Mill: vrijheid

Tekst van Mill zelf


Over Vrijheid

Joh Stuart Mill

Amsterdam 2002(5) Boom (oorspr uit 1859)

p.114-116

Laten zij inzien dat zij des te meer behoefte hebben aan ori­ginaliteit, hoe minder zij zich van dit gemis bewust zijn.

Maar om eerlijk te zijn, wat voor eerbied men ook zegt te heb­ben of zelfs toont voor werkelijke of vermeende geestelijke supe­rioriteit, in de wereld leidt alles ertoe dat de middelmatigheid de heersende macht onder de mensen wordt. Tegenwoordig gaat het individu verloren in de menigte. Het is langzamerhand een politieke ge­meenplaats om te zeggen dat de publieke opinie nu de wereld re­geert. De enige macht die die naam verdient is de macht van de massa, en van de regeringen die zichzelf tot instrument van de neigingen en ingevingen van de massa maken. In de morele en maatschappelijke verhoudingen van het persoonlijk leven geldt dit evengoed als in de politiek.Een nog nieuwer ver­schijnsel is het dat de massa haar opvattingen niet langer ont­leent aan hoogwaardigheidsbekleders in kerk of staat, aan duide­lijk herkenbare leiders, of aan boeken. Er wordt nu voor hen ge­dacht door mensen net als zijzelf, die hen toespreken of namens hen spreken, zoals het op dat moment uitkomt, in de kranten. Ik klaag hier niet over. Ik wil niet beweren dat er, in het algemeen gesproken, bij de tegenwoordige lage staat van het menselijk den­ken iets beters mogelijk is. Maar dit betekent niet dat de regering van de middelmatigheid daarom niet een middelmatige regering is. Het begin van alle wijsheid of verheffing komt en moet van indi­viduen komen; meestal eerst van één individu. Ik houd hier geen pleidooi voor dat soort `heldenverering dat het toe­juicht als een sterke, geniale man zich met geweld van het bestuur over de wereld meester maakt en deze tegen haar zin dwingt om zijn wil te doen. Het enige waarop hij recht heeft, is de vrijheid om de weg te wijzen. De macht om anderen te dwingen is niet alleen onverenigbaar met de vrijheid en ontplooiing van alle an­deren, maar leidt de sterke man zelf tot verderf. Zodra de opvat­tingen van de massa of van niet meer dan gemiddelde mensen overal de heersende macht zijn geworden of dreigen te worden, kan het echter een tegenwicht en een middel tot herstel zijn, als de individualiteit van de mensen die op een hoger niveau van denken staan, sterker de nadruk zou krijgen. Juist in deze om­standigheden moeten uitzonderlijke personen niet afgeschrikt, maar aangemoedigd worden om anders te handelen dan de massa. Tegenwoordig is alleen al het voorbeeld van non-conformisme, alleen al de wei­gering om zich te buigen voor al het gangbare, een verdienste. Juist omdat de tirannie van de publieke opinie van excentriciteit een verwijt maakt, is het nodig dat mensen excentriek zijn, om deze tirannie te doorbreken. Excentriciteit is altijd rijkelijk aan­wezig geweest in tijden en op plaatsen waarin sterke karakters ruim vertegenwoordigd waren; en de mate van excentriciteit in een samenleving is in het algemeen evenredig geweest aan de mate van genialiteit, geestkracht en morele moed die deze samenleving bezat. Dat nu maar zo weinig mensen excentriek dur­ven zijn, tekent het grootste gevaar voor onze tijd.

Ik heb gezegd dat het belangrijk is om ongebruikelijke zaken zoveel mogelijk ruimte te geven, zodat het op den duur duidelijk kan worden welke hiervan geschikt zijn om een gewoonte te wor­den. Maar onafhankelijkheid van optreden en gebrek aan ontzag voor het gangbare dienen niet alleen aangemoedigd te worden vanwege de kans dat er betere gebruiken en gewoonten ontstaan, die het meer waard zijn dat zij algemeen worden overgenomen. Er is geen reden waarom elk menselijk bestaan gevormd zou worden naar één of een klein aantal patronen. Zodra iemand beschikt over een enigszins dragelijke hoeveelheid gezond verstand en ervaring, is de manier waarop hij zelf zijn leven inricht de beste, niet omdat dit op zichzelf beschouwd de beste manier zou zijn, maar omdat het zijn eigen manier is. Men­sen zijn geen schapen; en zelfs schapen zijn niet volkomen iden­tiek aan elkaar. Niemand kan een jas of een paar laarzen krijgen die hem passen, als hij ze niet voor hem op maat laat maken, of als hij niet een heel magazijn heeft om uit te kiezen; en is het makkelijker om iemand een leven aan te passen dan een jas, of lijken mensen in hun hele lichamelijke en geestelijke gedaante méér op elkaar dan in de vorm van hun voeten? Zelfs als mensen alleen maar een verschillende smaak hadden, zou dat reden ge­noeg zijn om niet te proberen hen allen naar hetzelfde model te vormen. Maar verschillende mensen hebben ook verschillende omstandigheden nodig voor hun geestelijke ontwikkeling; zij kunnen evenmin gezond blijven in hetzelfde morele klimaat, als alle planten in hetzelfde natuurlijke klimaat. Wat de een helpt zijn hogere aanleg te ontwikkelen, staat de ander daarbij in de weg. Dezelfde levenswijze is voor de één een gezonde prikkel, die al zijn vermogens tot handelen en genieten in goede staat houdt, en voor de ander een ondraaglijke last, die elk innerlijk leven uit­schakelt of vernietigt. Zoveel verschillen bestaan er tussen mensen in de bronnen van hun genoegens, hun ontvankelijkheid voor pijn, en de uitwerking op hen van verschillende morele en fysieke krachten, dat zij noch hun redelijk deel van het geluk krij­gen, noch opgroeien tot het geestelijke, morele en esthetische ni­veau waartoe hun aanleg ze in staat stelt, als er geen overeen­komstige verschillen bestaan in hun manier van leven.

………………………

p.105-108

Wie de wereld, of tenminste zijn directe omgeving, zijn le­vensloop voor hem laat kiezen, heeft geen ander vermogen nodig dan imitatie, net als een aap. Iemand die zijn eigen levensplan op­stelt, gebruikt al zijn vermogens. Hij moet zijn waarneming ge­bruiken om op te merken, zijn verstandelijk oordeel om vooruit te zien, zijn inspanning om gegevens voor een besluit te verza­melen, onderscheid om een beslissing te nemen, en standvastig­heid en zelfbeheersing om bij zijn weloverwogen besluit te blij­ven, zodra hij dit genomen heeft. En deze eigenschappen ge­bruikt en oefent hij des te meer, naarmate het deel van zijn gedrag dat hij door zijn eigen gevoel en eigen oordeel laat leiden groter is. Het is mogelijk dat hij zonder deze dingen op de goede weg kan komen, en tegen het kwaad kan worden beschermd. Maar wat zal zijn relatieve waarde als mens zijn? Het gaat er wer­kelijk niet alleen om wat mensen doen, maar ook om wat voor soort mensen het doen. Van alle dingen die de mensen tot stand hebben gebracht, van alle dingen waarvan men de vervolmaking en de verfraaiing terecht als een levenstaak kan zien, is de mens zelf stellig het belangrijkste. Stel dat het mogelijk zou zijn om huizen te laten bouwen, graan te kweken, veldslagen uit te vech­ten, rechtszaken te houden, en zelfs kerken op te richten en gebe­den te laten zeggen door machines - door robots in menselijke gedaante -, dan zou het nog een belangrijk verlies zijn als men voor deze robots zelfs maar de mensen inruilde die momenteel de meer beschaafde delen van de wereld bewonen, en die stellig maar een pover voorbeeld zijn van wat de natuur kan en zal voortbrengen. De menselijke natuur is geen machine die men naar een model kan bouwen en precies dat werk kan laten doen waarvoor hij gemaakt is, maar een boom, die naar alle kanten moet kunnen uitgroeien en zich moet kunnen uitbreiden, in overeenstemming met de innerlijke krachten die er een levend ding van maken.

Men zal mij wel toegeven dat het wenselijk is dat mensen hun verstand oefenen, en dat het naleven van een gewoonte die men begrepen heeft, of af en toe zelfs een verstandige afwijking van de gewoonte, beter is dan een blind en louter mechanisch navol­gen daarvan. Tot op zekere hoogte erkent men dat ons verstand aan onszelf toebehoort; maar er bestaat niet dezelfde bereidheid om te erkennen dat onze begeerten en impulsen eveneens ons eigen bezit zijn; of dat het bezit van enigszins krachtige eigen hartstochten iets anders is dan een nadeel en een groot risico. Toch horen begeerten en hartstochten evenzeer bij een volmaakt mens als een geloofsovertuiging en zelfbeheersing; en sterke im­pulsen zijn alleen gevaarlijk wanneer zij niet voldoende tegen­wicht hebben; wanneer één reeks verlangens en neigingen krach­tig ontwikkeld is, terwijl andere, die daarmee gepaard zouden moeten gaan, zwak en werkeloos blijven. Mensen handelen niet verkeerd omdat hun begeerten sterk zijn, maar omdat hun ge­weten zwak is. Er bestaat geen natuurlijke samenhang tussen krachtige impulsen en een zwak geweten. Het natuurlijk verband is juist het omgekeerde. Als men zegt dat iemands begeerten en gevoelens sterker en meer afwisselend zijn dan die van een ander, zegt men niets anders dan dat hij door de natuur rijkelijker be­deeld is, en daarom misschien tot meer kwaad, maar zeker tot meer goeds in staat is. Sterke impulsen zijn slechts een andere naam voor energie. Energie kan voor slechte doeleinden gebruikt worden; maar van een energieke natuur kan men altijd meer goeds maken dan van iemand die traag en onverschillig is. Van de mensen met het meeste natuurlijke gevoel, kan het beschaafde gevoelsleven ook altijd het sterkst gemaakt worden. Dezelfde sterke ontvankelijkheid die de persoonlijke aandriften levendig en krachtig maakt, is de bron waaruit de meest hartstochtelijke liefde tot de waarheid, en de strengste zelfbeheersing kunnen worden geput. Door deze impulsen te ontwikkelen doet de sa­menleving haar plicht en beschermt zij haar belangen; niet door het materiaal waaruit helden worden gemaakt weg te werpen, omdat zij niet weet hoe zij ze moet maken. Van iemand wiens verlangens en hartstochten uit hemzelf komen - uitdrukking zijn van zijn eigen natuur, ontwikkeld en gevormd door zijn eigen be­schaving-zegt men dat hij karakter heeft. Iemand wiens begeer­ten en impulsen niet uit hemzelf komen, heeft even weinig ka­rakter als een stoommachine.

Als iemands impulsen niet alleen uit hemzelf komen, maar ook nog krachtig zijn en door een sterke wil beheerst worden, heeft hij een energiek karakter. Wie vindt dat men individuele begeerten en aandriften niet in hun ontwikkeling moet stimule­ren, moet ervan overtuigd zijn dat de maatschappij geen be­hoefte heeft aan sterke naturen, er niet beter op wordt als zij tal van mensen omvat met veel karakter, en dat een hoog algemeen energiegemiddelde niet wenselijk is.

Tegenwoordig leeft iedereen, van de hoogste tot de laagste klasse in de maatschappij, alsof hij voortdurend bloot­staat aan vijandige en geduchte kritiek. Niet alleen bij zaken die anderen aangaan, maar ook bij zuiver persoonlijke aangelegen­heden, vraagt het individu of het gezin zich niet af - wat heb ik het liefst? Of, wat zou bij mijn karakter en aanleg passen? Of, wat zou het beste en hoogste in m) i' naar voren brengen en het in staat stellen te groeien en te bloeien? Zij vragen zichzelf daaren­tegen, wat past bij mijn positie? Wat doen mensen van mijn stand en financiële omstandigheden gewoonlijk? Of, nog erger, wat doen mensen die in stand en rijkdom boven mij staan meestal? Ik bedoel niet dat zij de voorkeur geven aan het meest gangbare, boven het volgen van hun eigen neiging. Het komt zelfs niet bij hen op om enige neiging te hebben behalve voor wat gangbaar is. Zo buigt de geest zelf onder het juk; zelfs als mensen iets voor hun plezier doen, is conformisme het eerste waar zij aan denken; zij houden alleen van dingen bij massa's tegelijk; zij doen alleen een keuze uit de dingen die iedereen doet; een bijzondere smaak, een eigenaardig gedrag, worden gemeden als misdaden; net zo lang tot zij, door nooit hun eigen natuur te volgen, geen natuur meer hebben om te volgen; hun menselijke gevoelens zijn ver­welkt en verdord; zij zijn niet langer in staat sterke verlangens te koesteren of een natuurlijk genoegen te voelen, en zij hebben meestal geen opvattingen of gevoelens die zij zelf bedacht heb­ben, of die werkelijk de hunne zijn. Is dit de toestand van de menselijke natuur die wij ons wensen, of niet?

45-49

Het doel van deze verhandeling is het vaststellen van een enkel zeer eenvoudig principe, dat het ingrijpen van de samenleving in de vorm van dwang en toezicht, of het nu gaat om fysieke kracht in de vorm van bij de wet gegeven straffen of om de morele druk van de publieke opinie, zonder uitzondering kan regelen. Dit principe is dat het enige oogmerk dat de mensheid het recht geeft om individueel of collectief in te grijpen in de vrijheid van han­delen van een van hen, hun eigen bescherming is; en dat de enige reden waarom men rechtmatig macht kan uitoefenen over enig lid van een beschaafde samenleving, tegen zijn zin, de zorg is dat anderen geen schade wordt toegebracht. Iemands eigen welzijn, hetzij fysiek, hetzij moreel, is geen voldoende rechtsgrond. Men kan iemand niet met recht dwingen om iets te doen of te laten, omdat het beter voor hem zou zijn als hij dat deed, omdat het hem gelukkiger zou maken, of omdat anderen het wijs of zelfs rechtvaardig zouden vinden als hij dat deed. Dit zijn goede rede­nen om iemand raad te geven, of met hem te redetwisten, of te proberen hem over te halen, of hem te smeken, maar niet om hem tot iets te dwingen of om hem te benadelen als hij iets an­ders doet. Om dat te rechtvaardigen moet het gedrag waarvan men hem wil weerhouden, anderen schade toebrengen. Iemand is de maatschappij slechts verantwoording schuldig voor zover zijn gedrag anderen aangaat. Waar hij slechts met zichzelf te maken heeft is hij, met alle recht, volmaakt onafhankelijk. Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is het individu soeve­rein.'

Het is misschien nauwelijks nodig dat ik zeg dat deze stelling alleen bedoeld is om toe te passen op mensen in de rijpheid van hun geestvermogens. We hebben het niet over kinderen, of over jongelui onder de leeftijd die de wet aangeeft als de volwassen­heid. Mensen die nog niet buiten de zorg van anderen kunnen, moeten evenzeer tegen hun eigen handelingen beschermd wor­den als tegen leed van buitenaf. Om dezelfde reden kunnen we die achtergebleven samenlevingsvormen buiten beschouwing la­ten, waarin het volk zelf nog als onmondig kan gelden.

Ik moet hier opmerken dat ik geen gebruik wil maken van de voordelen die ik bij mijn betoog zou kunnen ontlenen aan het idee van een abstract recht, als iets dat losstaat van het nut. Ik be­schouw het nut als de uiteindelijke toetssteen van alle ethische problemen; maar het moet een nut zijn in de ruimste zin, geba­seerd op de duurzame belangen van de mens als progressief wezen. Ik zou willen stellen dat deze belangen alleen dan recht­vaardigen dat de spontaniteit van het individu aan toezicht van buiten wordt onderworpen, als het gaat om handelingen die het belang van anderen raken. Als iemand iets doet dat anderen schaadt, is er een onmiddellijke reden gegeven om hem te straf­fen, door de wet, of, wanneer de bij de wet vastgestelde straffen niet veilig toepasbaar zijn, door algemene afkeuring. Er zijn ook talrijke positieve daden waartoe iemand met recht gedwongen kan worden: zoals het afleggen van een getuigenis voor een recht­bank; het nemen van een redelijk aandeel in de algemene verde­diging of in een ander gemeenschappelijk werk dat nodig is voor het belang van de gemeenschap waarvan hij de bescherming ge­niet; en het verrichten van bepaalde individuele weldaden, zoals het redden van het leven van een medemens of het ingrijpen om hulpelozen tegen mishandeling te beschermen. Deze dingen kunnen iemand met recht door de maatschappij worden aange­rekend zodra hij ze nalaat, telkens wanneer het zijn onmisken­bare plicht is om ze te doen. Niet alleen door zijn handelingen, maar ook door zijn nalatigheid kan iemand een ander leed doen, en in elk van beide gevallen draagt hij met recht de verantwoor­delijkheid. Toch vereist het laatste geval een veel voorzichtiger ge­bruik van dwang dan het eerste. Het is regel dat iemand aan­sprakelijk wordt gesteld als hij anderen kwaad doet; hem aan­sprakelijk stellen voor het niet verhinderen van kwaad is, relatief gesproken, de uitzondering. Er zijn echter veel gevallen die dui­delijk en ernstig genoeg zijn om deze uitzondering nodig te ma­ken. Bij alle dingen die te maken hebben met de betrekkingen van het individu tot anderen, is deze de jure verantwoording schuldig aan de mensen wier belangen op het spel staan, en zo nodig aan de samenleving als hun beschermster. Er zijn dikwijls goede redenen om iemand niet aan deze verantwoordelijkheid te houden, maar deze redenen moeten voortkomen uit de speciale omstandigheden: hetzij omdat het geval van dien aard is dat hij in het algemeen waarschijnlijk beter zal handelen wanneer hij aan zijn eigen inzicht wordt overgelaten, dan wanneer de samen­leving op een van de gebruikelijke manieren op hem toeziet; het­zij omdat de poging om toezicht uit te oefenen ernstiger gevol­gen zou hebben dan de dingen die men daarmee tracht te voor­komen. Wanneer redenen als deze het onmogelijk maken om iemand ter verantwoording te roepen, zou het geweten van de handelende persoon zelf op de lege rechterstoel plaats moeten nemen en de belangen moeten beschermen van de mensen die geen bescherming van buitenaf genieten; en hij zou zichzelf des te strenger moeten beoordelen, omdat de zaak niet toelaat dat hij door het oordeel van zijn medemensen terecht wordt gewezen.

Maar er bestaat een handelingssfeer waarbij de maatschappij, als onderscheiden van het individu, niet of slechts indirect be­trokken is; deze omvat het geheel van iemands leven en gedrag voor zover dit alleen hemzelf aangaat, of als het ook anderen aan­gaat, alleen met hun vrijwillige en eerlijk verworven instemming en medewerking. Ik bedoel dingen die iemand in direct opzicht en in eerste instantie alleen zelf aangaan; want alles wat iemand zelf raakt, kan via hem natuurlijk anderen treffen. Verderop zal ik aandacht besteden aan de bezwaren die op grond van deze over­weging gemaakt kunnen worden. Dit nu is het onvervreemdbaar terrein van de menselijke vrijheid. Het omvat ten eerste de wereld van het innerlijk bewustzijn: het vereist vrijheid van geweten, in de ruimste zin; vrijheid van denken en voelen; volstrekte vrijheid van opvattingen en gezindheid over alle onderwerpen, praktisch of speculatief, wetenschappelijk, moreel of theologisch. De vrij­heid om opvattingen kenbaar te maken en te publiceren lijkt onder een ander beginsel te vallen, omdat het hoort tot het deel van iemands gedrag dat anderen aangaat; maar omdat het van bijna even groot belang is als de vrijheid van denken zelf, en gro­tendeels op dezelfde gronden berust, is het er in de praktijk niet van los te maken. Ten tweede vereist dit beginsel dat wij vrij zijn om onze bezigheden te kiezen; om ons te gedragen zoals wij wil­len, met alle gevolgen van dien, zonder hinder van onze mede­mensen, zolang wij hen niet schaden, ook al vinden zij ons ge­drag dwaas, verkeerd of verdorven. Uit deze vrijheid van het in­dividu volgt, binnen dezelfde grenzen, als derde de vrijheid van vergadering; de vrijheid om bijeen te komen met elk doel dat an­deren niet schaadt; aangenomen dat de mensen die bijeenkomen volwassen zijn, en niet daartoe gedwongen of misleid worden.

Geen samenleving is vrij waarin deze vrijheden niet in grote trekken worden geëerbiedigd, wat voor regeringsvorm zij ook heeft; en geen enkele is volkomen vrij, als deze vrijheden daar niet volstrekt en onvoorwaardelijk van kracht zijn. De enige vrij­heid die deze naam verdient, is die om ons eigen welzijn op onze eigen manier na te streven, zo lang wij niet trachten anderen het hunne te ontnemen, of hun pogingen om dit te bereiken in de weg staan. Iedereen is waker over zijn eigen heil, lichamelijk en geestelijk. De mensheid wint er meer bij, wanneer zij ieder laat leven zoals het hemzelf goeddunkt dan wanneer zij iedereen dwingt om te leven zoals anderen dat goed vinden.

Ofschoon deze stelling allesbehalve nieuw is en voor sommi­gen een gemeenplaats kan lijken, is er geen stelling die meer di­rect tegenover de algemeen heersende opvattingen en praktijk staat. De samenleving heeft evenveel moeite gedaan om de men­sen (naar haar inzichten) te dwingen zich aan te passen aan haar idee van individuele volmaaktheid, als aan haar idee van maat­schappelijke volmaaktheid.