Verdieping: bespreking van Charles Taylor
WIJSGERIG PERSPECTIEF (41) 2001 nr.3
CHARLES TAYLOR
Door JOEP DOHMEN
'De strijd dient niet te gaan om authenticiteit, ervoor of ertegen, maar erover, om de ware betekenis ervan vast te stellen.' Charles Taylor in Ethics of Authenticity, 73.
Charles Taylor is een van de meest interessante hedendaagse filosofen over het goede leven. Zijn bekendste interventie betreft het thema van de authenticiteit. In tegenstelling tot zowel de liberalen als de conservatieven neemt hij authenticiteit principieel serieus.
Hij vat authenticiteit expliciet op als een geldig moreel ideaal, mits aan bepaalde algemene condities wordt voldaan. Op deze wijze verliest het authenticiteitsbegrip evenwel aan slagkracht en betekenis.
Authenticiteit: opdracht en queeste
Volgens Charles Taylor is echtheid of authenticiteit het belangrijkste morele ideaal van onze tijd. Het stamt uit de romantiek en kan volgens hem als volgt worden verwoord: 'Er is een bepaalde manier van menszijn die de mijne is. Ik ben geroepen om mijn leven op deze manier te leven, en niet als nabootsing van dat van iemand anders. Maar dat verleent een nieuw belang aan de trouw aan mijzelf. Als ik dat niet ben, mis ik het doel van mijn leven, ik mis wat menszijn voor mij betekent'.'
In onze laatmoderne westerse cultuur willen veel mensen zichzelf zijn en een authentieke levenshouding aannemen. 'Zichzelf zijn' verwijst hier naar een levensvorm waarbij men zelf in het geding is en op de een of andere manier nadrukkelijk vanuit zichzelf leeft. Deze houding spoort bovendien goed met de gangbare smalle moraal, waarin het principe van zelfbeschikking domineert. De norm om jezelf te willen zijn hangt nauw samen met het huidige tijdsgewricht van individualisme en persoonlijke autonomie. Om te kunnen beoordelen wat het huidige authenticiteitspathos waard is, moet duidelijk zijn wat het betekent dat iemand authentiek is en dat hij leeft 'vanuit zichzelf.' Waar streven mensen naar als ze trouw willen zijn aan zichzelf?
Authenticiteit verwijst naar een samenhangend cluster van begrippen als oorspronkelijkheid, echtheid en eigen(lijk)heid.
- Authenticiteit betekent allereerst oorspronkelijkheid. Het woord authentiek stamt van het Griekse authentikos, hetgeen betekent 'uit de eerste hand', of 'betreffende de eerste oorzaak'. Wanneer iemand een kunstwerk aanschaft, krijgt hij tevens een Certificate of Authenticity: een bewijs dat het betreffende kunstwerk echt is. Kopers van kunst willen namelijk garantie, beducht als ze zijn voor een vervalsing of kopie. Het kunstwerk moet uit de eerste hand zijn, van deze kunstenaar en niemand anders. Analoog hieraan betekent authenticiteit dat mensen liefst zelf de oorsprong of oorzaak van hun handelen zijn. Soms overdrijven ze en houden ze hun handelwijze voor volkomen uniek, misschien omdat ze menen dat ze alleen dan meetellen en van belang zijn. Over het algemeen echter willen authentieke mensen niet zozeer per se volstrekt uniek handelen als wel vanuit een eigen inzet. Ze willen niet handelen louter in navolging van een ander, alleen omdat een ander ook zo handelt.
- Een tweede betekenis van 'authentiek' is 'echt, zuiver, niet vals', zoals in 'een echte Van Gogh', 'echt goud' of 'echte parels'. Het woordenboek Van Dale voegt hieraan nog een interessante connotatie aan toe: 'Bij uitnemendheid uitdrukkend wat echtheid uitdrukt, daarvan alle kenmerken vertonend, in optima forma. Voorbeelden hiervan: zij is een echte dame; het is nog niet echt zomer!' Analoog hieraan betekent authenticiteit dat mensen echt willen zijn. Zij willen op de een of andere manier dat zijn wat ze moeten zijn. Men wil bovendien precies x zijn, niet zomaar een beetje of in verdunde vorm, maar x zonder restrictie, in de optimale vorm. Authenticiteit verwijst dus naar het kwalitatief ideaal van echtheid, dat uit de aard der zaak alleen met een zekere precisie, zuiverheid en intensiteit kan worden bereikt.
- Tenslotte verwijst authentiek naar begrippen als eigenlijk en wezenlijk. Hetzelfde woordenboek verwijst daarbij naar uitdrukkingen als: 'volgens het wezen der zaak, hij heeft geen eigenlijk beroep; zijn eigenlijke beroep is timmerman; de eigenlijke betekenis van een woord' of: 'eigenlijk is de zaak deze; ik kom eigenlijk ergens anders voor; eigenlijk gezegd, om de waarheid te zeggen. 'Authenticiteit' in deze derde betekenis van eigenlijkheid heeft betrekking op wezen en waarheid. Authentieke mensen willen handelen vanuit hun wezen, dan voelen ze zich waarachtig.
Als mensen trouw willen zijn aan zichzelf, willen ze dus blijkbaar oorspronkelijk handelen, vanuit een eigen inzet. Ze willen echt zijn, intens leven en een vorm van zuiverheid uitdrukken. Het gaat er hen om precies te zijn zoals je moet zijn. En ze willen vooral handelen 'naar hun wezen', ze willen leven naar wat ze wezenlijk zijn. Dat is echter niet onproblematisch, aangezien een wezensopvatting van de mens in de loop van de westerse cultuur in toenemende mate ter discussie staat. Toch hangt de huidige authenticiteitsproblematiek met die ontwikkeling ten nauwste samen.
In het Griekse denken wordt de mens voor het eerst fundamenteel als een rationeel wezen opgevat en staat de zoektocht naar een absolute maat waarop de mens zijn handelen kan richten, centraal. Volgens de Romeinse ethiek van de Stoa is het zaak voor de mens om zichzelf in bezit te nemen, door te leven in overeenstemming met de natuur. Vanuit de christelijke visie is de mens schepsel Gods, waaruit volgt dat hij juist niet op zichzelf in aardse zin gericht moet zijn, maar via zelfinkeer op God. 'Bouw jezelf en je bouwt een ruïne', zei Augustinus.
Bij de renaissancedenker Montaigne staat de zelfgerichtheid voor het eerst expliciet centraal. Doel van het mensenleven is om zoveel mogelijk samen te vallen met zichzelf, maar de sceptische aarzeling tussen twee maatstaven, respectievelijk van het genot en van een natuurlijke matiging, is reeds uitdrukkelijk zichtbaar. Rousseau heet de eerste belangrijke representant van het hedendaagse ideaal van authenticiteit te zijn. Voor hem was de natuurlijke mens de goede mens. De beschaving corrumpeert, wekt verkeerde verlangens naar roem en eer, en brengt inauthenticitelt voort. Dus maant Rousseau zijn tijdgenoten om weer te leren luisteren naar de eigen innerlijke stem. De laatmoderne cesuur ontstaat bij Kierkegaard en vooral bij Nietzsche wanneer zij het idee van een absolute maat laten vallen. Desalniettemin blijft de normatieve leidraad van authenticiteit bij hen behouden! Een radicaal individuele existentie via een sprong of via duurzame levenskunst is de menselijke opdracht.
In hun voetspoor hebben in de vorige eeuw existentialistische auteurs als Heidegger en Sartre felle kritiek uitgeoefend op het oneigenlijke leven en de kwade trouw. Daarmee hebben zij de problematiek rondom de authenticiteit nog verder op scherp gesteld. Waaraan kan immers de authenticiteit van de mens worden afgemeten als het criterium daarvoor niet de navolging van God, van de natuur of van een innerlijke stem kan zijn? Sinds 'de dood van God' is authenticiteit niet langer de voltooiing van een uitgestippeld levenspad, maar de individuele queeste naar de eigen bestemming. Existentialistische auteurs als Kierkegaard, Nietzsche, Jaspers, Heidegger, Marcel, Sartre, De Beauvoir en Camus hebben zich op uiteenlopende wijzen voor dat ideaal ingezet. Het existentialisme vat het leven op als een project waarin de mens zichzelf op het spel zet. Het gaat er onherroepelijk om te worden wie je bent. Er zijn geen absolute waarden noch gebaande paden noch vanzelfsprekende voorbeelden voor onze eigen levensweg: 'Het is niet zo eenvoudig te worden wat men is en te ontdekken welke mogelijkheden men in zich draagt' (Camus). Gedraag je niet als een slaaf (Nietzsche), doe niet zoals 'men' doet (Heidegger), maar maak je eigen keuzes en ga de weg die je te gaan hebt.
In de late moderniteit is authenticiteit tegelijkertijd zowel een opdracht als een queeste. Veel mensen ervaren authenticiteit als een opdracht: ze moeten trouw zijn aan zichzelf. Als ze dat niet zijn voelen ze zich mislukt en missen ze de zin van hun leven. Bovendien is authenticiteit een queeste, de hachelijke opdracht om zichzelf te worden. Die opdracht wordt als uitermate problematisch ondervonden, omdat mensen enerzijds geen objectief criterium hebben waaraan ze kunnen afmeten of ze wel in de buurt van hun doel komen, en anderzijds toch sterk het gevoel hebben dat het boe dan ook precies raak moet zijn. Het levenspad van de authentieke mens berust op een creatieve virtuositeit en wordt constant bedreigd door het risico en het echec.
Taylors opvatting van authenticiteit als moreel ideaal.
Charles Taylor is een van de meest interessante filosofen in het fundamentele debat over het goede leven. Zijn bekendste interventie betreft precies het thema van de authenticiteit. In tegenstelling tot zowel de liberalen als de conservatieven neemt hij authenticiteit principieel serieus. Hij vat authenticiteit expliciet op als een geldig moreel ideaal en zelfs als een verrijking van de westerse cultuur! Terecht heeft Taylor opgemerkt dat trouw zijn aan jezelf voor veel westerse individuen een belangrijk normatief ideaal is geworden. Bovendien heeft hij laten zien hoe dat ideaal in de moderne identiteit terechtgekomen is en op welke wijze het is ontaard.
In zijn omvangrijke Sources of the self: The making of lhe modern Identity beschrijft Taylor uitvoerig op welke uiteenlopende manieren mensen in verschillende fasen van de geschiedenis van de westerse cultuur aan hun leven vorm hebben gegeven. Opvallend genoeg hebben individuen in deze cultuur van oudsher het heft in eigen handen genomen en definiëren ze hun eigen identiteit niet zelden in afwijking van de algemeen geldende moraal. Een zeker individualisme is blijkbaar van alle tijden!
Volgens Taylor wordt de moraal van de moderniteit gekenmerkt door drie morele assen.
- De eerste as is het principe van respect voor personen. Sedert het begin van de moderniteit geldt het principe van autonomie. In concreto kreeg het individu vanaf toen een aantal onvervreemdbare rechten toegeschreven. Sedert de romantiek komt daar nog eens de notie van verschil bij. Alle individuen zijn verschillend en bezitten een uniek talent dat ze moeten kunnen ontwikkelen in hun eigen richting.
- Hieruit vloeit de tweede as voort: het individuele ontwerp van een zinvol leven. Iedereen heeft speciale, eigen talenten en is in staat om zijn/haar unieke zelf te ontwikkelen. Op grond daarvan kan iemand een authentiek leven leiden maar evengoed zijn talent verspillen en het eigen levensproject doen falen.
- De derde en laatste as is die van erkenning en waardering. Samen vormen deze drie morele dimensies, het respect voor de persoonlijke autonomie, het streven naar een authentiek zinvol leven en het erkennen van de waardigheid van de persoon, de verdeelde morele ruimte van de moderniteit.
In zijn Ethics of Authenticity laat Taylor zien dat de tweede as, het streven naar een authentiek, zinvol bestaan, langzaam maar zeker is gaan domineren. De moderne preoccupatie met identiteit en authenticiteit hangt samen met de ineenstorting van de klassieke sociale hiërarchieën Oorspronkelijk werd iemands identiteit grotendeels bepaald door zijn of haar sociale positie. Erkenning en waardering hingen tot dan af van de plaats die men innam en de rol die men speelde in de samenleving en de sociale activiteiten die daar nauw mee verbonden waren. Met de afbrokkeling van de standenmaatschappij, de opkomst van de burgerij en de veranderende arbeids‑ en eigendomsverhoudingen wordt onduidelijk waarop iemands identiteit berust. De romantiek vat de mens op als een wezen met innerlijke diepgang. De bron waaruit wij moeten putten ligt diep in onszelf. Maar juist deze eigen innerlijke, natuur gaat verloren door het toenemende verlangen naar, in feite onverdiende, roem. Vandaar Rousseaus oproep om weer te leren luisteren naar de eigen innerlijke stem. Deze romantische oproep tot authenticiteit betekent dat ik het model om naar te leven niet buiten mezelf kán vinden.
Authenticiteit krijgt hier volgens Taylor de kracht van een moreel ideaal. Want het is juist immoreel om niet te luisteren naar de eigen stem en zich te conformeren aan verstikkende conventies. Tegelijkertijd echter wordt hier volgens Taylor de kiem gezaaid voor de latere ontaarding van dit ideaal. Het romantische verlangen om trouw te zijn aan zichzelf is in de laatmoderne samenleving gaandeweg een funeste alliantie aangegaan met het liberale principe van vrije zelfbeschikking.
Authenticiteit staat hoe langer hoe meer tegenover de gangbare moraal. In het voortschrijdend proces van individualisering definiëren mensen zichzelf in toenemende mate onafhankelijk van traditionele, gemeenschappelijke kaders. De moderne vrijheid heeft tegenwoordig de gedaante aangenomen van het oppervlakkige, narcistische ego dat alle externe eisen als bevoogdend afwijst onder het motto: ik ben zelf de maat van alle dingen. Ik maak dus zelf wel uit wie ik ben en hoe ik leven moet.
Op dit punt kiest Taylor nadrukkelijk de kant van veel hedendaagse conservatieven. In een cultuur van individuele willekeur en narcistische zelfverwerkelijking raken mensen blind voor zaken die het zelf overstijgen en die nu juist de voedingsbodem vormen voor een rijk zelf. De liberalen miskennen dat deze wending op den duur tot een ernstige verschraling niet alleen van het publieke, maar ook en juist van het privé‑leven zelf zal leiden. De narcistische concentratie op het zelf komt neer op een verwaarlozing van solidariteit en burgerschap, hetgeen zich als een boemerang tegen liet individu zal keren vanwege het verlies van politieke vrijheid dat daaruit op den duur resulteert. De monologe zelfgerichtheid impliceert bovendien een instrumentele verhouding tot milieu en natuur, en zelfs een ondermijning van de intieme relaties. Steeds meer mensen offeren hun kinderen, huwelijk en liefdesleven op voor hun carrière. De ander wordt gereduceerd tot middel ter realisering van eigen doeleinden. Alle intieme relaties, tussen ouders en kinderen, huwelijkspartners, minnaars en vrienden dreigen instrument te worden van de individuele zelfverwerkelijking.
Tegen deze ontaarde vorm van authenticiteit neemt Taylor uitdrukkelijk stelling. Ik kan niet hoogstpersoonlijk beslissen wat van waarde is. De mens is niet de maat der dingen maar leeft binnen een universele morele horizon. Taylor propageert expliciet een morele ontologie en verzet zich tegen alle vormen van subjectivisme en relativisme. Expressie, creativiteit, originaliteit en anticonformisme zijn allemaal in orde zolang ze maar niet de ondermijning betekenen van fundamentele morele waarden. Voor Taylor is persoonlijke identiteit uiteindelijk morele identiteit. De belangrijkste zaken in een mensenleven betreffen morele inhouden die er voor iedereen toe doen! Het goede leven kan voor geen enkel modern individu anders zijn dan het moreel goede leven! Om deze reden kan en mag ook de authentieke mens zich niet onttrekken aan de dialoog en dient hij zich uitdrukkelijk te verhouden tot de morele kaders van een algemeen geldende betekenishorizon.
Volgens Taylor kan ik 'mijn identiteit alleen identificeren tegen de achtergrond van dingen die ertoe doen. Maar het uitschakelen van geschiedenis, natuur, samenleving, de eisen van solidariteit, alles behalve wat ik in mijzelf vindt, houdt in dat ik alle kandidaten voor wat ertoe doet uitschakel... Authenticiteit is niet de vijand van eisen die opkomen van buiten het zelf, ze veronderstelt zulke eisen.' Authenticiteit is voor Taylor niet zomaar het meest belangrijke normatieve ideaal: het is het meest belangwekkende morele ideaal!
De strijd om de betekenis van authenticiteit
Charles Taylor betoogt telkens weer dat hij in zijn cultuurfilofische ondernemingen eerst en vooral herstelwerkzaamheden verricht. Het is niet moeilijk om de inzet van die herstelwerkzaamheden te ontdekken. Voor de hermeneut Taylor is identiteit verregaand cultuurafhankelijk. De culturele bepaaldheid van persoonlijke identiteit is sociaal, narratief, historisch en ten slotte moreel van aard. Dat laatste heeft voor hem een apart, doorslaggevend belang. Het is namelijk bij uitstek onze morele oriëntatie die continuïteit verleent aan onze persoon. Binnen dit denkraam functioneert Taylors betoog over authenticiteit. Als zijn analyse klopt en authenticiteit steeds meer op gespannen voet staat met de moraal, dan komt daarmee niet alleen de westerse cultuur in het algemeen maar de geestelijke gezondheid van het westerse individu in het bijzonder, in het geding. Daarom moet Taylor zich wel inzetten voor het eerherstel van een overkoepelende moraal.
Vooraanstaande sociologen als Bauman en Giddens hebben in hun analyses, in de tien jaar sedert het verschijnen van Sources of the self (1989) en Ethics of authenticity (1992), Taylors argwaan over het proces van adiaphorisatie, het wegtrekken van de moraal uit de alledaagse levensvormen van de cultuur, feitelijk bevestigd. Morele impulsen worden, zeggen zij, steeds meer onderdrukt, ontkend en van hun morele betekenis ontdaan. Gevolg is het ontstaan van een postmoderne levensstrategie waarin consistentie, duurzaamheid en continuïteit steeds minder oogmerk van het feitelijk handelen zijn. Doelstelling van het postmodern leven zijn daarentegen kortdurende ondernemingen, kortetermijninvesteringen, afkeer van emotionele binding, gebrekkig engagement en continue acute bevrediging, want morgen kan liet te laat zijn!
In zijn meest recente boek, De flexibele mens, laat Richard Sennet niet alleen zien hoe flexibele werknemers de vrucht zijn van een laatkapitalistische marktstrategie, maar tevens hoezeer zij in verwarring geraken over hun fragmenterende identiteit en die van hun gezinnen. Buitengewoon herkenbaar in deze sociologische analyses is tenslotte Taylors klacht over de teloorgang van elke heroïsche dimensie van het postmoderne leven. Authenticiteit, jezelf zijn dreigt geheel op te gaan in de consumptieve lifestyle van de markt. Het postmoderne individu dreigt volkomen opgesloten te geraken in zijn kleine pleziertjes en de zielige behaaglijkheid van een aspiratieloos bestaan.
Toch moeten enkele kritische vraagtekens gesteld worden bij Taylors idee van een morele ontologie en bij zijn herstel van een morele authenticiteit. Volgens Taylor verwijst 'authenticiteit naar een meer aan onszelf verantwoordelijke vorm van leven.' Ze maakt het ons mogelijk (potentieel) een voller en meer gedifferentieerd leven te leiden omdat het meer ons eigen leven geworden is.' (EoA 74). Taylor ziet dus heel goed de positieve rol die subjectiviteit en eigen inzet zouden kunnen spelen, aangezien bij spreekt van 'een meer aan onszelf verantwoordelijk leven.' Volgens zijn eigen analyse is een dergelijke rol echter uitgesloten. Hoe zou een dergelijke subjectieve inzet ons leven kunnen verrijken wanneer Taylor datzelfde subject nu net bindt aan een morele horizon? De andere kant van deze medaille is dat Taylor in alle talen zwijgt over de pure conformist die keurig binnen de dialoog blijft en zich aan de gangbare moraal houdt. Is zo iemand dan ook maar meteen authentiek? Nergens in zijn betoog heeft Taylor oog voor de specifieke rol van de subjectiviteit in onoverzichtelijke situaties, in situaties waarin tegengestelde belangen op het spel staan of bij conflicterende waarden binnen één individu. Juist in zulke situaties zijn moderne subjecten in het geding, en faalt Taylors formele poging tot verzoening van een A‑versie van authenticiteit (creativiteit, originaliteit en verzet) met een B‑versie (dialogicitelt en morele horizon), volledig.
Op vergelijkbare wijze is Taylors uitgangspunt van een morele ontologie discutabel. Voor Taylor zijn een universeel geldige moraal en het achterliggend hypergood God samen datgene wat aan de westerse mens niet alleen houvast, maar ook duurzaamheid en een beslissende waarde verleent. Het moderne individu dat van God los is, is voor Taylor letterlijk een pathologische figuur. Taylor zelf voert in dit verband Nietzsche op, wiens 'God is dood' inderdaad verkondigd wordt door een dolle mens die doolt, tolt en dol is juist vanwege het verlies van een absoluut houvast! juist in zijn atheïstische opponent vindt Taylor een onverwachte medestander over de postmoderne conditie, want ook volgens Nietzsche wordt de stuurloze westerse mens bedreigd door nihilisme, zinloosheid en zielige behaaglijkheid.
Op dit punt gaan de wegen echter uiteen, want voor Nietzsche ‑ en Bataille, Foucault en alle neonietzscheanen zijn hem hierin gevolgd ‑ zijn de morele herstelwerkzaamheden die Taylor propageert, volstrekt onwenselijk. De neonietzscheanen staan principieel kritisch tegenover een morele ontologie. Waar Taylor onverkort vasthoudt aan de mogelijkheid van een rationele fundering van een algemeen geldige moraal, ziet Nietzsche achter elk universalisme een machtsaanspraak, een particulier belang van waaruit verschillen tussen de zeer uiteenlopende, niet zelden met elkaar conflicterende levens van mensen, groeperingen en volkeren onder een bepaalde noemer worden gebracht. Voorzover een of andere universeel geldige moraal wordt aangeboden, betreft het steeds een poging om individueel gedrag te controleren, te normaliseren en daarvan afwijkend gedrag uit te sluiten. Taylor sluit de ogen voor de negatieve effecten van zijn moraal.
Nietzsche en vooral de late Foucault geven een ander antwoord dan Taylor op de bedreiging van nihilisme en zelfverlies voor het laatmoderne subject. Net als Taylor hebben ze weinig op met het ontoereikende en vaak lege principe van autonomie van het liberalisme. Maar in tegenstelling tot Taylor én tot de liberalen hebben zowel Nietzsche als Foucault een opvatting van positieve vrijheid verdedigd en daarin de versterking van de subjectiviteit bepleit. Nietzsche verdedigde het soevereine individu via een vorm van duurzame levenskunst, Foucault via het ontwerp van een bestaansesthetica. In beide ontwerpen gaat het erom dat het laatmoderne individu vanuit een eigen waardenhiërarchie beter in staat is om zich telkens in de concrete situatie op eigen wijze ‑ authentiek ‑ tegenover de heersende codes en regels te verhouden.
Het nietzscheaanse antwoord op de laatmoderne queeste naar authenticiteit lijkt mij beter dan dat van Taylor, omdat zijn voorstel van morele authenticiteit, inauthenticitelt eerder in‑ dan uitsluit. Als authentiek individu besef ik namelijk heel goed dat ik niet de uitvinder en schepper ben van allerlei concrete normen en waarden omdat die in zekere zin gegeven zijn. Maar een waarde telt voor mij pas als ik die ook echt van belang en in de concrete situatie van toepassing vind. Eerlijkheid is een bestaande waarde, maar ik kan tamelijk goede redenen hebben om hier en nu tegenover iemand oneerlijk te zijn. In een authentieke levenshouding probeer je je eigen keuzes te maken en in die zin oorspronkelijk te zijn. je kiest dan niet omdat een ander zo kiest, maar omdat iets jouw eigen voorkeur heeft. Natuurlijk kan een authentiek iemand net zo min leven zonder gewoonten, maar zijn gewoonten zijn in overeenstemming met de waarden en principes die hij zich gaandeweg heeft eigen gemaakt en in die zin heeft ontwikkeld. Hetzelfde gaat op voor de behoeften en genietingen waarmee iemand leeft. De authentieke mens wil juist niet leven in de uiterlijke schijn van het platte hedonisme, van aangeprate behoeften en geëtaleerd genot. Bij authenticiteit is dus, in tegenstelling tot wat Taylor beweert, juist de subjectieve instelling waarmee wij handelen, van doorslaggevend belang.