inleiding op Charles Taylor


inleiding op Charles Taylor

Rob Houtepen Vakgroep Gezondheidsethiek en Wijsbegeerte Rijksuniversiteit Limburg

Een persoon kan niet alleen de verschillende opties waarderen, maar ook een hiërarchie appreciëren tussen bepaalde typen keuzes, naargelang er minder of meer waardevols op het spel staat.

Wat het in concreto betekent om een persoon te zijn, hoe we personen kunnen begrijpen en waarop we elkaar als personen kunnen aanspreken, is volgens Taylor afhankelijk van de in een bepaalde samenleving vigerende richtinggevende waarden ('moral frameworks'). Een bijzonder aantrekkelijk aspect van Taylors werk is dat hij tegenstanders van deze visie niet verkettert, maar probeert de richtinggevende waarden achter hun eigen opvattingen op het spoor te komen. Zo ontwaart hij achter de moderne objectiverende sociale wetenschappen het ideaalbeeld van het autonome en onthechte individu, dat los van diens omgeving keuzes kan maken en begrepen kan worden en dat de omgeving als middel voor eigen doelen beschouwt, Taylor bestrijdt dit beeld niet alleen, maar behandelt het als een ontaarding van een op zichzelf positieve en onomkeerbare waardering van individualiteit en authenticiteit die kenmerkend is voor onze cultuur als geheel.

Hiermee zijn we al midden in de hoofdlijn van Taylors werk aangeland. In toenemende mate is hij zich bezig gaan houden met de richtinggevende waarden, de 'moral frameworks', achter het moderne persoonsbegrip. De ideeëngeschiedenis achter de opkomst van dit begrip heeft hij uiteengezet in zijn lijvige hoofdwerk Sources of the Self (1989). Taylor stelt dat in de westerse traditie het goede en de bron van waarden steeds minder buiten onszelf worden gezocht, in de Goddelijke of natuurlijke orde, en steeds meer binnen onszelf, in ons innerlijk. Het is niet meer de natuur of de Schepping die ons bestaan zin geeft, maar wij zijn het zelf die met behulp van de mogelijkheden die Onze omgeving ons biedt ons bestaan zin moeten geven. Deze met Descartes definitief doorgebroken neutrale en onthechte houding ten opzichte van de wereld noemt Taylor naturalisme. Een ander belangrijk moreel kader voor onze tijd is het expressivisme de gedachte dat we moeten worden wie we eigenlijk al zijn. leder individu dient zichzelf uit te drukken en te ontplooien. Dit is echter niet alleen een proces van constructie, maar ook van ontdekking, van het vinden van de waarheid over jezelf. Samen zijn naturalisme en expressivisme er verantwoordelijk voor dat ieder van ons een zo authentiek, zichzelf getrouw mogelijk leven probeert te leiden en daarbij niet zonder meer op het kompas van haar omgeving vaart.

In De malaise van de moderniteit gaat Taylor in debat met westerse cultuurcritici die het ideaal van zelfontplooiing verantwoordelijk houden voor allerlei kwalen van de moderne tijd.

Uitgangspunt vormt Allan Bloom's kritiek op het modieuze culturele relativisme en Christopher Lasch' kritiek op het narcistische ik-tijdperk: doordat tegenwoordig 'alles kan' en 'alles en iedereen evenveel waard is', is een samenleving ontstaan van stuurloze individuen, die elkaar alleen maar zien als middelen om de eigen behoeften te bevredigen. Dergelijke cultuurkritiek heeft niet alleen in Noord-Amerika, maar ook in Nederland en elders in Europa, geleid tot krachtige pleidooien voor herstel van oude normen en waarden en sociale verbanden. Taylor probeert in dit boek de diagnose scherper te stellen. Verantwoordelijk voor veel van onze hedendaagse morele en politieke zorgen is volgens hem niet het individualisme als zodanig, maar slechts de uitgeklede vorm daarvan. In die vorm is het individu volledig vrij om te kiezen en is de wereld een geheel van opties. De harde kern van de persoon, het 'zelf', is soeverein en voor anderen onaantastbaar. De wereld is slechts het schouwtoneel voor de ontdekking en ontplooiing van dit 'zelf'.

Taylor betoogt dat dit een eenzijdige en verkeerde uitwerking is van waarden als identiteit, individualiteit en authenticiteit. Deze waarden vooronderstellen juist een morele invloed van de samenleving op het individu. De omgeving is niet slechts decor of werkterrein, maar primair voedingsbodem. Het individu kan pas voor zichzelf ontdekken wat waardevol is op basis van noties van waarde die door de samenleving worden aangereikt. Het individu kan zichzelf alleen wezenlijk ontplooien als de omgeving aanleiding geeft om niet te blijven staan bij het bereikte. In die opvatting is het heel goed denkbaar dat een goede samenleving is gebaseerd op de zelfontplooiing van de personen in die samenleving. Individualiteit is geen radicale onthechting van de samenleving, maar een persoonlijke verwerking van invloeden van binnen en buiten. Het individu komt hiermee niet verder door zich van de buitenwereld af te sluiten, maar juist door de dialoog met anderen aan te gaan. Narcisme, atomisme, fragmentatie en relativisme zijn niet gegeven met een cultuur van zelfontplooiing. Zij vormen een ontaarding van die cultuur, die zelf in beginsel gevarieerd en rijk genoeg is om kritiek te genereren op gemakzuchtige verwijzingen naar de soevereiniteit van het autonome individu. Over dit blijvend actuele en belangrijke onderwerp schrijft niemand zo vasthoudend, genuanceerd, erudiet, sensitief en overtuigend als Charles Taylor.