kan gedijen. 
  • Het tweede uitgangspunt was dat psychische stoornissen ook psychische oorzaken hebben, te weten traumatische erva­ringen en verdrongen conflicten uit de vroege kinderjaren. Mevrouw Lekkerkerker, een van de pioniers in de beweging, formuleerde het in 1927 als volgt: 'Meer en meer zag men in dat niet alleen criminaliteit, doch ook talloze andere maatschappelijke moeilijkheden in individuen - zoals arbeids­ongeschiktheid, zenuwstoornissen, moeilijkheden in de leiding van het gezin, prostitutie en dergelijke - meestal hun oorsprong vinden in invloeden gedu­rende de kinderjaren ondergaan, welke bij deskundige leiding tijdig herkend en verholpen hadden kunnen worden.`

Met name in het tweede uitgangspunt is de invloed van de psychoanalyse merkbaar. Deze bracht een revolutie teweeg in de - tot dan toe vooral biolo­gisch georiënteerde psychiatrie door het introduceren van een psychologi­sche manier van denken over het ontstaan van geestesziekten. Maar ook bui­ten de psychiatrie veroorzaakte de psychoanalyse een omwenteling, doordat ze het mogelijk en acceptabel maakte allerlei levensmoeilijkheden en afwij­kende gedragingen volgens een 'psychomediscbe' procedure te behandelen, en niet, zoals voorheen, volgens moreel-religieuze of juridische benaderin­gen. Dit laat zich illustreren aan de hand van een - gefingeerde - casus.

Stel, we hebben een man die de onbedwingbare behoefte heeft zich bij tijd en wijle in vrouwenkleren te steken, en daar lustgevoelens bij ondervindt. Laten we hem M. 't H. noemen.

  • In de jaren dertig zou M., die uit een gereformeerd milieu komt, als hij betrapt werd, ongetwijfeld streng veroordeeld zijn, zowel door zijn kerkgenootschap als door de gemeenschap waarin hij leefde. Men zou menen dat de duivel bezit van hem had genomen, en dat hij door zijn zon­dig gedrag eeuwig zou moeten branden.
  • In de jaren zestig zou M., als hij geluk had, bij een psychiater-psychoanalyticus terechtkomen, en deze zou, als hij deugde voor zijn vak, proberen om dit merkwaardig gedrag te plaatsen in de levensgeschiedenis van zijn patiënt. Hij zou het beschouwen als een stoornis waarvoor M. niet persoonlijk verantwoordelijk was, zij het dat hij er wel aan moest meewerken van zijn neigingen af te komen. M. is ziek, maar niet zondig.Het is te begrijpen dat men in confessionele kringen grote bezwaren koes­terde tegen e en dergelijke psychologisering van moreel onacceptabel gedrag; dit werd gezien als hot goedpraten van wat in wezen fout was.` Freud riep bovendien weerstanden op doordat hij in zijn verklaring van neu­rosen de seksualiteit centraal stelde; hij werd er daarom - overigens ten onrechte - door velen van verdacht een liberalisering op seksueel gebied voor te staan. Ook vond men Freuds theorie te deterministisch: wie in zijn vroege jeugd een trauma had opgelopen, droeg zijn hele leven de sporen daarvan mee. Dit druiste in tegen de vrijheid van de wil, die vooral in katho­lieke kringen een belangrijk principe was.
  • In weerwil van deze bezwaren drongen veel psychoanalytische concepten door in de hulpverleningspraktijk (het maatschappelijk werk, de zielszorg, do huisartsenpraktijk, et cetera) maar ook in het dagelijks taalgebruik ('dat heb je zeker verdrongen', 'dat doe je onbewust', 'het komt door mijn moeilij­ke jeugd'). De psychoanalyse leverde zo een belangrijke bijdrage aan de pro­toprofessionalisering en psychologisering van de burger. Bovendien vormde het psychomedisch model dat erin besloten lag de grondslag voor de ontwik­keling van nieuwe therapievormen die minder elitair, langdurig en moei­zaam waren en daardoor beter geschikt voor behandeling van `het grote publiek': gedragstherapie, 'client centered therapy', gezinstherapie, en meer recent directieve therapie en cognitieve therapie.

De. grote doorbraak vond plaats in de periode rond 1970, toen geestelijke. gezondheid een nieuwe betekenis kreeg, namelijk die van zelfontplooiing. Deze term duidde aanvankelijk vooral op 'verder leren' en 'algemene ont­wikkeling', maar ze kreeg in deze periode een specifieke psychologische invulling, die gebaseerd was op een biologische metafoor; in ieder mens is een kern aanwezig, het 'zelf', die kan en moet uitgroeien tot de mogelijkhe­den van dit zelf optimaal zijn verwerkelijkt. Het komt er op aan voor dit groeiproces de juiste voorwaarden te scheppen, en dat houdt in dat men zijn eigen psychische ontwikkeling voortdurend moet observeren en analyseren. Deze nieuwe invulling van geestelijke gezondheid was oorspronkelijk afkomstig uit de 'humanistic psychology' (Maslow), en voor het praktisch realise­ren ervan werd een reeks van technieken ontwikkeld (zoals de fameuze 'sen­sitivity training'). Deze technieken maakten een vloeiende overgang mogelijk naar ideologisch verwante therapievormen zoals de 'client-centerod thera­py' van Rogers. Anders dan de psychoanalyse legde Rogers de nadruk op de zelrverantwoordelijkheid en het zelfinzicht van de cliënt; de rol van de the­rapeut is slechts de client te helpen zichzélf te leren helpen, en zo het gestokte groeiproces weer op gang te brengen.

Met de opkomst van de zelfontplooiingsideologie en de bijbehorende huma­nistisch-psychologische 'technieken' werd het taboe, op psychotherapie, dat tot dan toe nog wijdverbreid was, voor een belangrijk deel geslecht: wie een therapeut bezoekt is niet gek, maar laat zien dat hij wil investeren in zijn geestelijke gezondheid. Deze vorm van super-psychologisering, het voortdu­rend bewaken van het eigen psychisch leven, beperkte zich aanvankelijk tot segmenten van de hulpverlenende beroepen zelf en de kringen daaromheen, maar drong via de media gaandeweg door in bredere lagen van do bevol­king." Dit alles bracht de Haagse Post ertoe de jaren zeventig te typeren als het 'Ik-tijdperk'.'`

Het is aannemelijk dat het succes van de humanistisch-psychologische bewe­ging in belangrijke mate is bevorderd door het feit dat ze behalve technieken en therapievormen ook zingeving bood, in een tijd waarin de traditionele reli­gieuze zingevingskaders aan erosie onderhevig waren. Voor verlossing hoefde men niet te wachten op het hiernamaals, men kon de bevrijding bereiken in het hier en nu, door aan zichzelf te werken. Nu de relatie met God verstoord was, kon men het heil vinden door het optimaliseren van de relaties niet de partner, de kinderen, de ouders en anderen in de directe leefomgeving.

Opkomst en ondergang van de psykritiek

Het humanistische denken bleef overigens niet beperkt tot semi-therapeuti­sche zelfhulpactiviteiten: het was ook een belangrijk onderdeel van de maat­schappijkritische bewegingen en tegenculturen van de jaren zestig en zeven­tig. Op zoek naar factoren die de zelfontplooiing van het authentieke subject beperkten, stuitte men telkens op verstarde structuren, instituties en autori­teiten, die vervolgens ter discussie werden gesteld. Naast de politiek en de universiteiten kwam ook de geestelijke gezondheidszorg onder vuur te lig­gen. Aanvankelijk had de kritiek zich vooral gericht op de psychiatrie, die ervan werd beschuldigd een repressief apparaat in stand te houden: de psy­chiatrische inrichtingen fungeerden als bewaarplaatsen voor ongelukkige slachtoffers van hef. kapitalistisch systeem, die geheel ten onrechte het etiket 'geestesziek' kregen opgeplakt. 'tegenover deze 'medicalisering van deviantie' bepleitte de anti-psychiatrie als alternatief sluiting van de inrichtingen, terugkeer van de 'gekken' in de maatschappij, en een uitbreiding van ambu­lante hulp. De populariteit van deze zienswijze laat zich onder andere afleiden uit de vele herdrukken die Foudraines Wie is van hout... beleefde.'' Rond 1980 waren in sommige kringen alle hulpverlenende beroepen ver­dacht geworden: hoe menslievend en deskundig ze zich ook opstelde, de hulpverlening was een vorm van macht geworden waar de mensen bepaald niet beter van werden. Zo betreurde Achterhuis in De markt van welzijn en geluk, eveneens een bestseller, de teloorgang van zelfhulp en onderlinge solidariteit, die de burgers uitleverde aan de verkopers van geluk en welzijn." En al eerder had Christopher Lasch de rol van de 'helping profes­sions' bij de uitholling van het gezin gehekeld: ouders werden door de advie­zen van therapeuten en andere hulpverleners systematisch onzeker gemaakt, en daarmee weer afhankelijk van de hulpverlening. Kortom: de burgers zouden beter afzijn als ze op zichzelf en elkaar vertrouwden.

In deze anti-hulpverleningsideologie worden de verdeskundiging en veraf­hankelijking hoofdzakelijk toegeschreven aan het expansionisme van de pro­fessies zelf deze lieten geen middel onbeproefd om hun macht en invloeds­sfeer uit te breiden. Dit liet echter de vraag onbeantwoord hoe het kon dat de burgers zich deze bevoogding door therapeuten en welzijnswerkers lieten welgevallen. Ook was het niet vol te houden dat de ambulante hulpverlening eenzelfde type machtsuitoefening inhield als de marginalisering en uitstoting die men aan de psychiatrie toeschreef. Het ging immers om een type hulp­verlening dat door mensen vrijwillig werd opgezocht en dat ontegenzeggelijk in het teken stond van humaniteit en bevordering van zelfontplooiing.

Deze theoretische impasse werd opgelost door de introductie van een nieuw machtsbegrip dat was ontleend aan het werk van de Franse historicus-filo­soof Foucault. Volgens hem waren, vanaf ongeveer 1800, naast  de klassie­ke, repressieve machtsvormen reeksen van 'positieve' machtstechnieken ont­wikkeld ('de disciplines'), die beoogden de lichamelijke en psychische capaci­teiten van individuen te versterken. Deze technieken waren niet in hoofdzaak gebaseerd op het toepassen van negatieve sancties bij het overtreden van norm of wet, maar op het stellen van positieve doelen en het invoeren van een daarmee corresponderend gedifferentieerd beloningssysteem (de bevor­deringsprocedures in het onderwijs en het leger zijn hiervan een voorheeld). Met de verbreiding van deze moderne machtsvormen ontstond ook het 'autonome' subject, dat de uiterste zorg besteedt aan zijn lichamelijk en psychisch welzijn. Foucault wijst hier een bijzondere plaats toe, aan de psychoanalyse, die er door de combinatie van een nieuwe vorm van biechten (de vrije asso­ciatie) en de wetenschappelijke status van de medische praktijk in slaagde binnen te dringen in de intiemste details van de subjectiviteit. Voortbordurend op dit inzicht liet Donzelot in een geschiedschrijving van het gezin zien hoe de psychoanalyse een omslag bewerkstelligde in het func­tioneren van instellingen en deskundigen die zich met het toezicht op gezin­nen bezighielden: de geneeskunde, het pastoraal werk, de pedagogiek, het maatschappelijk \vork, de kinderbescherming. Onder invloed van psychoanalytische denkbeelden verschoof de aandacht van het handhaven van de normen naar het 'reguleren van de beelden' die cliënten hadden van hun problemen, zodanig dat in een psychologisch getint proces van onderhande­ling en sturing de gewenste aanpassing bereikt werd. Het 'voogdij-complex' werd een 'psy-complex'." In dezelfde trant schreef Castel, net als Donzelot een leerling van Foucault een uitvoerig gedocumenteerde studie van de ont­wikkeling van de geestelijke gezondheidszorg in de Verenigde Staten, die hij typeerde als de meest geavanceerde 'psy-maatschappij' ter wereld. In latere artikelen liet Castel zien hoe ook in Frankrijk een ware 'psy-cultuur' was ontstaan, waarin alle - economische, politieke, culturele - verhoudingen tus­sen mensen geïnfiltreerd waren door psy-technieken en -ideologieën, met als gevolg een totale depolitisering van het sociale leven."

Deze analyses van het 'psy-complex' en het psychologiseringsproces dat daaraan voorafging kregen in Nederland rond 1980 een relatief grote bekendheid: er circuleerden 'grijze' Nederlandstalige samenvattingen, er werden discussiebijeenkomsten belegd, en 'progressieve' tijdschriften als Psychologie en Maatschappij en Comenius publiceerden artikelen over deze nieuwe stroming. In veel artikelen, boeken en proefschriften doken termen als 'psychologisering' en 'psy-complex' op, met betrekking tot onderwerpen die varieerden van katholieken en geestelijke gezondheidszorg, onmaat­schappelijke gezinnen, de kinderbescherming, vroegtijdige onderkenning van ontwikkelingsstoornissen, tot de geschiedenis van de M0B's. Inmiddels is de stroom vrijwel opgedroogd: alleen een enkele columnist wil zich nog wel eens vrolijk maken over de alomtegenwoordigheid van het psy-denken.

De normalisering van de kritiek

Voor de ondergang van de psy-kritiek zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Om te beginnen is er geen sprake meer van een beweging, een tegen­cultuur, van waaruit met politieke en theoretische middelen de strijd wordt aangebonden met de heersende hulpverleningsideologieën en -praktijken. Vele van de toenmalige critici hebben hun élan en hun grote idealen inge­ruild voor een meer genuanceerde houding, al dan niet omdat ze zelf carriëre hebben gemaakt in het circuit van zorg en welzijn. Anderen zijn daarente­gen juist gemarginaliseerd, al dan niet via een 'carrière' in de psychiatrie. Een tweede complex van oorzaken is gelegen in de geestelijke gezondheids­zorg zelf: deze straalt. aanzienlijk minder triomfalisme uit dan in de jaren zeventig. Niet alleen dreigt haar positie voortdurend ondermijnd te worden door de overheidsbezuinigingen (en welke criticus wil dat op zijn geweten hebben), ze, is ook zakelijker geworden. Zo zijn in de therapiewereld de 'inzichtgevende' en humanistische stromingen overvleugeld door minder psychologiserende benaderingen als gedragstherapie. cognitieve therapie, directieve therapie en systeemtherapie, en is de destijds zo verfoeide biologische psychiatrie bezig met een ongestoorde come-back. Ook de ideologie rondom de zorgverlening is verzakelijkt: deze is een 'produkt' geworden waaraan 'kwaliteitseisen' gesteld worden; gesproken wordt van een 'hulp­aanbod' dat om redenen van 'efficiency' nauwkeurig moet worden afgestemd op de te verwachten 'hulpvraag'.

Anderzijds is de bevolking, volgens de wetten van het zinkend cultuurgoed, inmiddels zozeer gepsychologiseerd, dat voor een kritiek op de zorgverle­ning nauwelijks nog steun te krijgen is. Eerder is het omgekeerde het geval: wie zegt dat het wel een tandje minder kan met de aandacht voor psychische problemen, kan verzekerd zijn van een spervuur van boze ingezonden brie­ven, zowel door hulpverleners als door (potentiële) slachtoffers. Er wordt gevraagd om erkenning van het psychisch leed, door overlevenden van vlieg­rampen, door tweede-generatie-oorlogsslachtoffers, door ex-werknemers die op psychische gronden arbeidsongeschikt zijn verklaard, en door rivier­oeverbewoners die zijn getroffen door de zoveelste watersnoodramp. Zo kon men een uit de kluiten gewassen restauranthouder, die zijn etablissement ten tweede male met Maaswater had zien vollopen, zonder omwegen op de TV horen verklaren: 'ik ben nog niet failliet, maar psychisch ga je eraan onder door, aan zoiets.

Het zou bepaald horkerig zijn deze getroffenen de gevraagde aandacht en steun te miszeggen. De vraag is alleen of hier altijd psychologische hulp geboden moet worden: aan ieder menselijk probleem is wel een psychisch aspect te onderscheiden, maar daarmee is het nog niet per se een psychisch probleem (Iaat staan een stoornis die therapie nodig maakt). Wie een ramp heeft overleefd, heeft zonder twijfel een trauma opgelopen, maar hij hoeft de oorzaak noch de oplossing in zijn eigen psyche te zoeken. Naar alle waar­schijnlijkheid is de hierboven aangehaalde restauranthouder meer gebaat bij een fikse schadevergoeding dan bij het lichten van zijn psychische doop­ceel door een RIAGG-traumateam.

Wie werkelijk iets wil doen aan de verbetering van de geestelijke volksge­zondheid kan zich beter inspannen te zorgen voor een eerlijke verdeling van werk, dan voor een uitbreiding van de geestelijke gezondheidszorg. De hui­dige situatie is immers absurd te noemen: het werkend deel van de natie loopt voortdurend het risico overspannen te worden door 'stressoren' op het werk (variërend van te hoge arbeidsbelasting tot ongewenste taakinvullin­gen), terwijl de 'inactieven' - politici verzinnen soms de meest kwetsende eufemismen - het gevaar lopen hun bestaan als zinloos te ervaren, doordat er buitenshuis niemand op ze zit te wachten. Dit valt de geestelijke gezond­heidszorg niet te verwijten: zij heeft deze problemen niet veroorzaakt, en doet haar best de symptomen ervan te bestrijden. Maar zij kan dit niet anders doen dan door, zoals in de casus waarmee dit betoog opende, de moeilijkheden zoals ze bij individuen tot uiting komen, te psychologiseren. Dit verzacht het individuele leed, maar de werkelijke misstanden worden er niet mee uit de wereld geholpen.