kritiek op de "ego-psychologie"
PSYCHOLOGIE MAGAZINE APRIL 2002
Psychologiseren is een verslavend spel. Het brengt je dichter bij jezelf, én bij anderen. Bovendien is kennis van de psychologie erg handig bij het realiseren van je eigen wensen. Maar worden we er ook gelukkiger van?
PIETER HILHORST
Hij is een jaar of twintig en zijn beste vriend heeft zelfmoord gepleegd, omdat hij nooit over de dood van zijn vader was heengekomen die een jaar eerder voor zijn ogen was vermoord in een criminele afrekening. Zoals ik het nu opschrijf, zei de jongen het niet; `omdat hij niet over de dood van zijn vader was heengekomen', suggereert al te veel een psychologisch motief. De jongen vertelt het me chronologisch zonder verklaring te bieden. `Hebben jullie veel over de dood van zijn vader gesproken?', vraag ik. `Nee', antwoordt hij kortaf, `wat kun je daarover zeggen? Dat het klote is? Dat weet ik ook wel. Het is klote.' Pas als iemand er niet aan meedoet, merk je hoezeer je gewend bent dat mensen over hun sores en bijbehorende emoties praten. Dan pas merk ik hoe diep ook bij mij het geloof zit dat praten helpt. Of beter uitgedrukt: hoe diep het geloof zit dat zwijgen verdringen is en verdringing leidt tot meer ellende.
Het is een open deur dat mensen sinds de jaren zeventig vrijmoediger zijn gaan praten over hun emoties. Deze openheid is allang geen verworvenheid meer, eerder een verplichting. Wie er niet aan meedoet, is verdacht. Dus moeten sporters antwoorden op de vraag wat er door hen heen ging op het moment van glorie of tegenslag en moeten politici vertellen over de mens achter de volksvertegenwoordiger. Vrienden of geliefden moeten niet het lef hebben om hun zorgen voor zich te houden. Dergelijke discretie is niets minder dan hoogverraad. Het uitwisselen van ervaringen, het bespreken van je motieven, is immers de graadmeter geworden voor de waarde van een relatie. Zonder bekentenissen geen band. Wie over een nieuwe partner zegt dat de seks geweldig is, maar dat ze niet kan `praten', kan rekenen op meewarige blikken: `Goed voor een affaire, slecht voor een langdurige verbintenis.' Ook de woorden die bij al dit gepsychologiseer horen, zijn gemeengoed geworden: verdringing, trauma, egocentrisme, schaamte, schuldcomplex en zelfs projectie hebben allang de alledaagsheid gekregen van fiets, koffiezetapparaat of sollicitatiebrief. Mensen vinden het heel gewoon om zichzelf te typeren als `een mensen-mens' of juist als `introvert'.
Psychoblabla

Abram de Swaan heeft deze ontwikkeling aangeduid als proto-professionalisering. De kennis en het taalgebruik van psychologen en psychiaters zijn niet langer hun alleenrecht.
Leken maken er evenzeer gebruik van. De wijdere verbreiding van psychologie heeft echter wel een vertekening tot gevolg. In zelfhulpboeken, bewegingen als Landmark en talkshows als Oprah is een bepaalde vorm van psychologiseren dominant geworden. In het boek Psychoblabla typeert R.D. Rosen deze benadering als `ego-psychologie'. De egopsychologen richten zich niet op het superego, op het geweten, zoals de kerken dat deden, niet op het onderbewuste, waar de psychoanalytici veel waarde aan hechten, maar op het ego. Ze proberen je op een andere manier naar jezelf te laten kijken en menen dat je dan ook vanzelf een ander mens wordt. Het is een optimistische benadering, omdat het een enorme maakbaarheid van het leven impliceert: als je maar het lef hebt om de waarheid over jezelf onder ogen te zien, dan is het al veranderd.
Neem de volgende aflevering van Oprah. Dr. Phil heeft een vijfdaagse cursus gegeven onder de veelzeggende titel Get Real. Amanda heeft daarin verteld dat ze op de middelbare school tegen haar zin seks heeft gehad met een jongen. Op de universiteit gebeurde het weer. Een jongen drukte haar tegen de muur en drong zich aan haar op. En nu zit ze in een relatie met een man die haar als een vod behandelt. Dr. Phil zegt dat hij vooral het woordgebruik van Amanda bijzonder vindt: `Als ik het goed begrijp is hier sprake van verkrachting.' Betekenisvolle pauze. `Verkrachting, Amanda, tot twee keer toe. Waarom zeg je dat niet gewoon?' En dan volgt een betoog waarin Dr. Phil uitlegt dat ze zichzelf de schuld geeft van de verkrachtingen. Ze blijft bij haar vreselijke man om zichzelf te straffen: `Hoe kun je van anderen respect afdwingen, als je jezelf niet respecteert?' Amanda weet nu hoe ze naar zichzelf moet kijken. Ze moet zichzelf respecteren en haar man de deur uitzetten. En dat heeft ze ook gedaan, vertelt ze in een volgende aflevering. Amanda is blij met haar nieuwe ik, maar als kijker blijf je twijfelen aan deze nieuwe zelfdefinitie. Dr. Phils advies past immers iets te naadloos in haar zelfhaat: `Het is jouw schuld dat je jezelf de schuld geeft van die verkrachtingen. Houd daar mee op, trut!' Het is alsof je iemand vraagt zichzelf aan de haren uit het moeras te trekken.
De theoretische bezwaren die tegen de ego-psychologen kunnen worden ingebracht, hebben de populariteit ervan geenszins geschaad. Dat komt door de verleidelijke monterheid van de aanpak. Het is een bijzonder praktische visie op het zielenleven. Doordat alle problemen het gevolg zijn van eigen interpretaties, dus van bewuste keuzes, is het ook aan de persoon zelf om daar verandering in aan te brengen. Het slachtofferdenken waarbij mensen hun persoonlijke frustraties wijten aan maatschappelijke omstandigheden of gebeurtenissen uit een ver verleden, is definitief voorbij. Niet het seksisme van de samenleving is Amanda's probleem, maar haar besluit om zichzelf de schuld te geven van haar misère. De maatschappij speelt alleen nog een rol in die zin dat ze allerlei ideeën in je hoofd heeft geplant, waarvan je jezelf moet bevrijden.
Deze opmars van de psychologie in het alledaagse leven, en dan vooral die van de ego-psychologie, heeft zich natuurlijk niet in een maatschappelijk vacuum voltrokken. De eerste golf in de jaren zeventig was onlosmakelijk verbonden met het zelfontplooiingsideaal dat toen opgang deed. Bezig zijn met jezelf of naar een therapeut gaan, was niet langer taboe, maar iets wenselijks. In Het verlangen naar Openheid. Over de psychologisering van het alledaagse geeft Ruud Abma een mooie typering van deze houding: `Wie een therapeut bezoekt is niet gek, maar laat zien dat hij wil investeren in zijn geestelijke gezondheid.'
De relationele mens
Inmiddels is het niet meer alleen de persoonlijke ontplooiing die mensen inspireert om zich met psychologie bezig te houden. De wereld is een netwerksamenleving geworden. Een gevolg daarvan is dat de verhouding tot andere mensen ieders belangrijkste kapitaal is geworden. Kijk naar de advertenties in de kranten. Overal worden teamspelers gevraagd. Daarbij hoort niet alleen een gedegen kennis van de motieven van anderen, maar ook van de eigen barrières die succes in de weg staan.
Daniel Goleman schreef enkele jaren geleden de bestseller Emotionele Intelligentie. Hij stelt daarin dat niet de intelligentie van mensen doorslaggevend is voor hun maatschappelijke succes, maar hun sociale vaardigheden. Het zijn variaties op een thema dat in 1936 al door Dale Carnegie is verkend in zijn klassieker How to win friends and influence people. Van nog altijd actuele waarde is zijn bevinding dat de beste manier om een idee door te drukken is bij anderen de suggestie te wekken dat het hun eigen idee is.
Zo kunnen we psychologische kennis inzetten voor ons eigenbelang. Het gaat dan niet om het doorgronden van de achtergronden van onze wensen, maar om die wensen zo slim mogelijk gerealiseerd te krijgen. Het is echter niet alleen dit cynisme dat de zoektocht naar het ware ik in diskrediet heeft gebracht. Het postmodernisme heeft zich evenmin onbetuigd gelaten. De postmodernisten betwisten dat er zoiets bestaat als een diep verborgen identeit waaruit alles ontspringt. Volgens de Amerikaanse psycholoog Kenneth Gergen is er zelfs een nieuw menstype aan het ontstaan: de relationele mens, die zichzelf ziet als de optelsom van verschillende rollen. Het type dat ervan houdt om 's ochtends met vrouw en kinderen de familieman te zijn, 's middags in een debat verstandige dingen te zeggen of een opiniestuk te schrijven, om 's avonds met vrienden door te halen tot zes uur 's ochtends in disco's en kroegen.
De opkomst van de relationele mens betekent echter niet het einde van de ego-psychologie. De verschillende rollen kunnen namelijk allemaal worden geproblematiseerd. Waarom wil je als 36-jarige nog nachtenlang doorzakken? Is het geen pathetische angst om oud te worden, of een opstand tegen de verantwoordelijkheden van het gezin? Of is het een teken dat er iets mist in de. relatie? En waarom wilde je eigenlijk die kinderen, wat wilde je ermee bewijzen? Wat levert het op dat elders niet te krijgen was? Het zijn vragen waar stevig op voortgeborduurd kan worden. Ik geloof alleen niet langer dat het een verhaal oplevert dat alle aspecten van mijn leven in zich draagt. En daarmee wijs ik de waarheidsclaim van de ego-psychologie af. Desalniettemin maak ik er op een ironische manier dankbaar gebruik van. Juist omdat voor postmoderne mensen identiteit een constructie is, blijft het knutselen aan nieuwe verhalen uitermate prettig. Het is een spel, maar wel een spel dat verslavend kan werken. In feite is hier sprake van een nieuwe fase van proto-professionalisering. In eerste instantie is de functionele kennis gedemocratiseerd. Nu is ook de professionele scepsis gemeengoed aan het worden. Er ligt geen waarheid, authentiek ik en eeuwig geluk te wachten. Of zoals Dr. Phil het zegt: `You can manage your life, but you can't fix it.'
Maar wat is het plezier van wroeten in de eigen psyche als het niet tot ware zelfkennis leidt? De kracht van de egopsychologie ligt in de aha-erlebnis die je overvalt als je plots je eigen gedrag, je eigen leven in een ander licht ziet. Even lijkt alles duidelijk. In de beste gevallen heeft het iets opwindende. Het is niet voor niets dat cliënten vaak verliefd worden op hun psychiater en dat het in verwarring brengen van de beminde zo'n vast onderdeel is van het verleidingsspel. Via de divan het bed in.
Dichter bij de ander
Zelfs als je niet gelooft dat het gebruik van het psychologisch instrumentarium de waarheid over het zelf boven tafel krijgt, zelfs als je, zoals ik, gelooft dat er geen waar ik is dat gevonden kan worden, dan nog blijft het spel verslavend. Niet alleen om te doen, omdat het je betekenisvol maakt voor anderen, maar ook om te ondergaan. Het gepsychologiseer en de uitwisseling van bekentenissen brengt je niet zozeer dichter bij jezelf, als wel dichter bij de ander. Het is de moderne evenknie van de regendans. De hopi-hopi indianen geloofden dat deze dans werkte, maar volgen antropologen was de functie van dit ritueel vooral dat het de saamhorigheid versterkte. Zo is het met ons gepsychologiseer ook.
Aan dit spel zit echter een duidelijke grens. Als vrienden echt een probleem hebben, raad ik ze aan om professionele hulp te zoeken en niet te veel te luisteren naar mijn zielen kwakzalverij. En ik hoop dat zij mij, als dat nodig is, het zelfde advies zullen geven. Tot die tijd vermaken we or echter met het spel om achter elke tragedie een verborgen motief en achter elk motief een vervreemdend verhaal vinden. Of we daardoor onszelf beter leren kennen en gelukkiger worden, valt ernstig te betwijfelen. Maar dat is niet er Om met een paradox te eindigen waar de ego-psychologe patent op hebben: elke weg die je gaat om ergens te komen is een verkeerde weg. Alleen de weg die je gaat om de weg zelf, is zinnig.