Wat maakt gelukkig?


Wat maakt gelukkig?

Hedendaagse filosofische visies onder redactie van Loes Derksen en Mariette Willemsen

Amsterdam 2004 Atlas

Wat maakt gelukkig?

LOES DERKSEN

Geluk houdt alle mensen bezig. Het kan gezien worden als het meest waardevolle om na te streven. Maar omdat geluk niet iets is wat makkelijk te definiëren of te verkrijgen is, leent het zich goed voor wijsgerige overwegingen. Dit boek bevat opstellen over wat een zevental hedendaagse filosofen beschouwen als geluk en hoe zij denken dat een mens gelukkig wordt.

In de meeste studies over het denken over geluk in de filoso­fie wordt geconstateerd dat er niet slechts één definitie van geluk is. Eén auteur, Marcus Varro, beweert zelfs 288 verschillende be­tekenissen van de term te hebben gevonden. Bovendien wordt het feit dat het begrip geluk veel betekenissen heeft, wel gezien als een fundamenteel kenmerk van het concept. Een van de re­denen hiervoor is dat diverse factoren een rol spelen in het ge­lukkig maken van een mens.

Veel mensen vinden dat een mens pas gelukkig kan worden als voorzien is in de eerste levensbehoeften. Mensen moeten genoeg te eten hebben, een dak boven het hoofd hebben, ze moeten ge­zond zijn en kunnen leven zonder bedreiging of geweld. Filoso­fen hebben veel discussies gevoerd over de vraag wanneer wel en wanneer niet voldaan is aan de eerste levensbehoeften. Sommi­gen stellen minimale eisen. Diogenes, een filosoof uit de Griek­se Oudheid, leefde in een ton op de markt van Athene. Hij was­te zich niet, deed zijn behoeften in het openbaar en zei wat hij dacht. Hij werd daardoor zo'n grote bezienswaardigheid dat Alexander de Grote hem kwam bezoeken. Op de vraag van deze koning of Diogenes een wens had, antwoordde laatstgenoemde met het verzoek aan Alexander om alsjeblieft een stap opzij te doen en uit de zon te gaan staan. Voor Diogenes was een ton in de zon genoeg om gelukkig te zijn. Ook Socrates, de leermeester van Plato, leefde in grote armoede. Hij kon zijn gezin niet goed onderhouden en was afhankelijk van rijke vrienden. Plotinus is nog een voorbeeld van een filosoof die zichzelf slecht verzorgde en zijn lichaam verwaarloosde.

Een filosoof die kiest voor een leven in armoede, staat binnen de westerse traditie van ascese: hij zweert alles wat niet strikt noodzakelijk is af en richt zich op alles wat ontstijgt aan het ver­vullen van aardse behoeften. Zulke filosofen denken dat een le­ven zonder aardse verlangens een mens in staat stelt het ware ge­luk te vinden.

Een filosoof die wat meer eisen stelt aan de eerste levensbe­hoeften is Aristoteles. Volgens hem is de definitie van een geluk­kig mens een Atheense burger met vrienden, een gezin, bezit en vrije tijd. Een gelukkig mens is actief in de politiek en in de filo­sofie. Toch pleit Aristoteles voor matigheid in alle dingen.

Het vervullen van de eerste levensbehoeften, of dit nu asce­tisch of royaal gebeurt, is een voorwaarde voor het zoeken naar geluk. Maar op zichzelf maakt dit de mens niet gelukkig. Geluk kunnen we beschouwen als een doel dat nagestreefd wordt, of als iets wat in het hebben van doelen verwerkelijkt wordt. Geluk wordt in de klassieke filosofie zelfs gezien als het hoogste doel van de mens, het grootste goed en dat wat door de menselijke rationaliteit verwezenlijkt wordt.

Een van de hoogste doelen van de mens is het zoeken naar het eeuwige of het goddelijke. Plato stelt in zijn dialoog Symposium dat het diepste verlangen van mensen, en daarom het grootste geluk, te maken heeft met het zoeken naar onsterfelijkheid. Om­dat de mens van nature sterfelijk is, wil hij voortbestaan na de dood. Volgens Plato kunnen we bijvoorbeeld door kinderen te krijgen een dergelijk voortbestaan verwerkelijken. Ouders leven door in hun kinderen omdat die dezelfde fysieke kenmerken heb­ben, omdat ouders hun sporen achterlaten in de opvoeding van de kinderen, en omdat kinderen nog aan hun ouders denken na­dat deze zijn gestorven. Het krijgen van kinderen is echter iets fysieks en lichamelijke, en dat heeft minder eeuwigheidswaarde dan het abstracte. Mensen zoeken daarom ook naar een geeste­lijke vereeuwiging van zichzelf.

Een voorbeeld hiervan is het nastreven van roem. Roem bete­kent niet alleen blijven leven in de gedachten van mensen, maar ook in verhalen die over de beroemde persoon worden doorver­teld of opgeschreven. Als iemand een plaats krijgt in de geschie­denis, dan blijft hij of zij veel langer bestaan dan in de herinne­ring van zijn of haar kinderen. Een plaats in de geschiedenis kan verkregen worden door het verrichten van heldendaden, het schrijven van boeken of het maken van de wetten van een land. De hoogste vorm van abstractie is volgens Plato filosoferen en redeneren: hierin is ook het hoogste geluk te vinden. Als de mens nadenkt over de hoogste ideeën, die van het ware, goede en scho­ne, bevindt hij zich volgens Plato zelfs in het gezelschap van de onsterfelijke goden.

Ook in de christelijke traditie in de filosofie is sprake van een dergelijk verlangen naar het eeuwige. De verhouding tot God in geloof en rede wordt gezien als de ware bestemming van de mens en datgene wat hem het grootste geluk zal brengen.

Filosofen hebben niet alleen gewezen op het geluk dat voort­komt uit het streven naar het hogere, maar ook op een aantal aardse zaken waardoor we gelukkig kunnen worden. Een daar­van is de liefde voor de medemens. Het zoeken van geluk in de liefde wordt vaak verbonden met het eerder genoemde zoeken naar God of het goddelijke. Een voorbeeld van het verband tus­sen deze twee komt tot uiting in Jezus' samenvatting van de wet: heb de Here God lief met geheel uw hart en de naaste als uzelf. Dit is een van de centrale gedachten van het christendom ge­worden. De liefde voor de ander, die van ouders en kinderen voor elkaar, van man en vrouw of partners onderling, en van mens tot mens staat centraal in het leven van veel mensen. Liefde wordt gezien als de grootste bron van geluk omdat ze verbonden is met geborgenheid en onvoorwaardelijke acceptatie.

Ook een ethische houding ten opzichte van de ander wordt gezien als een bron van geluk. Socrates bijvoorbeeld stelt dat de rationele mens het goede doet en dat alleen dit ons gelukkig zal maken. Het slechte doen komt voort uit irrationaliteit en brengt verdriet en ongeluk met zich mee. Geen mens doet daarom op­zettelijk het kwade; wij denken altijd dat datgene wat wij doen, goed is en dat het ons geluk zal brengen. De ethische relatie tot de ander staat ook centraal in de christelijke `gouden regel' dat wij een ander niets aan mogen doen wat wijzelf niet willen on­dergaan.

Geluk kan ook tot stand komen in de sociale verhoudingen tus­sen mensen. Gelukkig is wie in ere wordt gehouden door de me­demens. Erkenning is onontbeerlijk voor een mens. Bovendien wil iedereen een eigen plaats en rol hebben in de maatschappij, om iets te kunnen betekenen voor zichzelf en voor anderen.

Maar een mens zoekt niet alleen zijn geluk in de verhouding tot de medemens. Hij moet ook gelukkig kunnen zijn als indivi­du. Filosofen die de nadruk leggen op de enkeling, denken dat de individuele mens het geluk vindt als deze de vrijheid heeft zichzelf te kunnen zijn. Dit betekent niet alleen dat een mens zich niet anders hoeft voor te doen dan hij is, maar ook dat de ander hem in zijn waarde laat. Het is belangrijk om te kunnen doen en te beleven wat men zelf wil. Zo stelt iedere mens zijn eigen doe­len op waardoor hij zich gelukkig voelt. De een gaat vissen, de ander werkt graag hard. Er zijn filosofen die stellen dat het indi­vidualisme mensen niet gelukkig maakt omdat individuele ver­langens ten koste gaan van de behoeften van anderen. Maar er zijn ook filosofen, zoals de Canadees Charles Taylor, die van me­ning zijn dat de eigen identiteit en zelfverwerkelijking een bron van geluk kan zijn en dat de belangen van andere mensen daar­mee niet noodzakelijkerwijs schade wordt toegebracht.

Gelukkig zijn kun je ook als een houding beschouwen. Dit be­tekent dat het gevoel gelukkig te zijn niet afhangt van uiterlijke omstandigheden of van bepaalde te bereiken doelen, maar van onszelf en hoe wij de wereld beschouwen. Filosofen beschrijven verschillende houdingen die wij kunnen innemen. Een daarvan is de onverstoorbaarheid van de stoïcijnen. We kunnen beslissen ons niet te bekommeren om ellendige toestanden en ons af te sluiten voor de onvermijdelijke teleurstellingen van het leven, van verdriet en verlies. Wie dit doet, erkent weliswaar dat ongeluk bij het leven hoort, maar besluit dat dergelijke rampspoed onze ge­voelens niet hoeft te bepalen. Ook de epicuristen koppelen geluk aan een bepaalde houding ten opzichte van het leven. Het gaat hier om de `vier geneeskrachtige kruiden: In Jostein Gaarders De wereld van Sofie worden ze fraai op een rij gezet: `Voor de goden hoef je niet te vrezen. Over de dood hoef je je geen zorgen te ma­ken. Het goede is eenvoudig te verkrijgen. Het afschuwelijke is gemakkelijk te verdragen: De epicuristen voegen hieraan toe dat het zaak is om het geluk te zoeken in het gematigde genieten van het leven. De mens moet berekenen wat het beste voor hem is om zo de grootste hoeveelheid genot te krijgen. Zo is, om een voorbeeld te geven, het eten van chocola eventueel een bron van genot, maar is te veel ervan niet goed.

Ook zijn er filosofen die zeggen dat geluk een gevoel is dat voortkomt uit het menselijk lichaam. De zeventiende-eeuwse fi­losoof René Descartes was van mening dat de ervaring van ge­luk een fysiologische basis had. Hij dacht dat een baby al plezier en onlust beleefde in de baarmoeder naar gelang de prikkels die hij kreeg. Als de moeder eet, zo dacht Descartes, zou de baby een plezierige prikkel krijgen, en als ze honger heeft of als haar buik onprettige bewegingen maakt, zou er sprake zijn van een onple­zierige prikkel. Julien Offray de Lamettrie gaat hierin nog een stap verder. Deze achttiende-eeuwse medicus en filosoof spreekt over de invloed van eten, alcohol, koffie, opium, zwangerschap, zwarte of gele gal, slijm, verstoppingen van de milt, de lever en poortader, bloedsomloop, slaap, ouderdom, warmte en kou op de gemoedstoestanden van de mens. Hij geeft veel voorbeelden van hoe deze materiële zaken van invloed zijn op het welbevin­den van mensen. Zo vertelt hij het verhaal van een Zwitserse rech­ter, Steigner von Wittighofen, die normaal gesproken de mild­heid zelve was maar na een stevig middagmaal iedereen tot zware straffen veroordeelde.

De keerzijde van het idee dat er een materiële basis bestaat voor de ervaring van geluk, is dat er ook een materiële basis be­staat voor de ervaring van ongelukkig zijn. Sommige mensen hebben een aard die ze meer geluk zal doen ervaren dan andere mensen. Ook betekent het dat wij soms invloed kunnen uitoefe­nen op hoe gelukkig we ons voelen en andere keren niet. Behal­ve de koffie, alcohol en drugs, al genoemd door Lamettrie, heb­ben wij nu anti-depressiva om ons beter te voelen.

Filosofen spreken verder over dingen waarvan mensen ten on­rechte denken dat ze gelukkig maken. Voorbeelden hiervan zijn rijkdom, eer, roem, macht, en zinnelijk genot. Deze brengen vol­gens sommige denkers schijngeluk, dat wil zeggen een geluk dat kortstondig is, schadelijke gevolgen heeft of in strijd is met gods­dienstige beginselen. De meningen over hoe deze lijst eruit zou moeten zien, kunnen uiteraard verschillen.

Veranderingen in het spreken over geluk in de filosofie

Met uitzondering van een materialistische filosoof als Lamettrie zien de denkers van voor de negentiende eeuw het geluk als het grootste menselijke goed, een goed dat door middel van de hoog­ste mentale capaciteiten, de rede en geestelijk inzicht, wordt ver­kregen. Denken filosofen in onze tijd nog steeds op deze manier over geluk? Volgens Hans Dijkhuis, die een uitvoerige studie heeft gepubliceerd over het geluk, maakt het spreken over geluk in de geschiedenis van de filosofie veranderingen door. Hij spreekt over `het einde van de traditie: Er zijn, zo laat zich in aansluiting op het werk van Dijkhuis zeggen, een aantal wendingen te noemen in het gebruik van het begrip geluk. Zij houden verband met het zetten van vraagtekens bij de rationaliteit, met het ondervragen van het elitaire karakter van geluk, met het stellen van andere doelen die hoger worden geacht dan het geluksdoel, met de op­komst van sociaal-politieke bewegingen en met secularisatie.

In de negentiende eeuw verandert het spreken over het geluk omdat er vraagtekens worden gezet bij de aard van de rationali­teit. Is rationaliteit een middel om op een onbevooroordeelde wijze de werkelijkheid, het goede en het geluk in te schatten, of wordt rationaliteit beïnvloed door niet-rationele factoren? Fried­rich Nietzsche, bijvoorbeeld, beweert dat de mens primair ge­stuurd wordt door zijn instincten, waarvan de wil tot macht het belangrijkste is. De wil tot macht zou de drijfveer zijn van de ra­tionaliteit. Twijfels over de neutraliteit van de rede leiden er ver­volgens toe dat men zich gaat afvragen welke motieven er eigen­lijk een rol spelen bij het zoeken naar geluk. Misschien is het zoeken naar geluk geen belangeloos verlangen naar iets wat op zichzelf goed is, maar eerder een vervullen van instinctieve be­hoeftes. Wat ons gelukkig maakt, zo is dan de gedachte, is datge­ne wat ons een gevoel van bevrediging geeft, en dat is niet geba­seerd op een rationeel oordeel.

Ook verandert het traditionele elitaire karakter van het zoe­ken naar geluk. Terwijl in het verleden geluk werd gezien als iets dat voornamelijk intellectuelen en filosofen kunnen begrijpen en realiseren, wordt het in de negentiende eeuw meer en meer be­schouwd als bereikbaar voor iedereen. Charles Taylor schrijft in zijn in 1989 gepubliceerde geschiedenis van het westerse denken over de democratisering van geluk. Taylor stelt dat er vanaf de reformatie een verband wordt gelegd tussen geluk en het alle­daagse bestaan, met name zoals dat vorm krijgt in arbeid en in het gezinsleven. In de filosofie van de Oudheid werd er geen ver­band gelegd tussen het zoeken naar geluk en arbeid. De enige ar­beid waar filosofen het over hadden, waren culturele en politie­ke activiteiten. Andere vormen van arbeid, zoals werken in de landbouw of handel drijven, behoorden bij de lagere klassen. Ook het verlangen om in het gezin het geluk te vinden krijgt een ander karakter. Het gezin in de Griekse Oudheid was een uitge­breide familie en een economische eenheid, met land en slaven om het werk te doen. Na de reformatie wordt het gezin gezien als een kleine eenheid die de privé-sfeer vormt waarin men zich kan terugtrekken uit de publieke wereld.

Het begrip geluk ondergaat in de negentiende eeuw een ver­dere nivellering door de opkomst van de massamaatschappij. Nietzsche spreekt van het geluk van de burger: het verlangen naar geborgenheid in de vorm van huiselijkheid, het gezin, veiligheid, gezondheid en de kleine pleziertjes van het leven. Het geluk is dan het kleine geluk dat met de kleine man wordt geïdentificeerd. Het wordt niet meer gezien als het nastreven van verheven doe­len, maar als het streven naar een gevoel van welbevinden. Een citaat uit de voorrede van Nietzsches hoofdwerk, Aldus sprak Za­rathoestra, is in dit verband onthullend:

`Wat is liefde? Wat is schepping? Wat is verlangen? Wat is ster?'- zo vraagt de laatste mens en knipoogt.

Dan is de aarde klein geworden en op haar hipt de laatste mens, die alles klein maakt.

Zijn geslacht is onuitroeibaar gelijk de aardvlo; de laatste mens leeft het langst.

`Wij hebben het geluk ontdekt' - zeggen de laatste mensen en knipogen.

Het idee van `het kleine geluk' werkt door in onze tijd. Een voor­beeld daarvan is te vinden in de hedendaagse studie over geluk van Henk Vos. De auteur somt vijf voorwaarden op waaraan vol­daan moet zijn wil de moderne mens zich gelukkig voelen. Wij, moderne mensen, zijn gelukkig:

  1. Wanneer we door banden van bloedverwantschap, liefde of vriendschap hecht met anderen en de wereld zijn verbonden.
  2. Wanneer we bemiddeld genoeg zijn om op korte en langere ter­mijn het leven te leiden dat we beslist menen te moeten leiden, en er in ieder geval geen directe aanleiding bestaat voor angst in ver­band met een ernstige teruggang in levensstandaard.
  3. Wanneer we onszelf recht in de ogen kunnen kijken en te zeer door een slecht geweten worden geplaagd.
  4. Wanneer we ons kunnen ontplooien in activiteiten die door ons zelf, en liefst ook door voor ons belangrijke anderen, als zinvol wor­den beleefd.
  5. Wanneer we in redelijk goede gezondheid verkeren en niet da­gelijks gebukt gaan onder de last van het ouder worden en de drei­ging van de dood.

In deze opsomming van Vos is duidelijk te zien hoe geluk in ver­band wordt gebracht met de beleving van het individu dat zich prettig moet kunnen voelen in het dagelijks leven.

Een andere wending in de geschiedenis van de filosofie werd volgens Dijkhuis ingezet in de achttiende eeuw, en wel in de fi­losofie van Immanuel Kant. Bij Kant wordt niet het geluk als hoogste doel beschouwd, maar de zedelijke goedheid. Ook bij Nietzsche is geluk niet meer het hoogste doel van de mens: het wordt echter niet vervangen door goedheid maar door macht: macht krijgen over de medemens en de wereld om zich heen zou het hoogste doel van de mens zijn. Een ander streven dat in de negentiende eeuw het zoeken naar geluk in belang gaat overstij­gen, is het streven naar uniciteit of genialiteit. In reactie op het ontstaan van de massamaatschappij wordt het idee van het een­zame genie gelanceerd, iemand die niet begrepen wordt en die zijn tijd vooruit is. Deze persoon, hoe ongelukkig hij ook is in zijn eenzaamheid, uitsluiting en armoede, wil zijn individualiteit en vrijheid behouden en zo onder de druk van het conformisme in de maatschappij uitkomen. Soren Kierkegaard en Martin Hei­degger spreken in hun filosofie allebei van de enkeling tegenover de massa. Bij Heidegger is het doel van de mens niet om geluk te vinden maar om in staat te zijn zichzelf te zijn, voor zichzelf te bepalen wie hij is en wat hij wil. `Eigentlichkeit' is de term die hij hiervoor in het leven roept.

Een ontwikkeling die veel invloed heeft gehad op het denken over geluk, is de opkomst van sociaal-politieke bewegingen in de achttiende en negentiende eeuw, zoals het liberalisme, het utili­tarisme, het feminisme, het socialisme en het communisme. De gedachte is hier dat als de samenleving welvarend en rechtvaar­dig is, de mens gelukkig zal zijn. Of, bij een meer actieve inter­pretatie van dit idee: geluk ligt in het streven die welvarende en rechtvaardige samenleving te realiseren. In sommige gevallen gaat het om een streven naar geluk, in andere gevallen is niet ge­luk maar rechtvaardigheid het hoogste doel.

Een laatste verandering van het denken over geluk heeft te ma­ken met de secularisatie. In onze tijd wordt het idee dat de mens gericht is op het eeuwige minder vaak dan vroeger aangewezen als een bron van geluk. Er is sprake van aandacht voor het hier en nu in plaats van voor het hiernamaals, voor het lichaam in plaats van de ziel, voor de materie in plaats van de geest, en voor het genieten in plaats van de ascese.