Hs 5 De behoefte aan erkenning


2. Een andere veel gehoorde kritiek op de huidige authenticiteitscultuur is dat hierdoor een zuiver persoonlijke opvatting van zelfverwerkelijking wordt aangemoedigd, waardoor de verschillende verenigingen en gemeenschappen waarvan een persoon lid wordt qua betekenis louter instrumenteel worden. Op het bredere sociale niveau botst dit met elke hechte toewijding aan een gemeenschap. In het bijzonder maakt het het politieke burgerschap met zijn plichtsgevoel en verbondenheid met de politieke samenle­ving meer en meer marginaal.` Op meer intiem niveau bevordert het een opvatting over relaties waarin deze ondergeschikt dienen te zijn aan persoonlijke bevrediging. De relatie is ondergeschikt aan de zelfontplooiing van de partners. In deze opvatting hebben onvoorwaardelijke banden, bedoeld om levenslang stand te houden, weinig zin. Een relatie kan tot de dood toe duren als zij haar doel blijft dienen, maar het heeft geen zin van tevoren te verklaren dat dit zo behoort te zijn.

Deze filosofie is uitgedrukt in een populair boek uit het midden van de jaren zeventig: 'Je kunt niet alles meene­men wanneer je op middelbare leeftijd op reis gaat. Je gaat weg. Weg van institutionele aanspraken en de agenda's van andere mensen. Weg van externe waardering en erkenning. Je gaat weg uit rollen en op weg naar het zelf. Als ik iedereen iets mee zou kunnen geven voor onderweg, zou het een tent zijn. Een tent die staat voor tentativiteit. Draagbare wortels... leder van ons heeft de kans herboren op te staan, op authentieke wijze uniek, met een vergroot vermogen onszelf lief te hebben en anderen te omarmen... De genoegens van de zelfontdekking zijn altijd beschikbaar. Hoewel geliefden ons leven binnenkomen en verlaten, het vermogen om lief te hebben blijft.`

Authenticiteit lijkt hier opnieuw te worden gedefinieerd op een wijze die draait om het zelf, wat ons verwijdert van onze relaties met anderen. En hierop heeft de aanval van de eerder geciteerde critici zich gericht. Kan men hierover iets redelijks zeggen?

Voordat ik de richting van het betoog schets, is het van belang in te zien dat het ideaal van authenticiteit enkele noties van samenleving, of ten minste van de manier waarop mensen moeten samenleven, omvat. Authenticiteit is een facet van het moderne individualisme, en het is een kenmerk van alle vormen van individualisme dat zij niet alleen de vrijheid van het individu benadrukken maar ook maatschappijmodellen voorstaan. Wij missen dat punt als wij de twee heel verschillende betekenissen van individua­lisme die ik eerder heb onderscheiden door elkaar halen.

  • Aan het individualisme van anomie en versplintering is natuurlijk geen sociale ethiek verbonden;
  • maar individua­lisme als moreel principe of ideaal moet enig uitzicht bieden op hoe het individu met anderen moet samenleven.

Daarom hebben de grote individualistische filosofieën ook maatschappijmodellen opgesteld. Het individualisme van Locke leverde ons de theorie van de samenleving als contract. Latere vormen sloten aan bij ideeën van volks­soevereiniteit.

Met de huidige cultuur van zelfverwerkelij­king zijn duidelijk twee wijzen van sociaal bestaan verbonden.

  • De eerste is gebaseerd op het begrip univer­seel recht: ieder dient het recht en de mogelijkheid te hebben zichzelf te zijn. Dit ligt ten grondslag aan zacht relativisme als moreel principe: niemand heeft het recht de waarden van een ander te bekritiseren. Dit brengt degenen die met deze cultuur zijn doordrenkt tot bepaalde opvattingen over procedurele rechtvaardigheid: de grens van ieders zelfverwerkelijking moet gelegen zijn in de garantie dat anderen een gelijke kans op deze verwerkelij­king hebben.
  • In de tweede plaats wordt in deze cultuur grote nadruk gelegd op relaties in de intieme sfeer, met name liefdesre­laties. Deze houdt men voor de voornaamste plaatsen van zelfonderzoek en zelfontdekking en rekent men tot de belangrijkste vormen van zelfverwerkelijking. Deze opvatting weerspiegelt de voortzetting in de moderne cultuur van een trend die nu eeuwen oud is en die het zwaartepunt van het goede leven niet legt in een of andere hogere sfeer maar in wat ik het 'gewone leven' wil noemen, dat wil zeggen, het leven van produktie en gezin, van werk en liefde.` Maar zij weerspiegelt ook iets anders wat hier belangrijk is: het inzicht dat onze identi­teit erkenning door anderen nodig heeft.

Ik schreef hiervoor over de manier waarop onze identiteit wordt gevormd in dialoog met anderen, in overeenstemming of in strijd met hun erkenning van ons. In zekere zin kunnen wij zeggen dat de ontdekking en verwoording van dit feit in zijn moderne vorm tot stand is gekomen in nauw verband met de opkomst van het ideaal van authenticiteit.

Wij kunnen twee veranderingen onderscheiden die samen de moderne preoccupatie met identiteit en erken­ning onvermijdelijk hebben gemaakt.

De eerste is de instorting van sociale hiërarchieën, die de basis voor eer plachten te zijn. Ik gebruik 'eer' in de zin van het ancien régime waarin het intrinsiek verbonden is met ongelijkheid. Willen sommigen eer bezitten in deze zin, dan is het wezenlijk dat niet iedereen eer bezit. Dit is de betekenis waarin Montesquieu het woord gebruikt in zijn beschrij­ving van monarchie. Eer is ten diepste een zaak van préférences'." Het is ook de betekenis die wij gebruiken wanneer wij spreken over het eren van iemand, door haar een publiek eerbewijs te geven, bijvoorbeeld de Canadese Orde. Deze zou natuurlijk waardeloos zijn als wij zouden besluiten hem aan iedere volwassen Canadees te geven.Tegenover dit begrip eer staat het moderne begrip waardigheid, nu gebruikt in een universalistische en egalitaire zin, wanneer wij spreken over de inherente 'waardigheid van mensen' of de waardigheid van burgers. De vooronderstelling hierbij is dat ieder hierin deelt Dit begrip waardigheid is het enige dat verenigbaar is met een democratische maatschappij, en het was onvermijdelijk dat het oude begrip eer op de achtergrond raakte. Maar dit heeft ook betekend dat de vormen van gelijke erkenning van wezenlijk belang zijn geworden voor de democrati­sche cultuur. Bijvoorbeeld: dat iedereen meneer, mevrouw of mejuffrouw moest worden genoemd, in plaats van sommige mensen Heer of Vrouwe en anderen gewoon bij hun achternaam, of nog vernederender, bij hun voornaam, wordt van wezenlijk belang geacht in sommige democrati­sche samenlevingen, zoals de Verenigde Staten. En nog recenter is mejuffrouw, om soortgelijke redenen, opge­gaan in mevrouw. Democratie heeft geleid tot een politiek van gelijke erkenning, die in de loop der jaren diverse vormen heeft aangenomen en die nu is teruggekeerd in de vorm van de eis van een gelijke status voor culturen en voor geslachten. Maar het belang van erkenning is gewijzigd en geïntensiveerd door de opvatting over identiteit die is opgekomen met het ideaal van authenticiteit. Dit was ook ten dele een uitloper van de neergang van de hiërarchische sarnenle­ving. In die vroegere samenlevingen werd wat wij nu de identiteit van een persoon noemen grotendeels bepaald door zijn of haar sociale positie. Dat wil zeggen, de achtergrond die zin gaf aan wat de persoon als belangrijk erkende werd tot op grote hoogte bepaald door zijn of haar plaats in de samenleving en de rol of activiteiten die daaraan verbonden waren. De komst van een democrati­sche samenleving op zich rekent hier niet mee af, omdat men zichzelf nog steeds kan definiëren aan de hand van zijn sociale rol. Maar wat deze sociaal afgeleide identifi­catie beslissend ondermijnt, is het ideaal van authenticiteit zelf. Wanneer dit opkomt, bijvoorbeeld bij Herder, roept het mij op mijn eigen originele wijze van zijn te ontdek­ken. Deze kan per definitie niet sociaal worden afgeleid maar moet innerlijk worden gegenereerd.

Uit de aard der zaak bestaat er niet zoiets als innerlijke generatie, monologisch opgevat, zoals ik hierboven probeerde aan te tonen. Dat ik mijn identiteit ontdek, betekent niet dat ik deze in isolement uitwerk maar dat ik deze verwerf door dialoog met anderen, gedeeltelijk openlijk, gedeeltelijk geïnternaliseerd. Dat is de reden waarom de ontwikkeling van een ideaal van een innerlijk gegenereerde identiteit een nieuw en cruciaal belang verleent aan erkenning. Mijn eigen identiteit hangt wezenlijk af van mijn dialogische relaties met anderen.

Het is niet zo dat deze afhankelijkheid van anderen ontstond in de eeuw van de authenticiteit. Er heeft altijd een vorm van afhankelijkheid bestaan. De sociaal afgelei­de identiteit was naar haar aard afhankelijk van de maatschappij. Maar in vroeger tijd werd erkenning nooit tot een probleem. Sociale erkenning was ingebouwd in de sociaal afgeleide identiteit op grond van het feit zelf dat ze was gebaseerd op sociale categorieën die iedereen vanzelfsprekend achtte. Het specifieke van innerlijk afgeleide, persoonlijke, originele identiteit is dat zij deze erkenning niet a priori geniet. Zij moet haar veroveren door uitwisseling, en kan falen. Wat er met de moderne tijd is opgetreden is niet de behoefte aan erkenning maar de omstandigheden waaronder deze kan falen. En dat is de reden waarom de behoefte nu voor het eerst is erkend. In premoderne tijden sprak men niet over 'identiteit' en erkenning , niet omdat men geen (wat wij noemen) identiteit bezat of omdat die niet afhankelijk was van erkenning, maar veeleer omdat die toen te weinig problematisch was om als zodanig te worden gethemati­seerd.

Het is niet verrassend dat we enkele van de oorspronkelijke ideeën over de waardigheid van burgers en universe­le erkenning, zij het niet in deze termen, aantreffen bij Rousseau, een van de bronnen van de moderne discussie over authenticiteit. Rousseau is een fel criticus van hiërarchische eer, van 'préférences'. In een belangrijke passage in zijn Discours sur l' inégalité noemt hij het een noodlottig moment wanneer de samenleving een wending naar corruptie en onrecht neemt, wanneer mensen beginnen te verlangen naar onverdiende hoogachting.` In de republikeinse samenleving daarentegen, waar allen gelijkelijk in het licht van de publieke belangstelling kunnen staan, ziet hij de oorsprong van gezondheid

Het belang van erkenning is nu in een of andere vorm algemeen ingezien; op intiem niveau zijn wij er ons allen van bewust hoe identiteit kan worden gevormd of misvormd in ons contact met significante anderen. Op het sociale vlak kennen wij een voortdurende bemoeienis om gelijke erkenning. Beide zijn gevormd door het groeiende ideaal van authenticiteit, en erkenning speelt een wezenlijke rol in de cultuur die eromheen is ontstaan.

Op het intieme niveau kunnen wij zien hoezeer een originele identiteit behoefte heeft aan en gekwetst kan worden door de erkenning die wordt gegeven of onthouden door significante anderen. Het is niet verrassend dat men in de authenticiteitscultuur relaties ziet als de centrale plaatsen voor zelfontdekking en zelfbevestiging. Liefdesrelaties zijn niet maar belangrijk vanwege de algemene nadruk in de moderne cultuur op de bevredigingen van het gewone leven. Zij zijn ook van wezenlijk belang omdat zij de smeltkroes vormen van een inwendig gegenereerde identiteit. Op het sociale vlak is de politiek van gelijke erkenning meer centraal geworden en meer onder druk komen te staan door de opvatting dat identiteit wordt gevormd in een open dialoog, niet bepaald door een van tevorer vastgelegd sociaal script. Deze politiek heeft zijn inzet zelfs aanzienlijk verhoogd. Gelijke erkenning is niet slechts de goede modus voor een gezonde democratische samenleving. Weigering ervan kan schade berokkenen aan degenen aan wie zij wordt ontzegd, volgens een wijdver breide moderne opvatting. De projectie van een inferieur of vernederend beeld op een ander kan in feite verstorend en onderdrukkend werken, en zelfs worden geïnternaliseerd. Niet alleen het hedendaagse feminisme maar ook rassenrelaties en discussies over een multiculturele samenleving worden geschraagd door de vooronderstelling dat geweigerde erkenning een vorm van onderdrukking kan zijn. Men kan zich afvragen of deze factor niet word overdreven, maar duidelijk is dat door deze opvatting over identiteit en authenticiteit een nieuwe dimensie is toege­voegd aan de politiek van gelijke erkenning, die nu werkt met iets als zijn eigen notie van authenticiteit, althans voor zover het de veroordeling van door anderen veroorzaakte verstoringen betreft.

In het licht van deze zich ontwikkelende opvatting van erkenning gedurende de laatste twee eeuwen, kunnen wij zien waarom de authenticiteitscultuur voorrang is gaan geven aan de beide wijzen van samenleven die ik hierbo­ven noemde:

  1. 1. op het sociale niveau is het centrale principe dat van eerlijkheid dat voor ieder gelijke kansen eist om de eigen identiteit te ontplooien, waartoe behoort ‑ zoals we nu beter kunnen begrijpen ‑ de universele erkenning van verschil, op welke wijzen dit ook relevant is voor identiteit, of het nu geslacht, ras, cultuur of seksuele oriëntatie betreft; en
  1. 2. in de intieme sfeer is de identiteitsvormende liefdesrelatie van cruciaal belang.

De vraag waarmee ik dit hoofdstuk begon, kan misschien op deze manier worden gesteld: valt een levenswijze die draait om het zelf, in de zin die inhoudt dat wij onze verbanden als louter instrumenteel behandelen, te verdedigen in het licht van het authenticiteitsideaal? Wij kunnen dit nu misschien opnieuw formuleren door te vragen of deze vormen van samenleven waaraan wij de voorkeur geven dit soort losse bestaanswijze zullen toelaten.

1. Op het sociale niveau lijkt het dat het antwoord duidelijk bevestigend is. Al wat de erkenning van verschil lijkt te vereisen is dat wij een of ander principe van procedurele rechtvaardigheid aanvaarden. Zij vereist niet dat wij een sterke band met een burgerrepubliek of enige andere vorm van politieke samenleving erkennen. Wij kunnen ons weinig van de gemeenschap aantrekken zolang wij ieder gelijk behandelen. Men kan zelfs redeneren dat elke politieke maatschappij die gebaseerd is op een sterk idee van het algemeen belang juist hierdoor vanzelf de levens van sommige mensen (degenen die het idee van het algemeen belang steunen) zal bekrachtigen boven die van anderen (degenen die andere vormen van welzijn zoeken) en daardoor gelijke erkenning ontkennen. Lets dergelijks is, zoals wij zagen, de fundamentele veronderstelling van een neutraliteitsliberalisme, dat heden veel aanhangers heeft

Maar dit is te simpel ‑ Met de redenering van het vorige hoofdstuk in gedachten moeten wij vragen wat de consequenties zijn als wij werkelijk verschil erkennen. Dat wil zeggen, de gelijkwaardigheid erkennen van verschillende bestaanswijzen. Het is deze erkenning van gelijk­waardigheid die wordt vereist door een politiek van identiteitserkenning. Maar waarop berust die gelijkwaar­digheid? Wij zagen eerder dat alleen het feit dat mensen verschillende wijzen van zijn kiezen hen niet gelijk maakt; evenmin het feit dat zij zich toevallig bevinden in deze verschillende seksen, rassen, culturen. Verschil alleen kan op zich niet de grond voor gelijkwaardigheid zijn. Als mannen en vrouwen gelijk zijn, is dat niet het geval omdat zij verschillend zijn, maar omdat het verschil wordt opgeheven door sommige eigenschappen, gemeenschappelijke of complementaire, die van waarde zijn. Zij,zijn wezens die in staat zijn tot denken, liefde, herinnering, of dialogische erkenning. Willen wij het eens worden over een wederzijdse erkenning van verschil ‑ dat wil zeggen van gelijkwaardigheid van verschillende identiteiten ‑ dan moeten wij meer dan een geloof in dit principe met elkaar delen; wij moeten ook sommige waarderingsmaatstaven delen aan de hand waarvan de betreffende identiteiten gelijk scoren. Er moet enige inhoudelijke overeenstemming over waarde zijn, anders zal het formele principe van gelijkheid een ijdel voorwendsel zijn. Wij kunnen lippendienst aan gelijke erkenning bewijzen, maar we zullen niet werkelijk een begrip van gelijkheid delen tenzij wij iets meer delen. Verschil erkennen vereist, evenals zelfkeuze, een betekenishorizon in dit geval een gedeelde.

Dit bewijst niet dat wij moeten behoren tot een gemeenschappelijke politieke samenleving; anders zouden we vreemdelingen niet kunnen erkennen. En het bewijst op zich niet dat wij de politieke samenleving waarin wij ons bevinden serieus moeten nemen. Er is nog meer in te vullen. Maar we kunnen wel al zien hoe de redenering zou kunnen verlopen: hoe belangrijk het wordt datgene te ontwikkelen en te verzorgen wat er aan gemeenschappelij­ke waarderi tussen ons bestaat; en een van de wezenlijke manieren waarop wij dit doen is door deel te nemen aan een gemeenschappelijk politiek leven. De eisen van de erkenning van verschil zelf voeren ons voorbij louter procedurele rechtvaardigheid.

2. En onze relaties? Kunnen wij die opvatten als instrumenten voor onze verwerkelijking, en zodoende als wezenlijk tentatief? Hier is het antwoord gemakkelijker. Ongetwijfeld niet, als zij ook onze identiteit gaan vormen. Als de intensieve relaties van zelfontdekking identiteitsvormend zijn, kunnen zij in principe niet tentatief zijn ‑ook al kunnen zij helaas feitelijk stukbreken ‑ en zij kunnen niet louter instrumenteel zijn. Identiteiten veranderen inderdaad, maar wij vormen ze als de identiteit van een persoon die een geheel leven al ten dele heeft geleefd en dit nog zal voltooien. Ik definieer geen identiteit voor 'ik in 1991', maar probeer eerder inhoud aan mijn leven te geven zoals het is geweest en zoals ik het naar de toekomst projecteer op basis van wat het is geweest. Mijn identiteits‑definiërende relaties kunnen, in principe en van tevoren, niet worden opgevat als overbodig en bestemd voor substitutie. Als mijn zelfonderzoek de vorm aan­neemt van dergelijke seriële en in principe temporele relaties, dan onderzoek ik niet mijn identiteit maar een of andere vorm van vermaak.

In het licht van het ideaal van authenticiteit, lijkt het erop dat het hebben van louter instrumentele relaties een manier van handelen is waarbij men zichzelf belachelijk maakt. De opvatting dat men op deze manier voldoening kan vinden lijkt een illusie, ongeveer op dezelfde manier als de gedachte dat men zichzelf kan kiezen zonder dat men een betekenishorizon buiten die keuze erkent.

In elk geval is dat het wat deze tamelijk schetsmatige redenering suggereert. Ik beweer niet dat ik hier tot vaste conclusies ben gekomen, maar ik hoop enigszins de suggestie te hebben gewekt dat het bereik van rationele argumenten veel groter is dan men vaak veronderstelt, en dat dit onderzoek naar de bronnen van de identiteit daarom enige zin heeft.