Individualisering en sociale integratie,


INDIVIDUALISERING, ZELFBEHEERSING EN SOCIALE INTEGRATIE

Jaap van der Stel

Dit artikel verscheen eerder in: Individualisering en sociale integratie, Paul Schnabel (red), SUN, Nijmegen 1999. Hierin bijdragen van: Paul Schnabel, Carlo van Praag, Christien Brinkgreve, Erik Snel & Godfried Engbersen, Romke van der Veen, Jet Bussemaker en Jaap van der Stel.

INLEIDING EN PROBLEEMVERKENNING

De bespreking van sociologische thema’s is niet waardevrij. De discussies raken de belangen van groepen mensen en de morele en politieke context bepaalt welke waardering aan een bepaalde opvatting ‘hoort’ te worden gegeven. Soms leidt dit ertoe dat bepaalde onderwerpen in hun geheel worden onderworpen aan een goedkeurende of afkeurende blik. Zo was in de jaren zeventig ‘het gezin’ zeer beslist een rechts onderwerp, waarover ‘kritische’ auteurs beter konden zwijgen. Het thema ‘sociale integratie’ is lange tijd door vooruitstrevende auteurs met een schuin oog aangekeken, want was dit geen eufemisme voor ‘aanpassing’ en dus fout? Zo is het ook met het onderwerp ‘zelfbeheersing’ gelopen.

Eind 1998 laat minister Roger van Boxtel (D66, Grote steden - en Integratiebeleid) in NRC Handelsblad weten dat ‘ons land verslonst’. Burgers moeten opnieuw leren om de democratische normen te ‘verinnerlijken’, - ‘hoe gedraag je jezelf, wat mag wel, wat mag niet. Wij doen hier te weinig aan in Nederland’. Dit alles is bedoeld om ‘een proces van geestelijke verloedering’ een halt toe te roepen en om ‘burgerschap’ te bevorderen. De minister geeft toe dat zijn noodkreten mede bedoeld zijn om meer geld los te peuteren voor zijn beleidsplan. Maar deze uitspraken typeren ook de teneur waarin actueel maatschappelijke problemen bediscussieerd worden: de repressie van ongewenst gedrag moet vooraf gegaan worden door preventieve maatregelen die het normbesef opvijzelen. De minister laat in het interview weten zich goed te realiseren dat hij - volgens hem ten onrechte - van ‘fatsoensrakkerij’ zal worden beticht (NRC Handelsblad 29-12-1998).

Het is met name Norbert Elias (1897-1990) geweest, die de linkse, sociologische elite een minder bevooroordeelde kijk heeft bijgebracht op de betekenis en het belang van zelfbeheersing - de controle over primaire behoeften en emoties - en sociale integratie, door hem gezien als steeds langer wordende ketens van afhankelijkheid van het individu.

Het thema ‘individualisering’ had in de jaren zeventig en tachtig nog een geur van emancipatie en werd daarom door bepaalde schrijvers opgewaardeerd als iets links. Sinds de jaren negentig is de eenzijdige, positieve benadering van het verschijnsel individualisering naar de achtergrond is verdrongen. De aandacht is nu gericht op de al dan niet vermeende negatieve sociale gevolgen daarvan, in het bijzonder het risico van het verlies van sociale cohesie. De volgende vragen worden veel gesteld: staat individualisering niet haaks op de bereidheid zichzelf te integreren in sociale netwerken? Bewegen mensen zich collectief naar een toestand waarin zij steeds meer ‘individu’ en steeds minder ‘sociaal’ zijn? Is de ‘maatschappelijkheid’ van de menselijke natuur dan toch slechts een ideologie en is de mens er altijd op uit geweest zich als een individuele nomade te kunnen gedragen (zie: Van de Braak 1995)? In zo’n manier van vragen is de richting waarin het antwoord gezocht moet worden al redelijk vastgelegd. Individualisering is zo al bij voorbaat van haar emancipatoire engelengezicht ontdaan.

Ondermijnt individualisering de sociale integratie?

Het begrip individualisering vat ik in dit essay op als een algemene, waardevrije aanduiding van een sociologisch fenomeen. Ik wil het ook uitdrukkelijk onderscheiden van verbijzonderingen of eenzijdigheden zoals egocentrisme, hedonisme, narcisme, en asociaal- of grensoverschrijdend gedrag. Individualisering is volgens mij een algemeen cultuurhistorisch en individueel-biografisch verschijnsel dat in de praktijk onomkeerbaar is. De verbijzonderingen duiden op een eenzijdige, gestoorde ontwikkeling van het individu. Een ‘waardevrije’ benadering houdt overigens niet in dat eventuele uitspraken over een ‘te ver doorgeschoten’ individualisering ook meteen betekenisloos zijn. De gewraakte toestand duidt op een gebrek aan zelfbeheersing of zelfbewustzijn ten opzichte van de eis die de sociale omgeving stelt. Het wijst ook op een gebrek aan reflectie op de sociale consequenties van het eigen gedrag.

Het is volgens mij onjuist individualisering tegenover sociale integratie te plaatsen alsof deze processen elkaar zouden uitsluiten. Als dat het geval zou zijn, zou op termijn het einde van de maatschappij - het sociaal samenleven - zijn aangekondigd. Niets wijst er tenslotte op dat de individualisering te stoppen is. Naar mijn mening zijn er echter geen aanwijzingen dat over de gehele linie bekeken het proces van verdergaande sociale integratie op zijn retour is. Wat anders is natuurlijk of beide processen met elkaar in de pas lopen en/of hier sprake is van lineaire, harmonische ontwikkelingen. Volgens mij is het vruchtbaar de individualisering te onderzoeken als een mogelijke bijdrage aan de oplossing van nieuwe maatschappelijke vereisten. Individualisering bevordert waarschijnlijk eerder de participatie in moderne netwerken (waar men zich heel flexibel en dynamisch moet kunnen gedragen) dan dat ze dat in de weg staat.

Willen we iets zinnigs kunnen zeggen over individuen dan moeten we hen altijd beschouwen vanuit het perspectief van een hogere schaaleenheid, dat wil zeggen sociale verbanden. Het sociale geeft de marges aan waarbinnen de individuen zich ten opzichte van elkaar kunnen ontwikkelen en onderscheiden. Het sociale schept ook de voorwaarden om zich überhaupt als individu te kunnen ontwikkelen. De ontwikkeling van de individualiteit is naar vorm en inhoud, voor zover het de sociale en psychische kenmerken daarvan betreft, in hoge mate bepaald door de ontwikkeling van de sociale en culturele verbanden waarin het individu leeft en werkt. Als heuristisch principe geldt dus dat het sociale aan het individuele vooraf gaat. Individualisering is zo beschouwd een functie van maatschappelijke ontwikkeling en van een specifieke wijze van sociale integratie.

De angst voor regressie - de roep om sociale vernieuwing

Politici en opinieleiders maken zich er zorgen over dat de kansen op eenzaamheid, onmaatschappelijk gedrag en onzekerheid of stress door individualisering toenemen. Ze vergeten daarbij maar al te vaak dat individualisering evengoed een voorwaarde is om dit soort risico’s te kunnen beheersen. De voortschrijdende individualisering kent beslist de afbrokkeling van de traditionele vormen van solidariteit als negatief gevolg. Hierdoor komen ‘restgroepen’ - groepen mensen die door wat voor omstandigheden dan ook niet kunnen (of willen) voldoen aan de vereisten van de moderne tijd - met hun rug tegen de muur te staan. Ze voldoen niet aan de nieuwe vereisten van zelfbeheersing en zelfsturing die de maatschappij van hen verlangt. Hun als negatief te waarderen gedrag, zoals agressie en geweld, kunnen we in dit verband interpreteren als de ‘concrete negatie’ van de toenemende eis tot zelfbeheersing.

Wijst het toenemende geweld op straat - zo daar werkelijk sprake van is - niet op het failliet van de civilisatietheorie van Norbert Elias (Elias 1990)? Zo’n vraag is gauw gesteld maar moeilijker te beantwoorden. Elias, als zoveel andere grote historisch georiënteerde sociologen, heeft geen theorie ontwikkeld die met behulp van actueel-empirische gegevens kan worden onderbouwd of weerlegd. Zijn benadering heeft vooral betrekking op ontwikkelingslijnen die zich over langere of zeer lange tijdsperioden uitstrekken. Op zichzelf beschouwd zijn toenemende agressie en geweld geen feiten die zijn these over de toename van de zelfdwang ondermijnen. Ze zijn evengoed te interpreteren als de ‘onbeholpen’ reacties van een (groeiende?) minderheid die niet in staat is te voldoen aan hogere eisen tot zelfbeheersing. De psychische belasting door de telkens opgeschroefde eisen tot zelfbeheersing (aanpassing) en de individualisering van de overlevingsstrijd, waardoor de sociale steun onder druk komt te staan, veroorzaken in meer of mindere mate stress. Agressie en geweld zijn in een sociaal-historisch perspectief te zien als regressieverschijnselen waarbij de betrokkenen de aansluiting met de ‘civilisatie’ dreigen te verliezen en terugvallen op ‘primitieve’ stressreactiepatronen.

Door de klaarblijkelijke of als zodanig beleefde ‘spanningsverhouding’ tussen individualisering en sociale integratie staat sociale innovatie (in welke vorm dan ook) hoog op de agenda van de moderne samenleving. Dit hoeft niet - eenzijdig - tot doel te hebben om de sociale integratie te ‘verdedigen’ tegenover de individualisering en al haar uitwassen. De individualisering haalt de sociale integratie als zodanig niet bij voorbaat onderuit. Individualisering is evenzeer een voorwaarde voor sociale integratie. Zelfbewuste individuen zullen zich, denk ik, wel degelijk willen integreren in complexe sociale netwerken, omdat dat nu eenmaal in hun eigen belang is. Individualisering is juist nodig omdat er de basis en de bereidheid moet zijn om zich in een veelvoud van uiteenlopende netwerken te integreren, in bovendien telkens wisselende rollen en functies. Voor een dergelijke opgave is de term ‘sociale cohesie’ een achterhaald antwoord: het suggereert een samenleving die zich kenmerkt door de mate waarin (gelijkvormige) individuen wel of niet ‘dicht’ op elkaar zitten zonder escalaties en conflicten. De term sociale cohesie suggereert samenvoeging, terwijl de maatschappelijke ontwikkeling het nu juist heeft moeten hebben van de differentiatie van oorspronkelijk symbiotische verhoudingen.

De maatschappelijke bezorgdheid over de loyaliteit van de individuen ten opzichte van de maatschappelijke verbanden waarvan zij objectief gezien deel uitmaken, bestaat al heel lang. Het werd manifest waar er sprake was van een bedreiging van de beoogde orde, zoals die in de staat, de kerk of een arbeidsorganisatie. Mensen passen zich niet als vanzelfsprekend aan aan de verhoudingen die de machthebbers het beste uitkomt. Dat blijkt vooral tijdens snelle en ingrijpende veranderingen, zoals we die bijvoorbeeld in de negentiende eeuw hebben meegemaakt.

Even oud als de uitgesproken bezorgdheid zelf zijn de initiatieven om op maatschappelijke ‘wantoestanden’ of ‘achterstanden’ invloed uit te oefenen. In de hiernavolgende paragraaf plaats ik de roep om sociale interventies in een historisch perspectief. Tegen die achtergrond bespreek ik vervolgens enkele actuele ontwikkelingen en problemen in relatie tot individualisering. Tot slot bediscussieer ik in de laatste paragraaf het verband tussen individualisering, sociale integratie en zelfbeheersing tegen de achtergrond van enkele concepten uit de chaostheorie en de civilisatietheorie van Norbert Elias.

I. SOCIALE INTERVENTIE IN EEN SAMENLEVING VAN VRIJE BURGERS

Het tegenover elkaar plaatsen van individualisering en sociale integratie gaat ver terug in de tijd. Vele eeuwen lang hebben mensen er over nagedacht hoe de samenleving geordend moest zijn en in welke mate individuen bepaalde vrijheden mochten hebben. Hoewel de meeste sociale structuren niet op grond van een bewust plan tot stand zijn gekomen, is het zonneklaar dat mensen aan de vorming en verdere profilering ervan bewust hebben gewerkt. En al heel vroeg hebben mensen voorzieningen getroffen om de gevestigde en geaccepteerde patronen te doen continueren. Zo zijn er steeds sancties verbonden geweest aan vormen van grensoverschrijdend gedrag.

Kenmerkend voor het beschavingsproces is de ontwikkeling naar steeds meer gedifferentieerde, gespecialiseerde sociale verbanden. Deze zijn er onder andere op gericht ‘het sociale’ bijeen te houden en waar nodig interventies te plegen. Ook in de voor-moderne tijd waren sociale interventies, gericht op sociale integratie, doordacht en in zekere zin planmatig. De problematisering van afwijkend menselijk gedrag, het zoeken naar middelen om mensen ‘bij de les’ te houden, zichzelf te laten beheersen of hen via ingenieuze dwangmaatregelen daartoe te brengen, gaat ver terug in de tijd. Dat de sociale en culturele integratie toen plaats vond binnen de vormen van religie en magie doet daar niets aan af. Het mag zo zijn dat men ‘dacht’ dat de goden de wereld gemaakt hadden en bestuurden - als zodanig waren de goden geavanceerde artefacten. Hun god-vorm hadden zij slechts te danken aan het feit dat in het menselijk bewustzijn de natuur een nog allesomvattend en nauwelijks te beheersen verschijnsel was. Men kon zich eenvoudig niet voorstellen dat de goden echt door de mensen geschapen waren

.Modernisering van de samenleving

Pas in de moderne tijd, vanaf de opkomst van de burgerlijke maatschappij en de daaraan verbonden Verlichting, heeft men de ‘sociale kwestie’ pas echt als een ‘vraagstuk’ gethematiseerd. In het verlengde daarvan is gezocht naar sociale interventie-methoden. Aan het einde van de achttiende eeuw ontstaat een sociale wetenschap die zich erop toelegt inzicht te krijgen in de sociale werkelijkheid. Niet alleen om deze op een encyclopedische manier in de greep te krijgen maar vooral ook om deze kennis weer toe te kunnen passen. De kenbaarheid en de maakbaarheid gingen hand in hand. Dit positivistische programma loopt nog steeds door. In weerwil van de pessimistische visie die hierover in de jaren tachtig en negentig is ontwikkeld, gaan we onverstoorbaar door met het verwerven van een steeds diepgaander inzicht in het menselijk samenleven. Het doel blijft de werkelijkheid effectiever naar onze hand te zetten.

De burgerlijke samenleving impliceerde de afschaffing van het gildenstelsel, de opkomst van de vrijhandel èn de schepping van de ideële en juridische voorwaarden voor de industriële productiewijze. In de maatschappij van burgers, die historisch gezien in het westen samenvalt met de opkomst van het industrieel kapitalisme, staat elk individu in theorie als een vreemde tegenover de ander. Het sociale is in deze context principieel gebaseerd op een ontmoeting van vreemden die met elkaar onderhandelen en contracten sluiten. Zo beschouwd is sociale integratie slechts een mogelijkheid en geen vanzelfsprekendheid. Het is - onder burgerlijke verhoudingen - een project van de mensen zelf.

De industriële revolutie bracht nieuwe technologieën, urbanisatie, arbeidsdeling én scheiding van productie en consumptie met zich mee. Gekoppeld aan de vermeerderde kennisbehoefte over de sociale werkelijkheid, nam in de loop van de achttiende en vooral de negentiende eeuw ook het aantal initiatieven van vooral de verlichte burgerij om deze kennis toe te passen exponentieel toe. Het algemene doel daarvan was de normalisering van het gedrag van de lagere bevolkingscategorieën ten opzichte van nieuwe standaards over aangepaste en maatschappelijk geïntegreerde levenswijzen. Zo is gedurende deze eeuw, in een steeds nadrukkelijker offensief dat tot ver in de twintigste eeuw reikte, ‘strijd’ geleverd tegen het gebruik van de sterke drank en voor meer gecontroleerde drinkgewoonten. Deze beweging diende niet alleen het gezondheidsbelang, maar vooral ook het belang van meer discipline op en rond het werk en minder verstoring van de openbare orde (Van der Stel 1995).

De modernisering van de samenleving en de ‘beschavingsarbeid’ was begonnen als een project van de gegoede, liberale of christelijk geïnspireerde burgerij. Gaandeweg drong het tot alle sectoren van de maatschappij door, - het liet geen stand of klasse ongemoeid. De overheid wilde zich overigens lange tijd van dit gewoel distantiëren door uitdrukkelijk geen sociale interventies te plegen, en zelfs geen subsidies daartoe te willen verstrekken aan particuliere instellingen of verenigingen. Maar vanaf het einde van de negentiende eeuw nam ze allengs actief deel aan dit project. De inspiratie hiervoor lag op straat: de industrialisatie, de urbanisatie en de leegloop van het platteland, de relativering van traditionele leefpatronen, het drankmisbruik en de criminaliteit, de teloorgang van traditionele beroepen en de arbeidsdeling, de ellendige toestand van de gezondheid èn de gebrekkige naleving van de zeden waren in vergelijking met de toestand in voorafgaande eeuwen van zo’n andere kwaliteit en omvang dat de maatschappelijke orde op het spel stond. Zonder bewuste herordening van het sociale leven zou het materiële productieproces onherroepelijk zijn vastgelopen.

Wat te doen met ‘restgroepen’?

De industrialisatie ontplooide zich binnen kapitalistische productie- en marktverhoudingen. De arbeider is daarin handelswaar als al het andere. Werkgevers rekenen hem af op grond van zijn potenties een bijdrage te leveren aan de vermeerdering van de winst. Het kapitalisme was (en is) zeer expansief, nietsontziend en heeft eeuwenoude traditionele leefpatronen opengebroken en aangepast aan de nieuwe productiewijze. De vernietiging van – in kapitalistische zin - disfunctionele leefvormen bracht echter nieuwe problemen met zich mee: hoe moest tussen de ‘losstaande’ en in bepaalde opzichten ook ‘losgeslagen’ individuen weer enige samenhang ontstaan? hoe kon men bereiken dat het in veel opzichten losbandige gedrag niet zó ontwrichtend werkte dat daardoor de algemene spelregels en de continuïteit van het maatschappelijk proces in gevaar zouden komen? Dit soort vragen heeft ten grondslag gelegen aan de bewegingen van sociale hervormers om stabiele en aangepaste leefwijzen te bevorderen en nieuwe kaders voor sociale integratie tot stand te brengen.

De kapitalistische productiewijze was effectief in de bestrijding van ‘verroeste’, inerte economische structuren. De burgerlijke maatschappij had mensen bevrijd van het absolutisme, wat hun emancipatie en individuele ontwikkeling sterk bevorderde. Maar tegelijk was er ook een nieuw probleem geschapen: vrije individuen, de bouwstenen van de sociale werkelijkheid, zijn in beginsel ook ‘vrij’ in de keuze van hun levenswijze. Deze vrijheid is evenwel in de praktijk heel betrekkelijk: de keuzevrijheid van het individu is nauw gerelateerd aan de toenemende ingebondenheid in een netwerk van steeds ingewikkelder relaties. Het individu staat het theoretisch vrij om zich maatschappelijk niet te integreren, althans zolang dit anderen niet in hun vrijheid beknot. Echter, zo gauw het individu zich wil ontplooien, zichzelf in stand wil houden en een bijdrage wil leveren aan het maatschappelijk reproductieproces is het zich invoegen in relatief geordende sociale patronen een absolute noodzaak. Het ‘probleem’ van het gebrek aan sociale integratie heeft zo toch vooral betrekking gehad op de ‘onaangepasten’, de ‘randfiguren’, de ‘gestoorden’ en de andere ‘restgroepen’. Degenen die de alternatieve mogelijkheid als een reëel alternatief ‘voorleefden’, moesten aldus te vuur en te zwaard bestreden worden.

Beschavingsoffensieven

Het ‘sociale vraagstuk’, het maakt niet uit hoe dit feitelijk wordt aangeduid, is sinds de vorige eeuw niet meer van de publieke agenda weggeweest. Hetzelfde geldt voor de behoefte te interveniëren waar dat nodig en mogelijk leek. Sindsdien vinden in één of andere vorm steeds weer nieuwe beschavingsoffensieven plaats. De ‘sociale quaestie’ (einde negentiende eeuw) en de ‘sociale vernieuwing’ (einde twintigste eeuw) zijn beide gericht op het vinden van vormen van gemeenschap, in een maatschappij waarin juist het gebrek aan samenhang als het primaire probleem werd gezien. Er bestaat een rechte lijn tussen het werk van ‘t Nut, de negentiende-eeuwse beschavingsoffensieven, het twintigste-eeuwse opbouwwerk en de sociale vernieuwing. Telkens was het doel de bevordering van gemeenschapszin en maatschappelijke integratie waar die steeds minder vanzelfsprekend was. Hoewel men telkens het gezin centraal stelde, was ‘de gemeenschap’ daar niet toe beperkte. De opgave was ook gericht op de vorming van breder samengestelde, imaginaire gemeenschappen. Met de toevoeging ‘imaginair’ wijs ik erop dat in plaats van de fysiek aanwezige dorpsgemeenschap of de bedrijfsgemeenschap de moderne gemeenschappen in toenemende mate slechts in de verbeelding bestaan. Ze worden in stand gehouden door diverse (bijvoorbeeld nationale) symbolen, media en rituele praktijken.

De gemeenschapsvorming lukte (en lukt) in de moderne tijd nog slechts zolang mensen in staat, en daar ook toe bereid zijn, om te participeren in een veelomvattend en als gezamenlijk ervaren project om de maatschappij van burgers in voort te zetten. In enige vorm moeten ze tot het belangrijke inzicht gekomen zijn dat ze zichzelf aan het grotere geheel moeten aanpassen, zichzelf moeten beheersen en erop moeten letten dat hun gedrag niet te ver van de dominante sociale verbanden afwijkt.

Het nut van veranderingen

De verbintenis met een bepaalde collectief gedragen levenswijze is voor het individu niet alleen economisch nuttig maar in sociaal opzicht ook heel effectief. Het heft het gevoel van isolement op. Het biedt emotionele steun om risico’s onder ogen te kunnen en te durven zien. Het verschaft bovendien een thuisbasis om nieuwe initiatieven te nemen. In de theorie beschikt het individu over de universele vrijheid om ervoor te kiezen een contract social aan te gaan, maar dat evengoed achterwege kan laten. In die zin is het uitgangspunt van de burgerlijke maatschappij een utopie. Een utopie die door haar aantrekkelijkheid niettemin verstrekkende gevolgen heeft gehad voor het menselijk samenleven in de afgelopen 200 jaar. In deze periode zijn in de algemene spelregels om problemen over individualisering en sociale integratie op te lossen verrassend weinig wijzigingen aangebracht. Natuurlijk zijn de specifieke uitdrukkingswijzen wel veranderd en verschillen de voorgestelde oplossingen. Zo’n driekwart eeuw hebben bijvoorbeeld de katholieke, protestants-christelijke en socialistische zuilen gefungeerd als integratiekanaal. Ze bleken echter na verloop van tijd net zo goed weer aan de kant geschoven te kunnen worden, zonder dat het maatschappelijk bestel in zijn geheel tot wankelen werd gebracht. Op een hoger aggregatieniveau zijn in de negentiende eeuw naties gevormd. In de huidige globaliserende, of in ieder geval Europese economie zijn naties minder relevant en zijn het veeleer obstakels om landen in grotere verbanden te integreren. Ook de vroeger zo geroemde solidariteit blijkt toch vooral belangrijk te zijn geweest in geval van een gemeenschappelijke vijand of bedreiging. Nu die er niet meer is, of een diffusere vorm heeft aangenomen, hebben in de motieven om zich ‘solidair’ te gedragen en zich voor een collectief doel opofferingen te getroosten persoonlijke belangen veel duidelijker de overhand gekregen. Een laatste voorbeeld betreft professionalisering. Het heeft een functie gehad bij de opkomst van een nieuw vakgebied, maar professies hebben (net als vroeger de gilden) geen eeuwigheidswaarde. De mens lijkt geneigd tot ‘gildevorming’ maar zet de resultaten daarvan even makkelijk weer aan de kant. Voor het oude komt iets nieuws, dat een beter antwoord lijkt te geven op nieuwe vragen en problemen.

De zegetocht van de emotionele zelfsturing

Het realiseren van sociale samenhang in een min of meer chaotische, turbulente en door toeval bepaalde wereld, lijkt onbegonnen werk. Tenminste als men niet kan putten uit bronnen en strategieën van zelforganisatie. Het louter ‘van buitenaf’ of ‘van bovenaf’, door de uitoefening van macht, willen ordenen van een individu of van sociale groepen vergt een zeer hoge ‘prijs’. Als het al zou kunnen. Vanuit een externe positie kunnen er slechts aanzetten (zoals adviezen) gegeven worden tot verandering, beperkingen worden opgelegd of aan bepaald gedrag grenzen worden gesteld. Door externe ‘prikkels’ - in het vooruitzicht gestelde beloningen of verspreide ‘waarden’ en ‘normen’ - kunnen individuen ertoe worden ‘verleid’ zich in een bepaalde richting te begeven. Toch is het hierdoor uitgelokte gedrag het best te begrijpen als een vorm van zelforganisatie. Het ‘van binnen uit’ gemotiveerde handelen dat we kunnen zien als resultaat van die zelforganisatie veronderstelt echter een waargenomen eigen of - als het om groepen gaat - gezamenlijk ‘belang’. Wanneer dat opportuun is moet er de bereidheid bestaan tot het sluiten van een compromis met andere partijen.

De potentie van collectieve ideeën lijkt in de laatmoderne tijd afgenomen te zijn. Anders dan bijvoorbeeld tijdens de verzuiling is er in de huidige, sterk geïndividualiseerde maatschappij weinig ruimte voor collectieve en duurzame ideeën. Normen en waarden zijn met alle andere consumptiegoederen in een als een markt gestructureerde context terechtgekomen. Kenmerkend voor de markt zijn echter fluctuerende bewegingen, marktsegmenten en steeds verder gedifferentieerde doelgroepen. Uiteindelijk lijkt ook daar het individu het te winnen van het collectief. Postmoderne ideologen betwijfelen zelfs de mogelijkheid van één groot en collectief ‘verhaal’ in dit tijdsgewricht (Ashley 1997). Waarden zijn steeds meer individuele keuzes en onderling uitwisselbaar - zo luidt de filosofie. Er lijken, althans in het postmoderne wereldbeeld, bijna geen universele waarden meer te bestaan, afgezien van zulke pragmatische waarheden als ‘gij zult niet doden’. Maar zelfs zulke ideeën zijn in principe discutabel. De verregaande relativering ervan is voor sommigen geen taboe meer: als men ‘alles’ zeggen mag, waarom mag men het dan ook niet doen?

In de huidige tijd zijn binnen bepaalde gemeenschappen nog steeds gezamenlijke oriëntaties mogelijk - het is de sine qua non om nog van ‘een gemeenschap’ te kunnen spreken. Zulke oriëntaties zijn evenwel van kortere duur dan vroeger het geval was. Een duurzaam sociaal contract is allang geen vanzelfsprekendheid meer. Daarmee is echter het project van de Verlichting nog niet om zeep geholpen. Het heeft nog nooit zo hoog op de agenda gestaan. Nog meer dan in de negentiende eeuw zien we om ons heen wat de consequenties zijn als mensen niet in staat zijn zich maatschappelijk te integreren of hun sociale contracten ‘opzeggen’. Zonder contracten en zonder de bereidheid en de mogelijkheid zich daaraan te houden is een samenleving, die een bepaalde mate van stabiliteit en risicobestendigheid nastreeft en ook bewerkstelligt, niet mogelijk. Het zwaartepunt van de maatschappelijke orde heeft zich echter uitdrukkelijk verlegd naar het initiatief van de individuen zelf. Misschien naderen we wel de toestand die Jean Jacques Rousseau (1712-1778) als vertrekpunt zag voor het samen leven, maar die in zijn tijd nog slechts een theoretische constructie was. Rousseau zag de civil society als het resultaat van een associatie van vreemden. Zij waren daartoe overgegaan nadat ze het inzicht hadden dat ze de schaarste aan hulpbronnen alleen konden overwinnen door hun persoonlijke belangen te delen met die van anderen. Waarlijk menselijk was het, in de ogen van Rousseau, als mensen hun heterogeniteit overwonnen door zich te verbinden aan instituties die juist hun homogeniteit beklemtoonden.

In de laatmoderne tijd is voor de externe en centrale waardenoriëntatie de emotionele zelfsturing in de plaats gekomen. Het is de radicale consequentie van de civil society waarin het primaat voor de vorming van waarden en normen bij het individu ligt en waarin eventuele collectieve waarden slechts een mogelijke uitkomst vormen van sociale interactie (zie: Tester 1992). De emotionele zelfsturing drukt een hoog ontwikkelingsniveau van de zelfbewuste burger uit. Het betreft een burger die zich goed rekenschap geeft van zijn cognities, emoties, behoeften en interacties met zijn omgeving. Het gaat om iemand die zich doeltreffend een plaats verwerft in de wereld en zelfbewust werkt aan sociale integratie, maar dat combineert met inlevingsgevoel voor de wensen en oriëntaties van andere mensen. Uitgaande van het primaat van de zelforganisatie, en in weerwil van het bestaan van allerlei vormen van externe sturing en dwang, is sociale integratie slechts mogelijk als de afzonderlijke individuen in staat zijn zichzelf te ‘motiveren’ aan dat project deel te nemen.

In onze tijd is de toename van de zelforganisatie en de zelfsturing een overlevingsvoorwaarde in een anders allesbepalende en iedereen overspoelende golf van prikkels, signalen en verlokkingen. Als ‘alles’ telkens verandert en als ‘niets’ meer duurzaam lijkt, ligt voor een belangrijk deel de ordening bij het individu zelf. Hij moet zelf betekenis geven aan de omgeving en zelf objectieve levensomstandigheden interpreteren, rekening houdende met de eigen behoeften, aspiraties en zich baseren op een realistische inschatting van de eigen handelingsmogelijkheden. Deze houding stelt individuen in staat aan sociale verbanden deel te nemen. Het voorkomt dat ze aan externe omstandigheden zijn uitgeleverd. Het bevordert dat ze de eigen situatie op een zo aangenaam mogelijke manier handhaven of verbeteren. De handhaving en ontplooiing van ‘het zelf’ veronderstelt interactie met de omgeving, - niet alleen door deze te ‘benutten’ maar vooral door daaraan een nuttige bijdrage te leveren.

In een organisme hebben alle cellen slechts een relatieve autonomie. Ze ontlenen hun functie aan hun bijdrage aan hun omgeving en ze zijn gevoelig zijn voor invloeden van buitenaf. Net zo geeft elk individu zich rekenschap van ‘signalen’ uit de omgeving. Men kan signalen zelfs met zoveel kracht ‘afgeven’ dat we ze beter als dwang kunnen beschrijven. In hiërarchisch opgebouwde systemen is de toepassing van dwang effectief gerealiseerd door de ongelijke verdeling van macht: hoger geplaatste niveaus of personen kunnen gelegitimeerd signalen afgeven die gerelateerd zijn aan bevoegdheden of eigendom en kunnen sancties plaatsen op het niet naleven van opdrachten. In onze samenleving is de emotionele zelfsturing nog lang niet zover gerealiseerd dat we ons de zelfbeheersing zonder enig machtsvertoon van buitenaf kunnen voorstellen. Ook normen en waarden komen in werkelijkheid niet ‘spontaan’ uit het individu voort. Niet het individu is de bron van kennis over waarden en normen, maar de maatschappelijke ervaring en de praktijk die daarop is gebaseerd. Het maakt echter wel een groot verschil uit of bijvoorbeeld uit traditie of na een afweging en persoonlijke betrokkenheid zulk soort waarden en normen worden toegeëigend en nageleefd.

Splitst de samenleving in tweeën?

Het probleem is aldus gesteld: in hoeverre is sociale integratie te bereiken als we rekening houden met actuele tendensen zoals: (hyper)individualisering; de teloorgang van traditionele gemeenschappen en andere vormen van sociale cohesie; de volstrekt niet meer te ‘beheersen’ rol van de nieuwe media; de verlokkingen van de commercieel bemiddelde lifestyles en daarbij horende attributen en gedragingen; de relativering van de dimensies tijd en ruimte als structurerende elementen voor gemeenschapsvorming? Op wereldschaal vormen zich nieuwe gemeenschappen (communities) van mensen die op lokaal niveau nauwelijks nog enig verband met elkaar vertonen - wereldgemeenschappen enerzijds en versplinterde locaties anderzijds. Collectiviteiten zijn tegenwoordig wereldwijd ‘georganiseerd’ of worden tenminste sterk door internationale tendensen beïnvloed. Ze kenmerken zich door dezelfde lifestyles, kleding, middelengebruik, muziekkeuze, consumptiepatronen, houding, lichaamstaal, ‘uitstraling’ en gezamenlijke opvattingen over overige domeinen van het leven. Niet alleen wetenschappers, politici of zakenlieden oriënteren zich op de wereldgemeenschappen, ‘gewone’ mensen doen niet anders. Waar sociale cohesie (lokaal) een probleem wordt, ontstaan (globaal) dus weer nieuwe patronen van sociale integratie.

De verzuiling was eens een project waar alle leden van de samenleving actief bij betrokken waren - dat was uitzonderlijk. Sociale interventies richten zich meestal op specifieke locaties en restgroepen. Het gaat dan om de mensen die de aansluiting met een van de duizenden wereldgemeenschappen missen en de wereld slechts als een passieve consument ervaren. Hun belangrijkste medium in de huidige tijd - de TV - is nog nauwelijks interactief. De bezorgde aankondiging van een tweedeling van de samenleving is in dit verband gauw gedaan, maar is dit daadwerkelijk de uitkomst van het beschavingsproces? Het is waar dat nu nog slechts een minderheid gebruik maakt van het Internet, ook neemt in de Westerse landen het aantal gebruikers snel toe (Holmes 1997). Het is ook zo dat de telefonie en zelfs de post voor een zeer aanzienlijk deel van de wereldbevolking nog onbereikbaar c.q. nutteloos zijn. Hun marginale, achterblijvende positie zet echter niet de toon. Voor de kapitalistische economie is hun integratie in de wereldmarkt juist een reproductievoorwaarde - geen groei betekent crisis. De permanente buitensluiting van het arme deel van de (wereld)bevolking uit de kapitalistische economie is niet waarschijnlijk. Gezien de omstandigheid dat het nu juist de markt van consumptiegoederen is die de belangrijkste motor is voor de verspreiding van wereldwijde lifestyles en communities, is deelname daaraan van armen en buitenstaanders op termijn toch aannemelijk.

II. INDIVIDUALISERING - HET ZELF ALS PROJECT

Individualisering is het proces waarbij het individu zich probeert zo effectief mogelijk in te voegen in de ketens van afhankelijkheid (Elias). Hier gaan vrijheid van handelen en doeltreffendheid hand in hand. Bij ontstentenis van - of, in vergelijking met voorafgaande perioden veel minder voorkomen van - strak voorgeschreven patronen is de individualisering een project of beter gezegd een programma waarvan de doelstellingen slechts in zeer algemene zin kunnen worden geformuleerd. Ook de middelen en methoden kunnen we slechts in algemene termen beschrijven maar hier geldt dat de theorie radicaler is dan de praktijk: hyperindividualisering is het schrikbeeld maar slechts bij uitzondering het geval. Voor de meeste mensen is het doelmatiger en minder riskant om gebruik te maken van reeds bestaande mallen, geaccepteerde vormen van individualiteit (lifestyles) die in toenemende mate op wereldschaal beschikbaar komen.

We spreken hier niet over een ‘modern’ verschijnsel - wel zijn er in het beschavingsproces duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve sprongen waarneembaar. Individualisering zie ik als een functie van een hogere ontwikkeling (toenemende complexiteit) van sociale structuren en processen, terwijl omgekeerd deze structuren en processen weer een functie vormen van individualisering.

In de civilisatietheorie van Elias is sprake van steeds langere ketens van afhankelijkheid. Individuen zijn weliswaar minder afhankelijk van personen in hun directe omgeving dan vroeger het geval was, maar door de arbeidsdeling en de splitsing van functies zijn ze in hoge mate afhankelijk geworden van grote en complexe netwerken die ruimtelijk grote afstanden overbruggen. De persoonlijke afhankelijkheid is bovendien verruild voor steeds meer formele regulering en openbare legitimering. Op de keper beschouwd is er altijd sprake van afhankelijkheid. In de moderne tijd gaat deze echter gepaard met potentieel meer vrijheidsgraden en met minder onzekere, persoonlijke relaties.

Kenmerkend voor individualisering is dat het individu van zijn of haar leven een project maakt. Het individu verhoudt zich hierin uitdrukkelijk ten opzichte van zichzelf, verdiept daarin het tijdsperspectief en relateert zichzelf aan uiteenlopende sociale netwerken en referentiekaders. Hiermee realiseert het een naar zichzelf verwijzende, positieve en coherente, reflexieve eenheid (Giddens 1991).

De realisatie van een individuspecifieke levensloop c.q. het actualiseren van een specifiek levensproject veronderstelt onder andere dat het individu:

  • zich weet te voegen in de hiervoor relevante netwerken;
  • zich zelf kan ‘beheersen’ c.q. ontwikkelen om aan de elders gestelde eisen te kunnen voldoen;
  • zich bovendien in een veelvoud van netwerken kan integreren en door de uitgebreide contactmogelijkheden een groter bereik weet te verkrijgen;
  • bereid en in staat is te ‘onderhandelen’ en aan anderen iets kan bieden waar hij of zij weer iets voor terugkrijgt.

In het denken over individualisering is een belangrijk gegeven dat historisch gezien het sociale aan het individuele is vooraf gegaan. Het sociale vormt de context en stelt de voorwaarden op basis waarvan en in relatie waarmee het individuele zich (verder) ontwikkelt en differentieert. Daarom moeten we het proces van individualisering, en zeker de eenzijdigheden die we daarin signaleren, decoderen als het resultaat van een verandering in de sociale context en de sociale uitgangspunten. Dat belooft een beter inzicht dan wanneer we er vanuit gaan dat individuen zich coûte que coûte willen onderscheiden en losmaken van het sociale. Dat laatste is namelijk als algemeen verschijnsel niet zo aannemelijk, omdat een abstracte ontkoppeling van het individu van het sociale de kans op het bereiken van individuele doelen niet dichterbij brengt.

Individualisering impliceert niet alleen toenemende afhankelijkheid, maar ook vergroting van het langetermijnperspectief van het individu. De hierdoor gewonnen grotere autonomie heeft echter slechts reële betekenis als het individu zichzelf weet in te voegen in sociale netwerken c.q. zijn of haar gedrag weet te relateren aan dat van anderen. Door deze processen is door de bank genomen de individuele levensloop minder voorspelbaar en minder overeenkomstig aan die van anderen geworden. Mensen zien hun levensloop steeds minder als een voorgeschreven programma dat ze moeten doorlopen en dat velen vóór hen ook al zo deden.

Individualisering betekent een toenemende keuzevrijheid (toename vrijheidsgraden) op voorwaarde dat het individu de beschikking heeft over de middelen om nieuwe mogelijkheden te realiseren. Te denken valt aan geld, maar meer nog aan een goede gezondheid, kennis en vaardigheden, de juiste contacten en persoonskenmerken. Individualisering impliceert tegelijkertijd ook een toenemende afhankelijkheid van anderen om zichzelf te kunnen ‘actualiseren’. Zelfactualisatie is slechts mogelijk bij de gratie van de omstandigheid dat men in voorkomende gevallen een beroep op anderen kan doen. Zelfactualisatie in het luchtledige spreekt weinig tot de verbeelding. Het is een illusie die weinig verder reikt dan de privé-sfeer.

Individualisering brengt verder specialisatie en verbijzondering met zich mee: het hele idee heeft weinig om het lijf als iedereen zich in dezelfde richting zou ‘individualiseren’. Slechts de individualisering als verschijnsel heeft massale trekken, niet de uitkomsten van het proces zelf.

We kunnen individualisering vieren als een nieuwe stap in de ontwikkeling van de mensheid, die echter wel heel veel risico’s met zich mee brengt en ook heel belastend is. Meer keuzemogelijkheid impliceert meer onzekerheid en afhankelijkheid. Dat bedreigt de duurzaamheid van de actuele levenswijze en levensloop. De mate waarin dat gebeurt is mede afhankelijk van de verwachtingen die men heeft (als deze hoog gesteld zijn is er meer risico op falen) en de concrete middelen die men heeft of had om de onzekerheid tegemoet te treden of (vanuit een egocentrisch perspectief) op anderen af te wentelen. In de mogelijkheid risico’s en sociale stress op anderen af te wentelen, schuilt het risico dat individualisering kan leiden tot sociale ongelijkheid en oneerlijke verdeling van (economische) hulpbronnen.

Actuele ontwikkelingen: zelfsturing in een multiculturele samenleving

Een consequentie van de individualisering is dat mensen zich in hun gedrag steeds meer van anderen gaan onderscheiden. Op steeds vroegere leeftijd zijn mensen zich ervan bewust dat ze, vooral in hun persoonlijke leven, zèlf willen en ten dele ook zelf kunnen bepalen wat zij als levenswaardig ervaren en wat niet. Hun verwachtingen over het leven zijn minder duidelijk dan voorheen afgestemd op die van hun ouders of overige familieleden, of gestuurd door tradities. Hier komt bij dat de levensloop als zodanig ook minder voorspelbaar wordt dan vroeger: men verlaat ingeslagen wegen gemakkelijker, legt persoonlijke opvattingen minder duidelijk vast en kiest partners minder vaak voor het leven.

Daarbij neemt de maatschappij steeds meer een multicultureel karakter aan. Door de eeuwen heen zijn nieuwe samenlevingen ontstaan uit een amalgaam van diverse culturen - vluchtelingen en immigranten zijn er altijd geweest. De (pre)historische volksverhuizingen hebben botsingen en ook versmeltingen van culturen laten zien die in heftigheid wellicht ingrijpender waren dan de komst van migranten in Nederland sinds de jaren zestig. Dit neemt niet weg dat de sterke toename in Nederland van mensen uit intussen alle delen van de wereld, in korte tijd sociale en culturele veranderingen heeft veroorzaakt die nog lang niet zijn uitgewerkt. We mogen ervan uit gaan dat de migranten niet op korte termijn zich zó snel integreren in de oorspronkelijke Nederlandse cultuur - die overigens ook vóór die tijd niet zo homogeen was als het lijkt -, dat de culturele verschillen binnen afzienbare tijd nog slechts marginaal zijn. Daarom ligt het voor de hand dat we ons moeten instellen op een periode die we als de ‘multiculturele samenleving’ typeren. Uitingsvormen zijn specifieke gedragingen en daaraan gerelateerde aparte, naast elkaar staande wereldbeelden en mensbeelden. Het multiculturele karakter stoelt echter niet alleen op allochtone achtergronden, omdat ook subculturen van autochtone herkomst tot dit pluriforme beeld bijdragen.

De individualisering en de multiculturalisatie versterken beide het gegeven dat het bestaan van universeel geldende waardenstelsels of ideële referentiepunten - al dan niet verwerkelijkt in een kerkgebouw een vereniging of een ‘zuil’ - minder vanzelfsprekend is en steeds meer onwaarschijnlijk wordt. Maar of de toekomstige samenleving ten onder zal gaan aan een gebrek aan gezamenlijke opvattingen over ‘goed’ en ‘kwaad’, over ‘moreel’ en ‘immoreel’ gedrag is zeer de vraag. In ieder geval is een samenlevingsvorm aanstaande die steeds minder makkelijk of vanzelfsprekend kan verwijzen naar universeel geldende opvattingen over ‘hoe het hoort’ en ‘wat men zoal denkt’. Zulke stelsels staan steeds meer onder druk, niettegenstaande de pogingen ‘moraal’ weer tot een salonfähig onderwerp te maken. Dit komt omdat in de multiculturele samenleving rekening moet worden gehouden met de normen en waarden van andere (sub)culturen, die dwars door de samenleving heen lopen. Het is echter nog belangrijker dat binnen elke huidige cultuur, dus ook die van de migranten, de individualisering onverbiddelijke bressen slaat in de altijd zo als vanzelfsprekend ervaren patronen. Dat hoeft geenszins een samenleving op te leveren met louter ‘asociale’ en ‘egoïstische’ individuen. Het brengt wel een samenleving voort waarin de individuele waarden en normen, oppervlakkig gezien, steeds ‘toevalliger’ tot stand komen, steeds meer op basis van eigen - ogenschijnlijk onvoorspelbare - keuzen.

We kunnen nog verder gaan en het vermoeden uitspreken dat ook elk individu afzonderlijk er steeds meer een wirwar van elkaar tegensprekende opvattingen op na houdt. De legitimering van die opvattingen lijkt bovendien sterk gebonden aan de specifieke context waarin iemand functioneert. Mensen gedragen zich bijvoorbeeld in de openbare, anonieme ruimte anders dan in de privé-sfeer, en hetzelfde geldt voor de normen die in die domeinen het gedrag sturen of inkaderen. Deze contextgevoeligheid van de individuele opvattingen en gedragingen veronderstelt een toenemende oriëntatie van de individuele maatschappijleden op wat anderen van hen verwachten en van hun gedrag vinden.

Bij ontstentenis van duidelijke ‘instructies’ of ‘reacties’ van buitenstaanders (zoals we dat vooral vaak waarnemen in anonieme, openbare ruimten zonder toezicht en duidelijke regelgevingen) neemt de kans op grensoverschrijdend gedrag toe. Dit laatste duidt erop dat we de hierboven geschetste maatschappelijke ontwikkelingen niet bij voorbaat als ‘positief’ mogen afschilderen. Gebrek aan voor iedereen herkenbare en verplichtende normen en waarden, gekoppeld aan de toegenomen contextgebondenheid van het actuele gedrag (door het telkens opnieuw afstemmen van de eigen normen en waarden op die van anderen), vergroot potentieel de kans op individuele onzekerheid over de eigen beslissingen. Dit, gevoegd bij de omstandigheid dat men er maatschappelijk gezien vaak ‘helemaal alleen voor staat’, en een externe sturing van het gedrag (door toezicht en bestraffing) in veel gevallen afwezig is of slechts impliciet bestaat, vergroot de kans op grensoverschrijdend en soms ook gewelddadig gedrag. Zulk gedrag komt vaker voor als de voordelen opwegen tegen de nadelen, zoals het vinden van aansluiting bij een groep gelijkgezinden. Vooral bij jongeren vormen groepsculturen met ‘afwijkende’ waarden- en normenpatronen een essentiële factor voor de verklaring van het manifeste gedrag.

Het probleem te weten hoe het hoort

Op meerdere plekken heb ik betoogd dat er sprake is van individualisering van het gedrag èn van de normen en waarden die voor iemand geldig zijn. Deze zijn bovendien steeds meer afhankelijk van de specifieke context waarbinnen ze uitgesproken en/of gebruikt worden. Daarbuiten hebben specifieke normen en waarden nauwelijks praktische, het gedrag sturende betekenis. Omdat er zoveel verschillende contexten zijn waarbinnen mensen (kunnen) functioneren, is het steeds lastiger te weten ‘hoe het hoort’. De onzekerheid die dit alles met zich meebrengt, drijft de meeste mensen er uiteraard toe hun opvattingen te toetsen aan die van anderen. Maar dat gebeurt niet om tot een vergelijk te komen in de richting van de formulering van nieuwe, ‘eeuwige’ en universele waarden, maar om via de interactie met anderen meer helderheid te krijgen over de eigen standpunten en het eigen levensverhaal. Op basis daarvan kan men zich dan in de wereld beter een weg banen.

Een aspect van de ontwikkeling van de samenleving op lange termijn, dat in een nauwe relatie staat met individualisering, is het eerder ook al aangestipte gegeven dat het individuele gedrag steeds meer gestuurd wordt ‘van binnenuit’ in plaats van door externe voorschriften, opdrachten en verboden. Schuldgevoelens, schaamte en de vorming van geweten zijn geen verschijnselen die automatisch voortkomen uit de biologische evolutie van de mens, ook al sluiten ze er wel goed op aan. Ze hebben hun plaats gekregen in de loop van de sociaal-historische ontwikkeling, of beter gezegd, ze zijn het product van civilisatieprocessen. We kunnen deze emotionele zelfsturing zien als de resultante van de steeds hogere eisen die mensen aan elkaar en aan zichzelf hebben gesteld om hun gedrag te sturen in de richting van een steeds ingewikkelder en genuanceerder stelsel van modaliteiten en opvattingen over ‘hoe het hoort’ of ‘hoe het zou moeten’. Het louter stellen van eisen is overigens een onvoldoende verklaring voor dit resultaat. Het ging (en gaat) gepaard met zowel het ontwikkelen en inoefenen van nieuwe vaardigheden en ook met externe dwang.

Nieuwe generaties hebben ouders of andere volwassenen als rolmodel die ervoor zorgen dat ze hun geweten al vroeg in hun jeugd kunnen vormen. Vanwege algemene sociaal-culturele veranderingen, de bijzondere loop van het eigen leven of door bijvoorbeeld migratie naar een land met een vreemde cultuur, worden volwassenen vaak pas in de loop van hun leven geconfronteerd met geheel nieuwe eisen. Voor hen is het een stuk lastiger zich aan te passen.

Gij zult u zèlf beheersen

In een samenleving waarin de eis tot zelfbeheersing objectief gezien toeneemt, is de dwang toch nog steeds niet weg te denken. Men kan deze wel op een subtiele wijze onzichtbaar maken: in plaats van mensen te dwingen tot zelfbeheersing kunnen ze er ook toe worden verleid. De kans dat dat lukt is uiteraard sterk afhankelijk van de mate waarin de voordelen (zoals stijging op de maatschappelijke ladder) van de zelfbeheersing opwegen tegen de nadelen van de psychische stress, die de zelfbeheersing voor velen onherroepelijk met zich meebrengt.

De samenleving verlangt al eeuwenlang van de afzonderlijke leden steeds meer beheerst gedrag. In die context is het ook aannemelijk dat de gevoeligheid voor onbeheerst gedrag - voor gedrag dat de getrokken grenzen overschrijdt - toeneemt. De oproep Gij zult u zèlf beheersen verloopt gelijktijdig aan de effectuering van dwangstrategieën gericht op degenen die in die zelfbeheersing ernstig falen, die als het ware een ‘beschavingsstoornis’ vertonen (Van der Stel 1997). De geschiedenis leert ons dat er vaak weinig zachtzinnig met deze mensen is omgesprongen en dat de opvattingen over de achtergronden van hun gedrag zelden getuigden van veel nuance. We herinneren ons de wrede opvoedingspraktijken die men er vroeger (en in veel gevallen nog steeds) op nahield maar al te goed. Mensen met afwijkend gedrag vormden in historische samenlevingen, waarin de zelfbeheersing nog heel broos was, een bedreiging voor de gewenste maatschappelijke orde. Men bejegende hen meestal gewelddadig.

In onze tijd kunnen we het in den regel gelukkig zonder extreme dwangmaatregelen stellen. De eufemistische ‘drang’ is meestal voor de dwang in de plaats gekomen. Een zeer genuanceerd rechtsstelsel waakt over de noodzakelijk geachte toepassing van sancties op de overtreding van nauw omschreven regelgevingen en wetten. In theorie is willekeur tot een minimum beperkt.

Gebrek aan zelfbeheersing kunnen we - en in bepaalde gevallen ook heel terecht - duiden als een psychische stoornis, die als zodanig een verontschuldigende betekenis verleent aan het opmerkelijke gedrag. Ook andere labels zijn daarvoor beschikbaar. De marges voor toelaatbaar en ontoelaatbaar gedrag zijn echter nooit voor de eeuwigheid vastgelegd. In ons tijdsgewricht neemt de bereidheid voor het honoreren van verontschuldigingen voor onbeheerst en grensoverschrijdend gedrag eerder af dan toe. In de jaren zeventig zou de tolerantie voor zulk gedrag te ver doorgeschoten zijn. De justitie en politie hebben hun teruggetrokken of teruggedrongen positie in de samenleving in relatief korte tijd weer drastisch kunnen opvijzelen. Een symptoom hiervan is de geforceerde bouw van nieuwe cellencomplexen die enkele jaren geleden in gang werd gezet om de repressie concreet gestalte te geven. Een ander opmerkelijk symptoom - aan de preventieve kant - is de aandacht van justitie voor opvoedingscursussen voor ouders bij wie de kans op grensoverschrijdend gedrag van hun kinderen relatief hoog is.

Zelfbeheersing in een onderhandelingshuishouding

Het karakter van het tussenmenselijke verkeer in de laatste decennia heeft Abram de Swaan wel getypeerd als een onderhandelingshuishouding (De Swaan 1983). Met dit begrip wees hij erop dat tussen mensen - ook al spreken we over de relaties tussen volwassenen (ouders, leerkrachten) en kinderen - de communicatie minder duidelijk dan vroeger wordt gestuurd door (objectieve) machtsverschillen. Ouders kunnen minder makkelijk dan voorheen zonder meer voorschrijven wat hun kinderen moeten doen. Ze worden geacht rekening te houden met niet alleen de behoeften maar ook de ‘argumenten’ van hun kroost. Ze moeten er blijk van geven dat ze deze in hun besluitvorming meewegen. Dit houdt in dat er een ruimte is ontstaan voor gedragsmodaliteiten en gedragseisen waarover onderhandelingen mogelijk zijn.

Het kind mag er in onze tijd er van uit gaan dat de ouder (of leerkracht) bereid is tot onderhandelen en zich onder omstandigheden plooibaar opstelt. Een kenmerk van de onderhandeling is dat het ‘toegeven’ aan een verlangen van een kind door de ouder niet meteen als een gevoelig verlies aan prestige van de ouderlijke ‘macht’ hoeft te worden ervaren. En als de ‘machtigste’ toch met het onderhandelen korte metten maakt, is het gepast om de beslissing tenminste duidelijk te verantwoorden. Overigens moeten we ons er goed van bewust zijn dat onderhandelingshuishoudingen een relatief modern fenomeen zijn, die nog maar net hun intrede hebben gedaan in de milieus van de middenklasse. De proliferatie ervan over onze gehele samenleving (en de wereld) lijkt echter niet te stoppen.

Het begrip onderhandelingshuishouding, dat evengoed betrekking heeft op de relaties tussen mensen in arbeidsorganisaties, duidt slechts op een tendens. Voor een deel is het ook slechts een façade, waarachter traditionele machtsverhoudingen schuilgaan. Niettemin is het zonneklaar dat mensen onderling significant meer dan vroeger ‘onderhandelen’. Als ik dat op ons land betrek dan zit ik er waarschijnlijk niet zoveel naast als ik stel dat in onze egalitaire samenleving per hoofd van de bevolking het meest wordt vergaderd. Vergaderingen zijn rituelen waarin tot in de details de te nemen beslissingen tot aan het moment van consensusvorming worden ‘uitonderhandeld’ en waarin men poogt alle deelnemers ‘op één lijn’ te krijgen. Het is duidelijk dat mensen het in zulke onderhandelingssituaties alleen met elkaar kunnen uithouden als ze er blijk van geven in hoge mate zichzelf onder controle te hebben. Mensen moeten zich zowel rekenschap geven van hun gevoelens maar ook hun antenne kunnen richten op de gevoelens van anderen. Temidden van al die tegenstrijdigheden zullen ze een eigen weg moeten vinden.

De opkomst van de onderhandelingshuishouding heeft consequenties voor de mate waarin en de wijze waarop grensoverschrijdend gedrag optreedt en hoe opvoeders daarop reageren. De onderhandelingshuishouding schept objectief gezien namelijk ook ruimte voor grensoverschrijdend gedrag: een facet van onderhandelen is ‘toegeven’. Op zichzelf hoeft daardoor nog geen onmaatschappelijk of crimineel gedrag te ontstaan. De kans daarop neemt wel toe als er ook nog andere factoren in het spel zijn die de opvoedingssituatie belasten. De opvoeder kan bijvoorbeeld geneigd zijn toe te geven wanneer hij of zij de ‘machtsstrijd’ met het kind beu is, en het hoofd teleurgesteld in de schoot heeft gelegd. De onderhandelingshuishouding belast de pedagogische taak want onderhandelen staat op gespannen voet met het van één kant stellen van grenzen.

Opvoedingsonzekerheid

Een gemiddeld genomen gestegen opvoedingsonzekerheid is een resultaat van de individualisering, de onderhandelingshuishouding en de onzekerheid die daar in het algemeen mee gepaard gaat. Deze onzekerheid hoeft bij de meeste ouders (of leerkrachten) niet bij voorbaat ook te leiden tot negatieve gevoelens over hun opvoedingsrol als zodanig. Wel is het een objectief vaststelbaar feit dat opvoeders steeds minder duidelijke en vaststaande opvoedingsplannen en -rituelen hebben. Als je ouders met een gemiddelde sociale ontwikkeling vraagt naar de beweegredenen van hun handelen dan opent zich een doos vol mitsen en maren, ene en andere kanten. Kortom, tegenstrijdigheden te over en het lijkt haast een wonder dat de meeste kinderen toch nog redelijk ongeschonden opgroeien.

Over het algemeen hebben opvoeders over veel onderwerpen betreffende hun kinderen een mening, maar deze zijn gerelateerd aan in potentie onzeker makende tegenstrijdigheden. Er bestaat niet meer een gezaghebbende instantie die hun meningsvorming eenduidig stuurt en hen adviseert bij hun keuzen. En als zo’n instantie bestaat, verkeert deze in concurrentie met vele andere. De opvoeders moeten kortom zèlf keuzen maken. Bovendien moeten ze die in onderhandelingssituaties met hun partner, met buitenstaanders en in het bijzonder met hun kinderen verantwoorden. Omdat daar zelden eenstemmigheid uit voortvloeit, neemt de onzekerheid niet af, - men kan die hoogstens wegstoppen of tijdelijk aan de kant schuiven.

Oefenen in emotionele vaardigheden

In de laatste jaren is de roep om zelfbeheersing en de bereidheid deze actief te bevorderen weer toegenomen. Dit gebeurde in een situatie waarin langzamerhand de externe dwang al te diffuus was geworden. Eerder heb ik gesteld dat de onzekerheid van de individuele maatschappijleden over de richting van hun concrete gedrag gemiddeld genomen is gestegen. Mede hierdoor is de kans op ‘stoornissen’ in het manifeste gedrag en de kans op tekortkomingen in de controle van handelingsimpulsen ook verhoogd. Dat lijkt een logisch gevolg van het fenomeen dat de eisen aan het individuele gedrag zijn opgeschroefd, terwijl tegelijkertijd (nog) niet iedereen daaraan kan voldoen. Zij die afwijken van de ontwikkelingsrichting vormen een potentiële ‘bedreiging’ van het civilisatieproces. Zij vormen het reëel bestaande alternatief dat mogelijk ‘besmettelijk’ is, althans de angst daarvoor kan gemakkelijk postvatten. De gevoeligheid voor het bestaan van afwijkingen en de daarmee samenhangende ‘ergernissen’ kan sterk oplopen. In dat geval neemt de bereidheid tot preventieve tot en met curatieve of repressieve interventie navenant toe. De meest voor de hand liggende manier om in zo'n situatie als individu niet beklemd te raken tussen externe eisen en innerlijke onzekerheden - er niet chronisch gestresst door te raken, of zich bedrukt of angstig te voelen - is een sprong voorwaarts te maken in de ontwikkeling van sociaal vaardig, maatschappelijk ‘aanvaard’ en dus ‘aangepast’ gedrag. Dat betekent het denken en het voelen in een nieuw en aangepast evenwicht te brengen.

Het is niet toevallig dat in de afgelopen vijftig jaar op werkelijk elk terrein van ons leven er cursussen of vergelijkbare interventies zijn ontwikkeld, waarin de ‘achterblijvers’ nieuwe vaardigheden konden (en/of moesten) leren. Ook kwamen er programma’s waarin mensen geholpen werden zich nieuwe gedachten toe te eigenen en meer inzicht en ‘greep’ te krijgen op hun gevoelens en emoties. Midden jaren negentig prijkte het boek Emotionele Intelligentie van de Amerikaanse psycholoog Daniel Goleman maandenlang hoog op de bestsellerlijsten (Goleman 1996). Een zekere mate van ‘emotionele intelligentie’, of hoe men het ook zou willen aanduiden, is inmiddels een levensvoorwaarde voor het redelijk ongeschonden kunnen functioneren in onze zeer complexe en dynamische maatschappij. Het gaat hier om vaardigheden als emotioneel zelfbewustzijn, het reguleren en productief aanwenden van emoties, empathie en het omgaan met relaties. Deze vormen het gereedschap om zelf zijn of haar waarden- en normenstelsels te ontwikkelen en bij anderen te toetsen. Het beschermt tegen grensoverschrijdend en onbeheerst gedrag voor zover dit voortkomt uit psychische onhandigheid.

III. CHAOS EN CIVILISATIE

Het denken over de dialectiek tussen chaos en orde gaat - wat de Westerse filosofie betreft - terug tot dat van de oude Grieken. Aan het moderne chaosonderzoek, de wetenschap van complexe systemen, ontleen ik het begrip ‘zelforganisatie’. Zelforganisatie heeft betrekking op het spontaan ontstaan van ordening (dynamische structuren die zichzelf reproduceren) die niet verklaard kan worden uit externe beïnvloedingen of interne programmeringen (Küppers 1996).

Kenmerkend voor elke levensvorm is het zichzelf kunnen organiseren, het zèlf - in een van oorsprong ‘chaotische’ omgeving - orde aanbrengen en ook een adequaat intern en extern milieu tot stand te brengen. Zelforganisatie (zelfbeheersing is daar een aspect van) en zelfontwikkeling, de creatie van iets uit niets, is wat mensen samenbindt. Het inzicht in de effectiviteit daarvan vormde zich in de geschiedenis uiterst langzaam. De aandacht richtte zich in de eerste plaats op de externe controlemogelijkheden van het menselijk gedrag. De kennis over zelfcontrole heeft nu een dermate hoog stadium bereikt dat bijna alle strategieën tot beïnvloeding van mensen er op gericht zijn hen tot zo’n zelfordening te bewegen. Het menselijk samenleven kenmerkt zich door toename van de organisatorische complexiteit. Hiervoor kunnen we geen uiterlijke krachten verantwoordelijk houden: mensen organiseren zichzelf.

De ingewikkelde structuur van het samenleven kunnen we echter niet verklaren als het resultaat van de botsing en de cohesie van afzonderlijke individuen. Deze toenemende complexiteit en differentiatie is slechts te begrijpen wanneer we ervan uitgaan dat een gegeven uitgangspunt (het sociale) van wezenlijke invloed is op de interacties tussen de individuen. Voor de sociale patronen die daaruit voortvloeien, zoals de organisatie van clusters en de vorming van complexe en gedifferentieerde sociale structuren, hoeft geen bouwplan te bestaan om toch op te treden.

Kenmerkend voor zelforganiserende systemen is dat ze niet-lineair zijn en als het ware een ‘eigen leven’ leiden. Ze vertonen gedrag dat moeilijk voorspelbaar is en ze zijn nauwelijks te begrijpen vanuit (het gedrag van) de samenstellende delen (zoals individuen). Sociale structuren reproduceren zichzelf, zonder een bouwplan en zonder vooropgezette plannen van de afzonderlijke individuen. Ze structureren de levens van de individuen. De onvoorspelbare interacties die zo ontstaan leiden tot een hogere vorm van zelforganisatie en complexere structuren die zichzelf reproduceren en verder ontwikkelen.

Als we het individu zien als een zichzelf organiserende chaos zou individualisering - in een in sociaal en materieel opzicht steeds minder voorspelbare en risicovolle wereld - opgevat kunnen worden als een vergroting van chaos in het kwadraat. Maar het is meer aannemelijk om de individualisering te zien als het meest adequate antwoord op een in veel opzichten ‘chaotische’ maatschappij. Is het niet een overlevingsvoorwaarde, of - beter nog - een voorwaarde voor emancipatie? Een argument voor deze opvatting is dat traditionele individualiteitsvormen niet flexibel genoeg zijn om ‘om te gaan’ met nieuwe en telkens zich vernieuwende vereisten zoals het moeten spelen van talloze ‘rollen’, waartussen men bovendien snel moet kunnen wisselen.

Het individu als een zichzelf organiserende chaos

In zeer instabiele levensomstandigheden is een levenswandel waarin het individu het eigen leven bewust opvat als een ‘project’, als een relatief autonome eenheid met een eigen strategie, als een poging orde te brengen in chaos, beslist geen overbodige luxe. Dit sluit sociale integratie geenszins uit. Wat individuen samenbindt is niet zozeer de bewuste coördinatie van hun gedrag maar hun gemeenschappelijke en gelijktijdige leven en hun gemeenschappelijke, historisch gevormde context. Omdat er toch sprake is van sociale integratie en sociale cohesie ligt het voor de hand dit te verklaren als een functie van de onderlinge interacties: een emergente kwaliteit die men niet bewust hoeft na te streven en die toch eigen bestaansmogelijkheden heeft.

Complexe en repetitieve patronen van orde ontstaan uit de zichzelf organiserende chaos. Op menselijk niveau betekent dit differentiatie gekoppeld aan clustering, de vorming van organisaties met deelfuncties, netwerken, hiërarchieën en nog zoveel meer. Maar om samenhang te bereiken is sociale hiërarchie en is coördinatie geen absolute voorwaarde. Het ontstaan van sociale verbanden is heel goed te verklaren als de uitkomst van een proces waarin mensen, uitgaande van hun biologische grondstructuur en de daarin vastgelegde gedragsprogramma’s, spontaan tot specifieke en duurzame sociale interactiepatronen komen. De mens heeft het relatieve voordeel minder gebonden te zijn aan vastgelegde programma’s. Hij compenseert dat door een groot leervermogen, en mede daardoor beschikt hij over de potentie te individualiseren. Net zoals het individu een zichzelf organiserende chaos is, is de samenleving dat zelf ook: sociale en culturele structuren en processen scheppen en vernieuwen zichzelf.

Niettemin kan de zelforganisatie door externe factoren of een gestoorde innerlijke dynamiek ook van slag raken. Elke organisatie bevindt zich in een fragiel evenwicht tussen chaos en ordening, het individuele en het collectieve, vrijheid en gebondenheid. Te ver voortgeschreden individualisering ondermijnt potentieel de sociale samenhang. Dit legitimeert sociale interventie die gericht is op (her)integratie. Integratie kan door waarden en normen weer tot een collectief goed te verheffen en door de vorming van zo’n gezamenlijk uitgangspunt het manifest gedrag van individuen beoordeelbaar te maken. Het hoeven geen ‘grote verhalen’ te zijn die ‘van buitenaf’ worden aangedragen. Het kunnen net zo goed emergente ‘eigenschappen’ zijn die quasi spontaan uit de interacties van de talloze maatschappijleden zijn voortgekomen. Orde, normen en waarden ontstaan nu eenmaal uit chaos, daar kunnen we ‘gerust’ op zijn.

Civilisatie - mythe of werkelijkheid?

Norbert Elias doet in zijn civilisatietheorie uitspraken over de verlenging van de ketens van afhankelijkheid, de vorming van sociale organisaties op steeds hogere aggregatieniveaus (zoals naties en staten) en de toenemende zelfbeheersing van individuen. De theorie van Elias past als verbijzondering prima binnen de heuristische principes van de chaostheorie zoals zelforganisatie, interacterende niveaus van verschillende complexiteit èn ordening uit de chaos.

Elias spreekt over toenemende afhankelijkheid. Dit lijkt in strijd te zijn met het gevoel in de Westerse wereld dat men in de afgelopen 25 jaar juist veel onafhankelijker is van externe bepalingen. Gevoel en realiteit gaan echter zelden gelijk op. Voor de meer ontwikkelde groepen in de westerse samenleving kan het kloppen dat zij zich (vooral door een afname van materiële en ideële beperkingen) vrijer hebben kunnen bewegen. Zij oriënteren zich in hun gedrag (handelen, levenswijze, ideeën) in toenemende mate op wereldomspannende netwerken en kunnen zich zo aan lokale beperkingen onttrekken. De lagere sociale strata doen dit wellicht ook wel, maar hun oriëntatie is in verschillende opzichten geen ‘vrije keuze’ en bovendien in de meeste gevallen niet bi-directioneel. Dit is bij de grote massamedia nog steeds het geval. In het algemeen zijn lokale, maar ook nationale netwerken in hun activiteit voor wat betreft de toegankelijkheid of beschikbaarheid van informatie en (kapitaals)goederen afhankelijker geworden van het gedrag van talloos andere (internationale) netwerken. Ook in hun handelingsvrijheid zijn de meeste mensen eerder meer dan minder afhankelijk geworden van andere mensen.

Ook al zijn mensen zich van de meervoudige bepaling van hun handelen niet of nauwelijks bewust, feit is dat op wereldschaal bezien honderden miljoenen mensen zich op dezelfde consumptiegoederen, ideeën, muzieksoorten, idealen, personen e.d. richten en hierdoor hun eigen handelen (mede) laten beïnvloeden. Of dit een ‘winst’ is mag gerust worden betwijfeld. De wereld wordt platter, uniformer en daarmee ook kleurlozer, dus in zeker opzicht saaier. Anderzijds is er een toename in het aantal mogelijke ‘culturen’, ‘gemeenschappen’, ‘visies’ e.d. die zijn weerga niet kent. De producenten en in toenemende mate ook de consumenten daarvan hebben er geen belang bij dat de aarde een ‘eenheidsworst’ wordt, liever komen er wat hen betreft talloze soorten bij.

Hoe aannemelijk Elias ook wist te maken dat de civilisatie zich kenmerkte door een toenemende zelfbeheersing, de empirische realiteit daarvan is minder vanzelfsprekend. En ook de empirische validiteit van zijn historische analyse is door Hans Peter Duerr, die vijf dikke banden vol schrijft over Der Mythos vom Zivilisationsprozess, zwaar onder vuur genomen (Duerr 1988/1997). In ons land heeft Cas Wouters een interessante poging gedaan de zestiger en zeventiger jaren - de jaren van de lossere omgangsvormen - te duiden als een periodieke afwijking van een hoofdtrend (Wouters 1990). Deze stellingname overtuigt niet iedereen. Uiteindelijk ‘stemt’ de praktijk over de theorie en niet omgekeerd. Zelfs Abram de Swaan is aan het wankelen geslagen sinds vrouwen ‘s nachts voor zijn huis in Amsterdam tussen de auto’s een plasje plegen te doen. Aardig in verband met de discussie over de houdbaarheid van de theorie van Elias en zijn navolgers is ook een recent boek van Herman Vuijsje over het failliet van de ideologie van de jaren zeventig (Vuijsje 1997).

Het nut van dwang

Elias’ theorie mogen we niet opvatten als een stellingname over een onvermijdelijke toename van de zelfbeheersing. Hij wees op een reële mogelijkheid die veel mensen in meer of mindere mate kunnen realiseren. Zelfbeheersing is een wat beladen term voor iets wat elk mens (en dier, of beter gezegd elk levend organisme) realiseert, namelijk zelforganisatie. Zelfbeheersing komt echter niet zonder externe, fysieke of psychische, dwang tot stand. Elias sprak over de dwang tot zelfdwang. De Franse historicus Muchembled heeft op een indringende wijze aangetoond dat bij de uitvinding van de moderne mens de zelfbeheersing vaak met extreme geweldstoepassing tot stand kwam (Muchembled 1990). Het is aannemelijk dat (laat)moderne samenlevingen niet kunnen functioneren zonder een hoge mate van zelfcontrole - hoeveel externe dwang er ook aanwezig is. Het bestaan van onbeheerst, grensoverschrijdend gedrag doet aan die bewering niets af, integendeel. De maatschappelijke onrust en het protest tegen overheden en maatschappelijke organisaties die niet alert genoeg reageren op dit ongewenste gedrag spreekt boekdelen. De reacties op de zinloze geweldplegingen in de openbare ruimte zijn hiervan een treffend voorbeeld. Weliswaar verschuiven de opvattingen over de marges van wat kan en mag bij voortduring, maar onze samenleving kan niet buiten zelfbeheersing, schaamte en gewetensvorming.

Het is zinvol zelfbeheersing en externe dwang niet voor te stellen als twee uitersten op een continuüm, maar als twee processen die in een dynamisch evenwicht in hogere niveaus terecht kunnen komen en samen ook weer op een lager niveau terug kunnen vallen. Een hoger of subtieler niveau van zelfbeheersing gaat aldus gepaard met een hoger of subtieler niveau van externe dwang. Dat is iets anders dan dat de ene soort dwang voor de andere wordt ingeruild. Het is zeker mogelijk dat tijdelijk een instabiele situatie intreedt doordat een hoger niveau van zelfbeheersing dan wel externe dwang gepaard gaat met een lager niveau van zijn ‘tegenhanger’. Als een ‘cultural lag’ zou men de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw goed kunnen beschrijven: een afstandelijker vorm van externe dwang (afgedwongen door de democratiseringsbewegingen in de jaren zestig en zeventig), maar een (nog) niet functionerend, bijpassend, hoger niveau van de zelfbeheersing.

Zelfbeheersing hangt samen met de mate waarin het individu bereid en in staat is om zelf invloed uit te oefenen op zijn of haar levensomstandigheden, inclusief zichzelf: het eigen psychische apparaat, de cognities en de emoties. Dit criterium laat het toe empirische uitspraken te doen over individuele verschillen in de mate waarin iemand in staat is tot zelfcontrole, in de zin van zèlf controleren. Als het zo is dat in de loop van de geschiedenis de mensen gemiddeld genomen meer invloed kunnen uitoefenen op de loop van hun eigen leven, dan is te verwachten dat zij ook meer zelfbeheersing ontwikkelen. Dit is aannemelijk wanneer dat in hun beleving verstandig is, dat wil zeggen meer voor- dan nadelen oplevert. Maar het hoeft niet. Het gebruik van roesmiddelen, ook in zijn extreme vormen, kan uitstekend passen in een geïndividualiseerde vorm van zèlf controle uitoefenen op de eigen levensomstandigheden, ook al is het in de ogen van anderen een schrikbarende vorm van verlies van zelfbeheersing. Om die reden is de metafoor ‘verslaving’ ook niet meer geschikt als beschrijving van het gedrag van mensen die goede redenen hebben om hun middelengebruik in stand te houden. Weliswaar kunnen bepaalde middelen in neuropsychologische en -fysiologische zin ketens van afhankelijkheid bewerkstelligen. Maar deze vorm van afhankelijkheid zal zelden absoluut zijn zo gauw mensen ‘iets beters’ te doen hebben.

Zelfbeheersing is overigens ook een door ideologieën beïnvloed verschijnsel, en het beschavingsproces is dan ook verre van waardevrij. Het adagium Gij zult u zèlf beheersen wordt in ideologieën en religieuze stelsels in alle toonaarden herhaald. In de (laat)moderne tijd is zelfbeheersing gerelateerd aan de mate waarin mensen in staat en bereid zijn om te ‘investeren’ in de kwaliteit van de samenleving. De kans daarop neemt toe wanneer ze hun eigen psychische huishouding en hun gedrag afstemmen op die van anderen en met elkaar communiceren over gemeenschappelijke doelen. Tevens moeten ze dan in de beoordeling van die doelen nagaan of ze in hun handelen niet indirect problemen afwentelen op anderen of andere domeinen, zoals bijvoorbeeld het milieu of de Derde Wereld. Het instandhouden van een civil society kost veel energie, anders stort zij onherroepelijk in elkaar, - de tweede wet van de thermodynamica is onverbiddelijk. Anders gezegd: zelfbeheersing is geen toestand die ooit intreedt maar een dynamisch proces dat staat en valt bij de mate waarin de betrokkenen bereid zijn dit proces zelf te organiseren. Externe dwang kan nooit een voldoende verklaring zijn voor het vóórkomen van zelfbeheersing en het vormt ook onvoldoende ‘brandstof’ voor het voortbestaan ervan. De externe dwang is slechts de uiterlijke omstandigheid die elk individu in overweging neemt bij de afweging om zichzelf te beheersen of dat na te laten.

Alles wat niet op het echte leven is gebaseerd stort vroeg of laat ineen

Na de jaren zeventig is duidelijk geworden dat het verdwijnen van duidelijk aanwezige dwang ertoe leidt dat bepaalde vormen van zelfdwang kunnen wegzakken. Dat hoeft geen probleem te zijn. De veranderde beleving van de seksualiteit is slechts vanuit een traditionele waardenoriëntatie te zien als een terugval in het beschavingsproces. Als leidraad mag gelden dat alles wat niet op het echte leven gebaseerd is vroeg of laat in elkaar stort. Als voorbeeld mogen dan de zeer beperkende seksuele geboden en verboden uit het verleden genoemd worden. Een ander voorbeeld is het verbod op het plassen op straat door vrouwen in hoge nood, zolang er voor hen nog onvoldoende openbare voorzieningen bestaan. Als een daadwerkelijke terugval of als een stagnatie in het beschavingsproces kunnen we het misbruik maken van maatschappelijke voorzieningen waarderen - zoals het zwartrijden in de metro - omdat dit een teken is dat de betrokkenen hun eigen problemen (d.i.: niet willen betalen) afwentelen op de gemeenschap. Dat kunnen we alleen voorkomen als het niveau van de gemiddelde zelfbeheersing in overeenstemming is met het niveau van externe controlemaatregelen. In dit verband is wel belangrijk ons ervoor te hoeden de bijzondere geschiedenis van Nederland in de jaren zestig en zeventig te gebruiken als het toetsingsmateriaal voor een algemene maatschappijtheorie. In geen enkel Westers land zijn zó radicaal de externe controlemiddelen uitgebannen geweest. In geen land was er zoveel ruimte voor quasi onbeheerst gedrag als juist in Nederland.

Toch kunnen we optimistisch zijn en verwachten dat de trend van toenemende zelfbeheersing zich zal doorzetten. We hoeven ons hierbij niet te baseren op een of andere heilsverwachting maar slechts op de kenmerken van het maatschappelijke proces zelf. Niettegenstaande de chaotische ontwikkelingspatronen, stagnaties en regressies, organiseert het maatschappelijke systeem en organiseren de individuele maatschappijleden zichzelf in de richting van steeds complexere, meer pluriforme en meer verbijzonderde vormen van ordening - in het bijzonder vormen van zelfordening. In alle verwarring en ruis die we dagelijks om ons heen waarnemen, ontstaan ook nieuwe regelmatigheden en vaste patronen die structurerend werken op de omgeving, - net zoals de golven van de oceaan structurerend werken op de beweging van de zich in alle richtingen bewegende, ontelbare waterdeeltjes. Het is belangrijk deze rustpunten en wetmatigheden op het spoor te komen. We moeten ons niet fixeren op de talloze dagelijks waarneembare verschijnselen die daarmee in strijd lijken te zijn. Chaos en ordening zijn geen vreemden van elkaar - het één veronderstelt het ander. Net zo gaan individualisering en sociale integratie hand in hand.

LITERATUUR

Ashley D (1997) History without a subject: the postmodern condition. Boulder: Westview Press.

Braak H van de (1995) Sociodynamica: waarom de wereld constant verandert. Amersfoort: Enzo Press.

Duerr HP (1988-1997) Der Mythos vom Zivilisationsprozess. Band 1-4. Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag.

Elias N (1990) Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen. Deel 1 en 2. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum.

Giddens A (1991) Modernity and self-identity. Self and society in the late modern age. Cambridge: Polity Press.

Goleman D (1996) Emotionele intelligentie: emoties als sleutel tot succes. Amsterdam: Uitgeverij Contact.

Holmes D (ed 1997) Virtual politics. Identity & community in cyberspace. London: SAGE Publications.

Küppers G (1996) Chaos und Ordnung. Formen der Selbstorganisation in Natur und Gesellschaft. Stuttgart: Philipp Reclam.

Muchembled R (1990) De uitvinding van de moderne mens: collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de Middeleeuwen tot de Franse Revolutie. Amsterdam: Uitgeverij Contact.

Stel JC van der (1995) Drinken, drank en dronkenschap: vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland - een historisch-sociologische studie. Hilversum: Verloren.

Stel JC van der (1997) Gij zult u zèlf beheersen. Verslaving en geestelijke volksgezondheid. In P van Lieshout, C Hosman en G Hutschemaekers (red) Geestelijke volksgezondheid in Nederland. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Swaan A de (1983) De mens is de mens een zorg. Opstellen 1971-1981. Amsterdam: Meulenhoff.

Tester K (1992) Civil society. London: Routledge.

Vuijsje H (1997) Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig. Amsterdam: Uitgeverij Contact.

Wouters C (1990) Van minnen en sterven: informalisering van omgangsvormen rond seks en dood. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.